<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2017:403</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-06-07T09:28:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-06-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2017-04-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/01651</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2017:1033" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1033, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2017:403">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2017:403</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-06-07T09:26:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-06-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2017:403 Parket bij de Hoge Raad , 04-04-2017 / 16/01651</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2017:403:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Profijtontneming, w.v.v. uit verkoop cocaïne. Hof heeft verzuimd het in de strafzaak verbeurd verklaarde geldbedrag in mindering te brengen op de opgelegde betalingsverplichting, art. 33a.1.a Sr. HR: Op de gronden die zijn vermeld in de CAG is het middel terecht voorgesteld (vgl. ECLI:NL:HR:2016:874). CAG: Door de v.v. bij onherroepelijk geworden strafvonnis van het aan betrokkene toebehorende en door hem d.m.v. de verkoop van cocaïne verkregen geldbedrag van € 2.290,60,- is dit w.v.v. reeds aan betrokkene ontnomen. Hof had het in strafzaak verbeurdverklaarde geldbedrag in mindering moeten brengen op de aan betrokkene opgelegde betalingsverplichting. HR doet de zaak om redenen van doelmatigheid zelf af.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2017:403:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 16/01651 P</para>
            <para>Zitting: 4 april 2017</para>
            <para>(bij vervroeging)</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. F.W. Bleichrodt</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [verdachte = betrokkene] </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <para />
  <para />
  <orderedlist numeration="arabic">
    <listitem>
      <para>Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 1 juni 2015 de betrokkene bij verstek de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 15.465,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. </para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Het <emphasis role="underline">eerste middel</emphasis> behelst de klacht dat de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de oplegging van de ontnemingsmaatregel onvoldoende met redenen zijn omkleed, aangezien het hof daarbij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het in de strafzaak verbeurd verklaarde geldbedrag van € 2.290,60.</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:<?linebreak?>(i) In de bijbehorende strafzaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, de betrokkene bij vonnis van 28 januari 2014 ter zake van het opzettelijk verkopen van (handels)hoeveelheden cocaïne in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 18 april 2013 en in de periode van 20 april 2013 tot en met 31 juli 2013 (feit 1), het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 32 gram cocaïne op 31 juli 2013 (feit 2) en het opzettelijk vervoeren van ongeveer 125 gram cocaïne op 19 april 2013 (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden. Voorts heeft de rechtbank onder meer een inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.290,60 verbeurd verklaard. Daartoe heeft de rechtbank vastgesteld dat dit geldbedrag toebehoort aan de betrokkene en geheel of grotendeels door middel van de verkoop van drugs (feit 1) is verkregen. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.<?linebreak?>(ii) In de onderhavige ontnemingszaak heeft het hof overwogen dat de betrokkene door middel van het begaan van het in het strafvonnis onder 1 bewezen verklaarde feit en andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, te weten de verkoop van cocaïne op 31 juli 2012 en op 19 april 2013, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Bij de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof uitgegaan van een ontnemingsperiode van 31 juli 2012 tot 31 juli 2013. Vervolgens heeft het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg en de vordering van de advocaat-generaal bij het hof, op basis van het financieel rapport van de politie (“de voordeelsrapportage”) geschat op een bedrag van € 15.465,- en voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting opgelegd aan de betrokkene.</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Ingevolge art. 33a, eerste lid, aanhef en onder a, Sv zijn voorwerpen die aan de betrokkene toebehoren en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen vatbaar voor verbeurdverklaring. Uit de memorie van toelichting<footnote-ref linkend="_651316e4-04d8-41d5-a8ce-ff1d005970de" /> bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 31 maart 2011 tot verruiming van de mogelijkheden tot voordeelontneming volgt dat ook door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit kan worden bereikt dat aan de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen.<footnote-ref linkend="_e9c7bcc1-1c6c-402e-b60c-c6f816f6d0af" /></para>
    </listitem>
  </orderedlist>
  <para>6. De rechtbank heeft bij onherroepelijk geworden strafvonnis geoordeeld dat het in beslag genomen geldbedrag van € 2.290,60 dient te worden verbeurd verklaard, aangezien dit geldbedrag aan de betrokkene toebehoort en het geld door de betrokkene geheel of grotendeels door middel van de verkoop van cocaïne is verkregen. Aldus is dit wederrechtelijk verkregen voordeel reeds aan de betrokkene ontnomen. Gelet hierop en in het licht van hetgeen hiervoor onder 5 is vooropgesteld, had het hof het in de strafzaak verbeurd verklaarde geldbedrag van € 2.290,60 in mindering moeten brengen op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting. Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.</para>
  <para>7. Naar mijn mening kan de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen en dit verzuim herstellen door de aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat te verminderen tot (€ 15.465,- -/- € 2.290,60) € 13.174,40.<footnote-ref linkend="_ce36cf6e-178c-451d-8611-61bdf78558d9" /></para>
  <para>8. Het middel slaagt.</para>
  <para>9. Het <emphasis role="underline">tweede middel</emphasis> bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.</para>
  <para>10. Namens de betrokkene is op 11 juni 2015 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 18 maart 2016 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.</para>
  <para>11. Het middel slaagt.</para>
  <para>12. Beide middelen slagen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.</para>
  <para>13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, voor zover het hof daarbij heeft verzuimd het verbeurd verklaarde geldbedrag van € 2.290,60 in mindering te brengen op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting. De Hoge Raad kan deze misslag herstellen door de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting te verminderen tot € 13.174,40. Deze conclusie strekt voorts tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad kan het te betalen bedrag verder verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep. </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>AG</para>
  </parablock>
  <para />
  <footnote id="_651316e4-04d8-41d5-a8ce-ff1d005970de" label="1">
    <para> Zie <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2009-2010, 32 194, nr. 3, p. 4 (Stb. 2011, 171). Deze wet is op 1 juli 2011 in werking getreden (Stb. 2011, 237).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e9c7bcc1-1c6c-402e-b60c-c6f816f6d0af" label="2">
    <para> Vgl. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:433, rov. 2.3 en HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2016/283 m.nt. Reijntjes, rov. 2.4. Vgl. voorts HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:429, rov. 2.8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ce36cf6e-178c-451d-8611-61bdf78558d9" label="3">
    <para> Vgl. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:433, rov. 2.4.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>