<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2017:584</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-08-10T08:35:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-07-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2017-05-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/04813</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2017:1222" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1222, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2017:584">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2017:584</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-07-05T09:58:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-07-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2017:584 Parket bij de Hoge Raad , 23-05-2017 / 15/04813</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2017:584:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Profijtontneming, medeplegen van invoer van verdovende middelen en witwassen. Methode van eenvoudige kasopstelling. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2017:414 m.b.t. de kasopstelling en art. 36e.2 en 3 Sr. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de uitkomst van de gebezigde kasopstelling het door betrokkene daadwerkelijk w.v.v. representeert dat ex art. 36e.2 Sr kan worden ontnomen. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, nu het Hof in het midden heeft gelaten of dat bedrag is gerelateerd aan (uitsluitend) het bewezenverklaarde witwassen dan wel (mede) de bewezenverklaarde overtreding van de Opiumwet en/of andere strafbare feiten a.b.i. art. 36e.2 Sr en/of soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr. V.zv. Hof tot uitdrukking zou hebben willen brengen dat het bedrag dat betrokkene meer heeft uitgegeven dan zijn legale inkomsten in de desbetreffende periode hebben bedragen, is verkregen d.m.v. of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen, zou dat oordeel kennelijk zijn gebaseerd op de opvatting dat dit bedrag, nu het voorwerp van witwassen was, reeds daardoor w.v.v. vormde. Die opvatting is niet juist (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BY5217).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2017:584:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 15/04813 P</para>
            <para>Zitting: 23 mei 2017</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. E.J. Hofstee</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [betrokkene] </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <para />
  <para />
  <orderedlist numeration="arabic">
    <listitem>
      <para>Bij arrest van 2 oktober 2015 heeft het Gerechtshof Amsterdam met overneming van gronden de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 augustus 2013 bevestigd waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 56.057,85. Het hof heeft dit bedrag vanwege een overschrijding van de redelijke termijn gematigd en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 55.000,00. </para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Namens de betrokkene heeft mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld. </para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Het <emphasis role="underline">middel</emphasis> komt op tegen het oordeel van het hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot het bedrag van € 56.057,85 door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten. </para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang houdt het door het hof bevestigde “Promisvonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht” van de rechtbank in: </para>
    </listitem>
  </orderedlist>
  <para />
  <parablock>
    <para>“<emphasis role="bold">6. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen</emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="bold">voordeel</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">6.1 Veroordeling</emphasis>
    </para>
    <para>Bij vonnis van deze rechtbank van 13 mei 2011 is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarbij is bewezenverklaard dat:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Feit 1 (Zaaksdossier B1)</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Primair</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">hij op 12 september 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in</emphasis> <emphasis role="italic">vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft</emphasis> <emphasis role="italic">gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een onbekend</emphasis> <emphasis role="italic">gebleven hoeveelheid verdovende middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst 1;</emphasis></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Feit 2 (Zaaksdossier B13)</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 20 april 2010, te Amsterdam althans in</emphasis> <emphasis role="italic">Nederland, enig geldbedrag voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dat dit geldbedrag</emphasis> <emphasis role="italic">- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.</emphasis></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feiten.”</para>
    <para>En: </para>
    <para>“<emphasis role="bold">6.3. De beoordeling </emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="underline">(…)</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">De beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
    </para>
    <para>De rechtbank is van oordeel dat op grond van het onder vermeld parketnummer aangelegd straf- en ontnemingsdossier aannemelijk is geworden dat veroordeelde door middel van of uit de baten van het feit waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank sluit bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan bij de voornoemde ontnemingsrapportage en de daarin genoemde bewijsmiddelen die daar als bijlagen zijn bijgevoegd en voor zover deze niet daaruit volgen, uit het vonnis van de rechtbank d.d. 13 mei 2011.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het wederrechtelijk genoten voordeel, ten bedrage van € 56.057,85, is het resultaat, zo volgt uit het ontnemingsrapport, van een eenvoudige kasopstelling waarin alle vastgestelde legale ontvangsten en alle vastgestelde uitgaven zijn verwerkt. Uit de kasopstelling volgt dat veroordeelde in de periode van 1 januari 2007 tot en met 20 april 2010 een bedrag van € 57.571,65 (later bijgesteld naar € 56.057,85) méér heeft uitgegeven dan zijn legale inkomsten in de betreffende periode hebben bedragen.”</para>
  </parablock>
  <para>5. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit inmiddels bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat geldbedragen die het voorwerp zijn van het bewezenverklaarde witwassen, niet <emphasis role="italic">reeds daardoor</emphasis> wederrechtelijk verkregen voordeel vormen.<footnote-ref linkend="_f7cbf12d-0e11-4a57-912e-b32a71711c75" /> Die bewering is op zichzelf juist, in die zin dat het voordeel dat wederrechtelijk zou zijn verkregen niet zonder meer gelijkgesteld mag worden aan het witgewassen geldbedrag dat de betrokkene slechts voorhanden heeft (gehad).<footnote-ref linkend="_fa52e6b4-72e1-4dde-b4f6-5ccc0868bd4f" /></para>
  <para>6. De vraag is nu of het hof die rechtspraak in de onderhavige zaak heeft miskend. Op het eerste gezicht lijkt dat niet het geval te zijn. Zo wordt onder het hiervoor weergegeven hoofd “6. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel” niet alleen het witwasfeit genoemd, maar ook het op 12 september 2009 binnen het Nederlands grondgebied brengen van een onbekend gebleven hoeveelheid verdovende middelen, en voorts in meervoud gesproken over voordeel dat door middel van of uit de baten van de ingevolge het strafvonnis bewezenverklaarde strafbare <emphasis role="italic">feiten</emphasis> (meervoud) is verkregen. Ook heeft het hof nergens expliciet gezegd dat enkel het bewezenverklaarde witwassen tot het door de betrokkene verkrijgen van voordeel heeft geleid.  </para>
  <para>7. Daar staat evenwel het volgende tegenover. Onder 6.3 luidt de overweging in het sub-kopje “De beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel” dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het <emphasis role="italic">feit</emphasis> (enkelvoud) waarvoor hij is veroordeeld. Verder is het voordeel berekend en ontnomen over de periode van 1 januari 2007 tot en met 20 april 2010. Deze periode komt exact overeen met de bewezenverklaarde witwasperiode. Alleen daaruit kan al worden afgeleid dat het berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel niet (alleen) aan de invoer van verdovende middelen op 12 september 2009 is gerelateerd, maar (grotendeels) aan het delict van witwassen. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat door het hof (in navolging van de rechtbank) nergens wordt gerept van “andere strafbare feiten” als bedoeld in het tweede dan wel het derde lid van art. 36e Sr.<footnote-ref linkend="_19c2484d-eecc-4824-9429-c25e737f1900" /></para>
  <para>8. Daarbij komt dat aan de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in onderdeel 6.3 de ontnemingsrapportage en de daarin gehanteerde methode van eenvoudige kasopstelling ten grondslag zijn gelegd.<footnote-ref linkend="_215e035f-9959-4f8a-9004-43af80ce84e6" /> Blijkens deze rapportage heeft het financiële onderzoek zich uitgestrekt over het tijdvak van 1 januari 2007 tot en met 20 april 2010 en is, aan de hand van financiële bescheiden, het contante/girale (kas)verkeer nader geanalyseerd en daarbij een verschil tussen legale inkomsten en feitelijke contante uitgaven vastgesteld ten bedrage van € 57.171,65. In de rubriek “feitelijke contante uitgaven” zijn twee kasstortingen (€ 78.800,00 onderscheidenlijk € 73.360,00), moneytransfers (€ 3.000,00) en diverse facturen uit de woning (€ 16.237,65) ondergebracht. Dat verschil (tekort) betekent dat de betrokkene in de genoemde periode tenminste het vastgestelde bedrag meer heeft uitgegeven dan mogelijk is van het getraceerde legale inkomsten, met dien verstande dat per abuis geen rekening is gehouden met de girale betaling van € 1.513,80 ten behoeve van twee vliegtickets, welke betaling het hof in navolging van de rechtbank in mindering heeft gebracht op het bedrag van € 57.171,65, zodat het wederrechtelijk door de betrokkene verkregen voordeel uiteindelijk is geschat op € 56.057,85.    </para>
  <para>9. Op grond van het voorgaande meen ik dat het hof kennelijk als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat (ook) het witwassen in de bewezenverklaarde pleegperiode heeft geleid tot het door de betrokkene wederrechtelijk verkrijgen van vermogen tot het bedrag van € 56.057,85. Dat oordeel heeft het hof kennelijk gebaseerd op de opvatting dat onder meer de contante kasstortingen, nu zij voorwerp van het bewezenverklaarde witwassen waren, reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormden. Die opvatting is echter niet juist.<footnote-ref linkend="_ef886c13-2f67-426b-a8eb-8df140e99aba" /></para>
  <parablock>
    <para>10. Mitsdien is het kennelijke oordeel van het hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot het bedrag van € 56.057, 85 (mede) door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk en klaagt het middel daarover terecht.  </para>
    <para>11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. </para>
    <para>12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.  </para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>AG</para>
  </parablock>
  <footnote id="_f7cbf12d-0e11-4a57-912e-b32a71711c75" label="1">
    <para> Zie onder meer: HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1331; HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3485; HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3172; HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3071; HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3051; HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:233 en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2013/293 m.nt. Reijntjes. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fa52e6b4-72e1-4dde-b4f6-5ccc0868bd4f" label="2">
    <para> Zie voor een nadere toelichting mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2015:1490.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_19c2484d-eecc-4824-9429-c25e737f1900" label="3">
    <para> Vgl. HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1331, HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3051 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2017/151. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_215e035f-9959-4f8a-9004-43af80ce84e6" label="4">
    <para> Zie over de berekeningsmethode van eenvoudige kasopstelling nader HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2017/151.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef886c13-2f67-426b-a8eb-8df140e99aba" label="5">
    <para> Zie de in voetnoot 1 genoemde arresten.  </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>