<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2017:343</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-05-16T12:39:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2017-04-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/04372</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2017:889" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:889, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2017:343">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2017:343</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-05-16T10:38:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2017:343 Parket bij de Hoge Raad , 04-04-2017 / 16/04372</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2017:343:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uitlevering naar Albanië. Opgeëiste persoon is in Albanië tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld t.z.v. o.m. moord. Middel 1 over de verstekveroordeling en schending van het Nederlandse voorbehoud bij art. 1 EUV 1957 en art. 5.3 Uitleveringswet. Middel 2 over voltooide schending van art. 3 EVRM en afwijzing aanhoudingsverzoek teneinde nadere informatie te verkrijgen i.v.m. mogelijke schending art. 3 EVRM. HR: art. 81.1 RO.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2017:343:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 16/04372 U</para>
            <para>Zitting: 4 april 2017</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. D.J.C. Aben</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [de opgeëiste persoon] </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>1. Bij uitspraak van 11 augustus 2016 heeft de rechtbank Amsterdam de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Republiek Albanië toelaatbaar verklaard ter fine van de tenuitvoerlegging “<emphasis role="italic">van de hem opgelegde vrijheidsstraf voor de feiten zoals vermeld in de bijlage</emphasis>”. De bijlage betreft een “<emphasis role="italic">Report (on crimes for which the citizen [de opgeëiste persoon] is sentenced)</emphasis>” gedateerd 29 april 2016, en afkomstig van de “<emphasis role="italic">Prosecutor’s Office at the First Instance Court for Serious Crime  Tiranë</emphasis>”. De rechtbank heeft de feiten naar Nederlands recht gekwalificeerd als “<emphasis role="italic">moord</emphasis>” en “<emphasis role="italic">handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie</emphasis>”. Ik versta de beslissing van de rechtbank aldus dat zij de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard ter fine van de tenuitvoerlegging van het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis van de College of Appeal Court for Serious Crime Tirana gedateerd 29 juni 2015 waarbij [de opgeëiste persoon] is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens gekwalificeerde doodslag op een politiefunctionaris, te weten [slachtoffer], en verboden wapenbezit. </para>
  <para />
  <para>2. De opgeëiste persoon heeft  cassatieberoep doen instellen. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
  <para />
  <para>3. Het <emphasis role="underline">eerste middel</emphasis> behelst de klacht dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard niettegenstaande het ter zitting gevoerde verweer dat de opgeëiste persoon niet in de gelegenheid is geweest om (zelf) zijn verdediging te voeren bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep door de Appeal Court for Serious Crime.</para>
  <para />
  <para>4. In cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank hiermee het Nederlandse voorbehoud bij artikel 1 Europees Verdrag betreffende uitlevering (EUV 1957) en artikel 5, derde lid, Uitleveringswet heeft geschonden.</para>
  <para />
  <para>5. Het door Nederland bij artikel 1 EUV 1957 gemaakte voorbehoud, luidt als volgt:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>“<emphasis role="italic">The Netherlands Government reserves the right not to grant extradition requested for the purpose of executing a judgment pronounced by default against which no remedy remains open, if such extradition might have the effect of subjecting the person claimed to a penalty without his having been enabled to exercise the rights of defence prescribed in Article 6(3)c of the Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms signed at Rome on 4 November 1950.”</emphasis><footnote-ref linkend="_97f3f32b-3c4f-484f-ab29-6530e1c95c91" /></para>
  </parablock>
  <para />
  <para>6. Artikel 5, eerste en derde lid, Uitleveringswet, luiden als volgt:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>“<emphasis role="italic">1. 	Uitlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van: </emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">a. 	een door autoriteiten van de verzoekende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Nederland, een vrijheidsstraf van een jaar, of van langere duur, kan worden opgelegd;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">b. 	de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de verzoekende staat te ondergaan wegens een feit als onder a bedoeld.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">3. 	Indien, in het geval bedoeld in het eerste lid, onder b, de veroordeling tot vrijheidsstraf bij verstek heeft plaatsgevonden, kan de uitlevering slechts worden toegestaan, indien de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest of alsnog zal worden gesteld om zijn verdediging te voeren.</emphasis>”</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>7. De rechtbank heeft het verweer in haar beslissing als volgt samengevat en verworpen:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>“Uit de stukken volgt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de procedure in eerste aanleg, waarin hij is vrijgesproken. In de beroeps-procedure die heeft geleid tot de beslissing van het <emphasis role="italic">Appeal Court</emphasis>, waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, is hij niet aanwezig geweest.</para>
    <para>De raadsman heeft gesteld dat de beslissing van <emphasis role="italic">the Appeal Court</emphasis> niet voldoet aan de eisen van artikelen 5, lid 3, van de ULW en 6 van het EVRM, omdat sprake is van een veroordeling bij verstek en de advocaten in hoger beroep niet door de opgeëiste persoon, maar door zijn zoon waren gemachtigd. Ook blijkt niet of en hoe de oproeping voor de procedure in hoger beroep de opgeëiste persoon heeft bereikt.</para>
    <para>De raadsman heeft geconcludeerd tot weigering van de uitlevering dan wel tot aanhouding van de behandeling om nadere informatie op te vragen bij de Albanese autoriteiten over de machtiging van de advocaten en de oproeping van de opgeëiste persoon in hoger beroep en om de zoon van de opgeëiste persoon op te roepen als getuige teneinde hem te horen over de machtiging.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 mei 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB1762) stelt de rechtbank het volgende voorop. Van toepassing is artikel 3, eerste lid van het Tweede aanvullend protocol bij het Europees uitleveringsverdrag, waarbij zowel Nederland als Albanië partij zijn. Dit artikellid luidt in de Nederlandse vertaling:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Wanneer een Verdragsluitende Partij een andere Verdragsluitende Partij om de uitlevering van een persoon verzoekt ten einde een strafvonnis of een bevel tot vrijheidsbeneming ten uitvoer te leggen dat bij verstek is gewezen, kan de aangezochte Partij weigeren hiertoe uit te leveren, wanneer naar haar oordeel bij het strafproces de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen, die tenminste aan een ieder, tegen wie strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Deze bepaling dient te worden bezien in het licht van art. 6, derde lid aanhef en onder c. EVRM:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>‘<emphasis role="italic">Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: (...)</emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze, of indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.</emphasis>’</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uit genoemde bepalingen volgt dat uitlevering niet toelaatbaar is als bij het strafproces de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen en dat deze situatie zich voordoet indien de opgeëiste persoon in de verzoekende staat niet het recht heeft kunnen uitoefenen zichzelf te verdedigen of zich te laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat uit de door de Albanese autoriteiten verstrekte informatie is gebleken dat de opgeëiste persoon voldoende in de gelegenheid is geweest van zijn verdedigingsrechten gebruik te maken.</para>
    <para>Uit de overgelegde beslissing van het <emphasis role="italic">First Instance Serious Crimes Court</emphasis> blijkt dat:</para>
    <para>- 	de opgeëiste persoon bij het proces in eerste aanleg aanwezig is geweest, bijgestaan door twee advocaten, en daar zijn verdediging heeft gevoerd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uit de overgelegde beslissing van <emphasis role="italic">the Appeal Court</emphasis> blijkt:</para>
    <para>- 	dat de opgeëiste persoon daar is vertegenwoordigd door dezelfde twee advocaten, waarbij is vermeld dat dit is gebeurd ‘<emphasis role="italic">according to the declaration of the defendant in court hearing date 27/05/2015</emphasis>’, zijnde de eerste procesdag bij <emphasis role="italic">the Appeal Court</emphasis>. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de opgeëiste persoon de advocaten zelf heeft gemachtigd en dat deze machtiging zich (mede) uitstrekte tot de procedure in hoger beroep. Deze conclusie vindt nog steun in de omstandigheid dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg door dezelfde advocaten is vertegenwoordigd en dat in de aanvullende brief van 20 juli 2016 ten aanzien van het Appeal Court staat vermeld dat ‘<emphasis role="italic">the trial was carried out in presence of the defence lawyers chosen by the defendant</emphasis>’;</para>
    <para>- 	voorts blijkt uit de beslissing van <emphasis role="italic">the Appeal Court</emphasis> dat de gemachtigde advocaten ook zelf namens de opgeëiste persoon beroep (<emphasis role="italic">antagonist appeal)</emphasis> hebben ingesteld bij het <emphasis role="italic">Appeal Court</emphasis>,</para>
    <para>- 	en dat zij daar daadwerkelijk de verdediging hebben gevoerd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar het oordeel van de rechtbank is de beslissing van het <emphasis role="italic">Appeal Court</emphasis> gelet op het bovenstaande niet een bij verstek gewezen vonnis ten aanzien waarvan gezegd kan worden dat ‘<emphasis role="italic">bij het strafproces de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen</emphasis>’.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij de genoemde advocaten heeft gemachtigd of wist dat de hoger beroepsprocedure liep, is voor een ander oordeel onvoldoende en noopt ook niet tot het horen van de gevraagde getuige of het opvragen van nadere informatie.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Tot slot verdient ook in dit verband opmerking dat er nog een procedure bij <emphasis role="italic">the Supreme Court</emphasis> loopt waar de opgeëiste persoon eventuele gebreken ten aanzien van zijn verdedigingsrechten aan de orde zou kunnen stellen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verweer wordt verworpen en het verzoek om aanhouding wordt afgewezen.”</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>8. Het oordeel van de rechtbank dat de opgeëiste persoon in de gelegenheid is geweest (zelf) zijn verdediging te voeren als bedoeld in artikel 5 Uitleveringswet en het Nederlandse voorbehoud bij het EUV, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Hierbij neem ik in aanmerking dat een verdachte – zoals de opgeëiste persoon – “<emphasis role="italic">die wordt vrijgesproken terwijl het Openbaar Ministerie die vrijspraak niet had gevorderd, ermee rekening dient te houden dat het Openbaar Ministerie zich niet bij die vrijspraak zal neerleggen, en dat het in zo'n geval op de weg van de verdachte ligt zelf enige activiteit te ontplooien om te achterhalen of het Openbaar Ministerie een rechtsmiddel heeft ingesteld tegen de vrijspraak</emphasis>”.<footnote-ref linkend="_ed12e13e-b29d-4155-a3bb-36675d270861" /></para>
  <para />
  <para>9. Het middel faalt.</para>
  <para />
  <para>10. Het <emphasis role="underline">tweede middel</emphasis> klaagt dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard niettegenstaande “<emphasis role="italic">een voltooide schending van artikel 3 EVRM</emphasis>” die eruit bestaat dat de uitlevering is gevraagd tot tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf, terwijl de rechtbank afwijzend heeft beslist op een verzoek om aanhouding teneinde bij de Albanese autoriteiten nadere informatie op te vragen met betrekking tot – kort gezegd – de wijze waarop de levenslange gevangenisstraf ten uitvoer zal worden gelegd, met inbegrip van de mogelijkheid van vervroegde invrijheidsstelling.</para>
  <para />
  <para>11. Ter onderbouwing van het beroep dat uitlevering een inbreuk zou opleveren op artikel 3 EVRM, wordt gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2016. Daaruit volgt dat de oplegging en tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf in strijd is met artikel 3 EVRM indien na meer dan 25 jaar na oplegging van de levenslange gevangenisstraf geen mogelijkheid bestaat tot herbeoordeling van de opgelegde levenslange gevangenisstraf.<footnote-ref linkend="_425186dc-cfba-4a7c-850d-f7a6f6e9ae7b" /></para>
  <para />
  <para>12. Voordat ik het middel inhoudelijk bespreek, wijs ik erop dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen een beroep op een dreigende schending van artikel 3 EVRM en een beroep op een reeds voltooide schending van artikel 3 EVRM.</para>
  <para />
  <para>13. De rechtbank heeft het beroep op een <emphasis role="underline">dreigende schending</emphasis> van artikel 3 EVRM verworpen en daarbij overwogen dat de beoordeling van het beroep niet valt binnen de door de rechtbank te beoordelen toelaatbaarheid van de uitlevering en dat de bevoegdheid om daarover te oordelen “<emphasis role="italic">dus ook over het mogelijk vragen van de door de raadsman gewenste nadere informatie of garanties, ligt bij de Minister van Veiligheid en Justitie.</emphasis>”</para>
  <para />
  <para>14. Het oordeel van de rechtbank is juist.<footnote-ref linkend="_46da39a8-cc30-4bc0-bbd8-fb13f3cfa421" /> Als uitgangspunt heeft te gelden dat het oordeel over een beroep op een dreigende schending van artikel 3 EVRM is voorbehouden aan de minister van Veiligheid en Justitie en niet toekomt aan de uitleveringsrechter.</para>
  <para />
  <para>15. Aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank doet niet af dat in cassatie het opleggen van een levenslange gevangenisstraf wordt aangemerkt als een beroep op een <emphasis role="underline">reeds voltooide schending</emphasis> van artikel 3 EVRM. Dit verweer is niet bij de rechtbank gevoerd, zodat dit niet met succes voor het eerst in cassatie kan worden voorgedragen.</para>
  <para />
  <para>16. Gelet op de taakverdeling tussen de minister van Veiligheid en Justitie en de uitleveringsrechter, is ook de afwijzing door de rechtbank van het verzoek om aanhouding teneinde nadere informatie te verkrijgen over de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf in Albanië, niet onbegrijpelijk.</para>
  <para />
  <para>17. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.</para>
  <para />
  <para>18. De middelen falen.</para>
  <para />
  <para>19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
  <para />
  <para>20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De procureur-generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>AG</para>
  </parablock>
  <para />
  <footnote id="_97f3f32b-3c4f-484f-ab29-6530e1c95c91" label="1">
    <para>
      <emphasis role="italic">Trb</emphasis>. 1969, 62, p. 12-13.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ed12e13e-b29d-4155-a3bb-36675d270861" label="2">
    <para> HR 13 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9957, r.o. 4.3.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_425186dc-cfba-4a7c-850d-f7a6f6e9ae7b" label="3">
    <para> HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2016/348, m.nt. T. Kooijmans, r.o. 3.2: “<emphasis role="italic">(…) een levenslange gevangenisstraf niet kan worden opgelegd indien niet reeds ten tijde van de oplegging duidelijk is dat er na verloop van tijd een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf bestaat.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_46da39a8-cc30-4bc0-bbd8-fb13f3cfa421" label="4">
    <para> HR 11 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3312, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/42, r.o. 3.3: “<emphasis role="italic">De rechtspraak van de Hoge Raad kan, voorzover hier van belang, als volgt worden samengevat. Indien de uitlevering is verzocht teneinde de opgeëiste persoon (verder) te vervolgen, komt het in de gevallen — zoals hier — waarin zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, aan de rechter die moet oordelen over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering in het algemeen niet toe te beslissen over de vraag of in het kader van die strafvervolging enig in het EVRM gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is of dreigt te worden geschonden, omdat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen.</emphasis>” </para>
    <para>HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0875, r.o. 3.5: “<emphasis role="italic">De Rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de beantwoording van de vraag of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering gevaar loopt in de verzoekende staat aan foltering te zullen worden onderworpen, is voorbehouden aan de Minister van Justitie. Dat oordeel is juist.</emphasis>” </para>
    <para>HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2016/14: “<emphasis role="italic">Uit de art. 8 en 10 Uw volgt dat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van fundamentele rechten, zoals een inbreuk op het verbod van art. 3 EVRM, in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister is voorbehouden aan de minister (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997/533). Indien tegen een besluit van de minister om de uitlevering toe te staan wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, dient toetsing van die beslissing een volledige te zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, NJ 2007/277).</emphasis>” </para>
    <para>HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:361, r.o. 3.5: “<emphasis role="italic">Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken - gelet op het systeem van de Uitleveringswet (hierna: UW), zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en 10 UW, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet - het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen.</emphasis>”</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>