<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2017:206</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-04-05T10:33:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2017-01-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/00044</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2017:579" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:579, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2017:206">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2017:206</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-04-04T08:06:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2017:206 Parket bij de Hoge Raad , 31-01-2017 / 16/00044</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2017:206:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Poging tot seksuele verleiding, art. 248a Sr. Verdachte heeft, zonder dat hij dit wist, een chatgesprek met de vader van een tienjarig meisje, van wie hij tegen betaling seksueel getinte foto's wenste te ontvangen. Strafbare poging? Gelet op ’s Hofs vaststellingen geeft het kennelijke oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte een strafbare poging opleveren omdat zij naar de uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het delict dat bestaat in het opzettelijk bewegen van een persoon waarvan verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, tot het plegen van ontuchtige handelingen en dat die gedragingen dus moeten worden aangemerkt als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf van art. 248a Sr, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel ook toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen het korte tijdsverloop en het nauwe verband tussen het bericht van verdachte op de webpagina Hyves aan de tienjarige X en het vervolgens door hem gevoerde chatgesprek via het MSN-account van X met haar vader onder haar naam.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2017:206:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 16/00044</para>
            <para>Zitting: 31 januari 2017</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. D.J.C. Aben</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [verdachte] </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>1. De verdachte is bij arrest van 3 december 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, in de zaak met parketnummer 18-850472-13 wegens 1 primair en 3 primair telkens “<emphasis role="italic">verkrachting</emphasis>” en 2 primair en 4 primair telkens "<emphasis role="italic">opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is</emphasis>" en in de zaak met parketnummer 18-670358-12 wegens 1 primair "<emphasis role="italic">poging tot door giften of beloften van geld of goed een persoon waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen</emphasis>", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede is de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van het beslag en de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als nader in het arrest omschreven. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2. Namens de verdachte heeft mr. G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>3. Het <emphasis role="underline">eerste middel</emphasis> klaagt in de kern dat de bewezenverklaring van de onder 1 primair tenlastegelegde verkrachting van [betrokkene 5] op 13 oktober 2013 in de zaak met parketnummer 18-850472-13 ontoereikend is gemotiveerd, aangezien het hof in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv, het onderdeel van de bewezenverklaring dat ziet op 'seksueel binnendringen' uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>4. Ten laste is van de verdachte onder 1 primair in de zaak met parketnummer 18-850472-13 bewezenverklaard dat:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	"hij op 13 oktober 2013 in het arrondissement Noord-Nederland, door een 	andere feitelijkheid [betrokkene 5] (geboren op [geboortedatum] 2009) heeft 	gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het 	seksueel binnendringen van het lichaam van [betrokkene 5] , hebbende 	verdachte</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	- zijn penis in de mond van [betrokkene 5] geduwd/gebracht en</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	- de vagina van [betrokkene 5] betast,</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	en bestaande die andere feitelijkheden hierin dat verdachte</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	- [betrokkene 5] , die buiten aan het spelen was, heeft bevolen in de door hem 	bestuurde auto plaats te nemen en</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	- met [betrokkene 5] in de auto is weggereden en</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	- [betrokkene 5] heeft bevolen zijn penis in haar mond te nemen en</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	- dreigend tegen [betrokkene 5] heeft gezegd dat hij boos zou worden als zij 	niet zou doen wat hij zei, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of 	strekking en</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	- gebruik heeft gemaakt van zijn fysieke en/of psychische overwicht op [betrokkene 5] en aldus voor [betrokkene 5] een bedreigende situatie heeft doen 	ontstaan"</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage 8.24 van 	het politiedossier getiteld zaak Mercurius en zaak Heivlinder ) voor zover 	inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 6] :</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Op 13 oktober 2013 omstreeks 16:15 uur liet ik mijn hond uit in Appingedam. 	Op straat zag ik een meisje snikken. Ik zag echt dat ze verdriet had. Ik ben 	naar haar toe gegaan en vroeg haar of ze pijn had. Ik hoorde haar zeggen 	dat ze geen pijn had. Ik hoorde dat ze naar huis wilde maar dat ze niet wist 	hoe ze thuis moest komen. Ik hoorde dat ze mij vertelde dat ze woonde in 	Delfzijl. Ik heb aangebeld bij een woning. Ik vertelde de bewoner dat het 	meisje naar huis wilde, maar dat ze niet wist hoe ze thuis moest komen. Toen 	ik bij de voordeur van de woning stond vroeg ik aan het meisje hoe ze hier 	gekomen was. Ik hoorde haar zeggen dat ze op een schoolplein aan het 	spelen was, samen met een vriendje. Ze vertelde me toen dat er een man 	naar haar toe was gekomen. Op dat moment was ze alleen op het 	schoolplein. Het meisje vertelde dat ze met die man mee moest gaan. Ik 	hoorde dat ze mij vertelde dat ze deze man in de auto moest gaan zitten, en 	deze man zou haar dan in Appingedam uit de auto hebben gezet. Ik vroeg 	aan het meisje of die man nog wat tegen haar had gezegd. Ik hoorde haar 	zeggen dat hij aan haar plassertje had gezeten en daar aan had gekieteld.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage 8.27 van 	het politiedossier getiteld zaak Mercurius en zaak Heivlinder ) voor zover 	inhoudende — zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 7] :</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Op 13 oktober 2013 ging de deurbel. Daar stond een man met een hond en 	een klein meisje. Het meisje vertelde dat ze [betrokkene 5] heette. Ik vroeg 	aan het meisje hoe ze hier terecht gekomen was. Ze zei: “Bij een man in de 	auto.” Ik vroeg: “Kende jij die man dan?” Ze antwoordde: “Nee, ik moest bij 	een man mee in de auto.” Ik weet niet meer wat ik precies gezegd heb maar 	het kwam er op neer dat zij in Delfzijl was, dat ze bij een man in de auto moest 	stappen en dat ze dat ook heeft gedaan. Dat ze daarna eruit was gezet en zo 	in Appingedam verzeild is geraakt. Ook heeft ze gezegd dat die man had 	gezegd: “De volgende keer doen we het weer”. Op een gegeven moment 	vertelden wij aan het meisje dat wij met haar papa gingen bellen. [betrokkene 5] zei 	daarop dat haar papa niet met die man mocht meerijden, anders zou die man 	ook aan zijn plasser zitten. Ik vroeg haar of dat ook bij haar gebeurd was. [betrokkene 5] 	zei toen dat hij dat wel had gedaan.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Toen haar vader er was zei [betrokkene 5] : “Ik moest met die man mee”. Vader vroeg 	zijn dochter wat er was gebeurd. Ik hoorde hem zeggen: “Hoe kom je hier nu 	terecht?” [betrokkene 5] zei: “Ik moest bij een man in de auto. Toen kwam ik hier.” Vader 	vroeg: “Wat voor auto?” [betrokkene 5] antwoordde: “Een zwarte auto”. Wat ik mij 	nog kan herinneren is dat vader vraagt wat er is gebeurd en dat [betrokkene 5] zegt dat 	de man aan haar plasser heeft gezeten. Wat ze ook zei was dat haar skelter 	nog midden op de weg stond.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	3. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] , bevoegd zedenrechercheur 	opgemaakte proces-verbaal (als bijlage 9.4 van het politiedossier getiteld 	zaak Mercurius en zaak Heivlinder) voor zover inhoudende - zakelijk 	weergegeven - als relaas van verbalisant:</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Op 13 oktober 2013 omstreeks 18:00 uur heb ik een onderzoek ingesteld 	waarbij het volgende is bevonden. Op het politiebureau heb ik gesproken met 	een man die opgaf te zijn [betrokkene 8] en zijn dochter, [betrokkene 5] . De 	gesprekken tussen [betrokkene 8] en mij zijn gevoerd zonder dat [betrokkene 5] 	daarbij aanwezig was. [betrokkene 8] vertelde mij dat hij kort gepraat had met 	zijn dochter en had gevraagd wat er was gebeurd. [betrokkene 5] had geantwoord dat 	ze met een meneer mee moest in de auto. [betrokkene 5] vertelde toen dat de meneer 	aan haar plasser had gezeten en eraan had gekriebeld. Ook vertelde ze dat 	die meneer het weer zou doen. [betrokkene 5] had haar rug ontbloot en [betrokkene 8] wilde 	haar hemd in haar broekje stoppen. [betrokkene 5] zei: “Dat heeft die meneer gedaan.” 	[betrokkene 8] vertelde dat [betrokkene 5] op het politiebureau nog had gezegd: “Papa, je 	mag wel even aan mijn kontje ruiken, dat heeft die meneer ook gedaan.”</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Na het gesprek met [betrokkene 8] heb ik een gesprek gevoerd met [betrokkene 5] . Ze 	vertelde dat ze met de meneer mee moest. Ze vertelde dat de meneer naar 	haar plasser ging kijken. Zij vertelde dat ze gingen racen met haar plassertje. 	De man reed in een zwarte auto.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage 7.1 van 	het politiedossier getiteld zaak Mercurius en zaak Heivlinder ) voor zover 	inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 8] , afgelegd 	op 14 oktober 2013 te 13:30 uur:</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Ik doe aangifte namens [betrokkene 5] , geboren op [geboortedatum] 2009. Mijn 	vrouw en ik zijn de ouders van [betrokkene 5] .</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Om 12:00 uur heb ik [betrokkene 5] vanmorgen opgehaald van school. We zijn naar huis 	gegaan en ik heb een broodje gesmeerd. We zaten samen aan tafel. Ik dacht 	ik ga haar vragen om me nog een keer te vertellen wat er was gebeurd 	gisteren. Ze vertelde: “de meneer heeft aan mijn plassertje gekriebeld en 	naar mijn plassertje gekeken.” Toen zei ze ineens: “Oh ja, er is nog meer 	gebeurd, met het hoofd op de kop tegen het stuur en hij hield mijn hoofd 	vast.” Ik heb toen gezegd: “Wat is er nog meer gebeurd?” [betrokkene 5] zei toen: “Nee, 	ik wil niet meer praten”. Ik heb toen gezegd: “Lieverdje mag alles aan papa 	vertellen, ik word niet boos, vertel het maar”. [betrokkene 5] zei toen: “Dat mag niet van 	die meneer want dan wordt die meneer boos”. Ik zei toen: “Ik snap het niet 	helemaal, met het hoofd op het stuur, heeft die meneer jou met het hoofd op 	het stuur aan geslaan?” [betrokkene 5] zei toen uit zichzelf: “Ik moest ook die meneer 	zijn piemel in de mond doen, en ik moest ook doorslikken.” Ik schrok wel. Ik 	heb toen gevraagd: “Moest je wat doorslikken dan?” [betrokkene 5] zei toen: “Ja, zijn 	piemel.” Ik vroeg toen: “Kwam er ook iets uit zijn piemel?” [betrokkene 5] zei toen: “Nee 	ik moest doorslikken met piemel in de mond”. </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage 7.5 van 	het politiedossier getiteld zaak Mercurius en zaak Heivlinder ) voor zover 	inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Ondergetekenden, [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , beiden brigadier van 	politie, tevens zedenrechercheur en gecertificeerd studioverhoorder, 	verklaren het volgende. Op 15 oktober 2013, hoorde ik, eerste verbalisant, de 	getuige [betrokkene 5] . Tweede verbalisant was ten tijde van het verhoor in 	de regieruimte aanwezig.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage 7.6 van 	het politiedossier getiteld zaak Mercurius en zaak Heivlinder ) voor zover 	inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Op 22 oktober 2013 bekeek en luisterde ik de verhoorregistratie van [betrokkene 5] . Op de beelden zie ik dat het verhoor plaatsvindt op 15 oktober 	2013.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Ik hoor dat de verhoorder aan [betrokkene 5] vraagt: "wat is er dan gebeurd gister, was 	er iets bijzonders?". Ik hoor dat [betrokkene 5] zegt: "gewoon niks", en kort hierop: 	"maar gisteren was er wel iets met mij gebeurd". Ik hoor de verhoorder 	zeggen "oke, wat is er gebeurd?". Ik hoor [betrokkene 5] zeggen: "Toen ik gisteren met 	een meneer mee moest in de auto, toen die naar mijn plassertje gingen kijken 	en kriebelen. En toen moest ik ook de piemel in mijn mondje doen, in mijn 	mondje doen helemaal."</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Ik hoor de verhoorder zeggen: "en vertel daar eens alles over, datje met die 	meneer mee moest." Ik hoor [betrokkene 5] zeggen: "ik kwam die meneer tegen".</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Ik hoor de verhoorder vragen: "maar hoe was die meneer daar? Met de fiets, 	met de auto, met de bus..?". Ik hoor [betrokkene 5] snel onderbreken en zeggen: "auto!".</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Ik hoor de verhoorder zeggen: "hoe wist je datje met die meneer mee 	moest?" Ik hoor [betrokkene 5] zeggen: "dat weet ik niet meer". Ik hoor de verhoorder 	zeggen: "en waar ging je met die meneer mee naar toe?", ik hoor [betrokkene 5] zeggen: 	"ergens heen", en de verhoorder hierop: "en hoe gingen jullie ergens heen? 	Lopen? Of met de auto? Of op de fiets?, Ik hoor [betrokkene 5] zeggen: "met de auto", 	en kort hierop: "maar toen stond mijn skelter in de weg". Ik hoor de 	verhoorder zeggen: "en in de auto..?" en [betrokkene 5] hierop: "en toen mocht ik zo 	maar zonder gordel". Ik hoor de verhoorder zeggen: "en waar zat jij in die 	auto?" en [betrokkene 5] hierop: "naast die meneer". Ik hoor de verhoorder zeggen om 	10:32 uur: "en waar waren jullie toen? In de auto, uit de auto..?" ik hoor [betrokkene 5] 	zeggen: "in de auto".</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Ik hoor de verhoorder vervolgens zeggen: "en hoe komt het dat die meneer 	bij jouw plassertje kon komen?" en [betrokkene 5] hierop: en weetje we waren in een 	zwarte auto".</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Ik hoor de verhoorder zeggen "wat was er zwart aan de auto?" en [betrokkene 5] hierop: 	"de auto". En de verhoorder hierop "en wanneer zag je dat de auto zwart 	was?" [betrokkene 5] : "uhm gister".</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Ik hoor de verhoorder daarna zeggen "en hoe vaak is dat geweest datje met 	die meneer in de auto bent geweest?". Ik hoor [betrokkene 5] zeggen "één keer".</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Om 10:38 uur hoor ik de verhoorder aan [betrokkene 5] vragen: "hey maar die meneer 	ging aan jouw plassertje zitten, waarmee ging hij aan jouw plassertje zitten?" 	Ik hoor [betrokkene 5] zeggen: "uhm, met zijn hand". Ik hoor de verhoorder daarna 	vragen: "en wat deed hij precies met zijn hand?" waarop [betrokkene 5] zegt: "kriebelen 	aan mijn plassertje". Ik hoor de verhoorder vragen aan [betrokkene 5] : "en kan jij dat 	voordoen hoe die meneer dat deed met zijn hand?" Ik hoor [betrokkene 5] zeggen "ja", 	en ik zie dat [betrokkene 5] opstaat van haar stoel en met haar rechterhand over haar 	kruis wrijft. Om 10:40 uur hoor ik de verhoorder zeggen tegen [betrokkene 5] : "en jij zei, 	ik moest de piemel in mijn mond". [betrokkene 5] : "ja" Verhoorder: "wie zijn piemel?" 	[betrokkene 5] : "uh, van die meneer" Verhoorder: "en hoe wist jij datje die piemel in je 	mond moest?" [betrokkene 5] : "dat weet ik niet". En daarna hoor ik [betrokkene 5] zeggen: "hoe 	groot die was, zo moest ik die er in doen, hoe groot die was". Ik hoor de 	verhoorder zeggen: "dat snap ik niet helemaal, hoe groot wat was?" [betrokkene 5] : 	"hoe groot die piemel was".</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Ik hoor de verhoorder vervolgens zeggen: "had die meneer geen kleren aan?" 	[betrokkene 5] : "ja maar hij ging z'n broek dan naar beneden doen" Verhoorder: "en wat 	zag jij toen, toen hij de broek naar beneden deed?" [betrokkene 5] : "piemel" Verhoorder: 	"en hoe zag die piemel er uit?" [betrokkene 5] : "zo groot" en ik zie [betrokkene 5] bij deze woorden 	haar linker arm helemaal omhoog strekken. Ik hoor de verhoorder vervolgens 	vragen: "en wat deed jij toen?" [betrokkene 5] : "niks" Verhoorder: "en wat deed die 	meneer toen?" [betrokkene 5] : "niks" verhoorder: "en jij moest de piemel in de mond, 	hoe gaat dat dan?" Ik zie [betrokkene 5] hierbij ja knikken en ik zie dat [betrokkene 5] haar hoofd 	naar voren beweegt, richting de verhoorder tegenover haar, en ik zie [betrokkene 5] 	haar mond openen en een 'hap' beweging maakt. Ik hoor dat [betrokkene 5] bij deze 	beweging zegt: "uh zo". Ik hoor [betrokkene 5] na de beweging zeggen: "en dan moest 	ik ook doorslikken". Ik hoor de verhoorder zeggen "en hoe weetje dan datje 	moet doorslikken?" [betrokkene 5] : "dat weet ik niet." Verhoorder: "zegt die meneer dan 	ook wat tegen jou?" [betrokkene 5] : "nee". Ik hoor de verhoorder bovenstaande 	verklaring van [betrokkene 5] samenvatten. Ik zie [betrokkene 5] hierbij regelmatig knikken.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Ik hoor verhoorder om 10:44 uur vragen: "en hoe kon je dan bij die piemel 	komen?" [betrokkene 5] : "dat weet ik niet... en toen moest ik heel dichtbij die piemel 	liggen" Verhoorder: "en waar had jij je handjes toen je heel dicht bij die 		piemel moest liggen?" [betrokkene 5] : "dat weet ik niet" Verhoorder: "en waar had die 	meneer zijn handen toen?" [betrokkene 5] : "in zijn piemel". </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	[betrokkene 5] : "rijden". Verhoorder: "begrijp ik het goed dat als die meneer aan jouw 	plassertje kriebelt en jij de piemel in de mond doet dat jullie dan aan het 	rijden zijn?" [betrokkene 5] : "ja". Ik hoor verhoorder vervolgens vragen aan [betrokkene 5] : "en als 	je uit de auto kijkt, wat zie je dan?"</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	[betrokkene 5] : "niks." Verhoorder: "en hoe komt het dan datje niks ziet?" [betrokkene 5] : "omdat 	ik zijn piemel in de mond moest doen." Verhoorder: "en voordat je de piemel 	in je mond moest doen, wat zag je toen?" [betrokkene 5] : "dat weet ik niet, alleen zijn 	piemel." Verhoorder: "en heb je nog iets anders in de auto gezien?" [betrokkene 5] : "nee, 	helemaal niets".</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Om 11:04 uur hoor ik verhoorder vragen: "en hoe stopte dat, dat jij de piemel 	in de mond moest?", waarop ik [betrokkene 5] hoor antwoorden: "als ik dat niet doet, 	dan wordt die meneer boos" en verhoorder: "en hoe weet jij dat, dat die 	meneer dan boos wordt als je dat niet doet?" [betrokkene 5] : "omdat die meneer dat 	zei." Verhoorder: "en wat zei die meneer dan tegen jou?" [betrokkene 5] : "dat ik dat wel 	moest doen" verhoorder: "en hoe stopte dat, dat jij die piemel in de mond 	had?" [betrokkene 5] : "niet leuk".</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage 8.2 van 	het politiedossier getiteld zaak Mercurius en zaak Heivlinder) voor zover 	inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 9] :</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Vraag: Uit het politieonderzoek blijkt dat uw zoon, [betrokkene 10] , met [betrokkene 5] heeft 	gespeeld op zondag 13 oktober 2013. Vertelt u eens wat over de vermissing 	van [betrokkene 5] .</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Antwoord: Op zondag speelden ze samen buiten. Ze waren met de skelter. 	[betrokkene 10] is thuis geweest om te plassen.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Vraag: heeft [betrokkene 10] iets gezegd over waar hij heen is gegaan na het plassen.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Antwoord: [betrokkene 10] heeft zondagavond gezegd dat hij, toen hij terugkwam 	van het plassen, zijn skelter midden op de weg had zien staan. Midden op de 	kruising. Alleen zijn skelter stond daar en geen [betrokkene 5] .</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	8. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 16 	april 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven -:</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	U vraagt mij of het klopt wat [betrokkene 5] en [betrokkene 11] verklaren. Ik 	heb wel aan hen gezeten. Ik heb ze aangeraakt bij hun schaamstreek. Ik heb 	ze ook meegenomen in de auto en ze er later weer uitgezet. Ik deed mijn hand 	in hun onderbroek.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>6. Het tweede lid van art. 342 Sv houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling betreft de bewezenverklaring als geheel; niet is vereist dat elk onderdeel van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund. Voorts strekt de bepaling ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen indien de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de in cassatie aan te leggen toets of is voldaan aan het zogenoemde bewijsminimum kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel daaromtrent nader heeft gemotiveerd.<footnote-ref linkend="_b2806be2-22aa-438b-99da-031f7c92f2b4" /></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>7. Het hof heeft in de volgende nadere bewijsoverweging toegelicht waarom het de verklaring van [betrokkene 5] betrouwbaar acht en geoordeeld dat deze verklaring wordt ondersteund door bijkomend, betrouwbaar geacht bewijs:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	"</emphasis>
      <emphasis role="bold italic">Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 1 primair in de zaak 	met parketnummer 18-850472-13</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Door de verdediging is ter zitting van het hof aangevoerd, dat verdachte dient 	te worden vrijgesproken van de onder 1. ten laste gelegde verkrachting 	wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs voor het 	seksueel binnendringen, feitelijk ten laste gelegd als het duwen/brengen van 	zijn penis in de mond van [betrokkene 5] . Ten aanzien van de verklaring van 	[betrokkene 5] is geenszins uit te sluiten dat er voor zover het betreft het 	seksueel binnendringen suggestie is ingeplant door haar vader. Haar 	verklaring voor zover die luidt dat verdachte zijn penis in haar mond 	geduwd/gebracht heeft, wordt niet ondersteund door medisch onderzoek of 	DNA-sporen. Dit levert een contra-indicatie op voor de verklaring van [betrokkene 5] voor zover deze ziet op het seksueel binnendringen, aldus de 	raadsvrouw.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Het hof overweegt hieromtrent het volgende.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Op zondag 13 oktober 2013 treft [betrokkene 6] omstreeks 16:15 uur op straat in 	Appingedam de hem onbekende vierjarige [betrokkene 5] aan. Ze huilt en 	vertelt hem dat ze niet weet hoe ze naar huis moet komen. Ze vertelt dat ze 	in Delfzijl woont en dat ze daar die middag op een schoolplein aan het spelen 	was met een vriendje. Op het moment dat ze even alleen was, was er een 	man naar haar toe gekomen. Ze moest bij de man in de auto komen zitten en 	ze moest met de man mee. Ze vertelde verder dat de man aan haar plassertje 	had gezeten en daar aan had gekieteld. De man had haar vervolgens in 	Appingedam uit de auto gezet. [betrokkene 6] brengt [betrokkene 5] vervolgens naar een 	nabijgelegen woning. Daar woont [betrokkene 7] . Ook aan [betrokkene 7] vertelt [betrokkene 5] dat ze 	daar terecht was gekomen omdat ze met een man mee moest in de auto 	vanuit Delfzijl en dat ze in Appingedam uit de auto was gezet. Ook vertelt ze 	dat de man tegen [betrokkene 5] had gezegd: “de volgende keer doen we het weer”. 	[betrokkene 7] vertelde [betrokkene 5] dat hij haar vader zou bellen. [betrokkene 5] reageerde dat haar papa 	niet met die man mocht meerijden, anders zou die man ook aan zijn plasser 	zitten. Toen [betrokkene 5] daarna werd opgehaald door haar vader, vertelde ze haar 	vader dat ze met ‘die man’ mee moest, dat ‘die man’ aan haar plasser had 	gezeten en dat haar skelter nog midden op de weg stond.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Diezelfde avond, omstreeks 18:00 uur, heeft [betrokkene 5] ’s vader een gesprek met een 	zedenrechercheur. Hij vertelt de rechercheur dat hij kort met zijn dochter 	heeft gesproken. [betrokkene 5] had haar vader verteld dat ze met een man mee moest 	in de auto, dat die man aan haar plasser had gezeten en eraan had 	gekriebeld. De man had tegen haar gezegd dat hij het weer zou doen. [betrokkene 5] 	had tevens tegen haar vader gezegd: “papa, je mag wel even aan mijn kontje 	ruiken, dat heeft die meneer ook gedaan”. Tijdens het daaropvolgende 	gesprek tussen de zedenrechercheur en [betrokkene 5] vertelde [betrokkene 5] dat ze met de 	meneer mee moest, dat de meneer naar haar plasser ging kijken en dat ze 	gingen racen met haar plassertje.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	De volgende dag, 14 oktober 2013 doet [betrokkene 5] ’s vader ‘s middags aangifte bij 	de politie. Hij verklaart onder meer dat hij die dag tussen de middag een 	gesprek met [betrokkene 5] heeft gevoerd en dat hij haar had gevraagd om nog een keer 	te vertellen wat er was gebeurd die dag ervoor. Ze vertelde dat de man aan 	haar plassertje had gekriebeld en naar haar plassertje had gekeken. Daarna 	had ze ineens gezegd: “Oh ja, er is nog meer gebeurd, met het hoofd op de 	kop tegen het stuur en hij hield mijn hoofd vast”. Toen haar vader daarop 	aan [betrokkene 5] had gevraagd wat er nog meer was gebeurd had [betrokkene 5] gezegd dat ze 	niet meer wilde praten omdat “dat mag niet van die meneer want dan wordt 	die meneer boos”. Toen haar vader had gezegd dat hij niet begreep wat ze 	bedoelde met “het hoofd op het stuur”, had [betrokkene 5] uit zichzelf tegen haar vader 	gezegd: “Ik moest ook die meneer zijn piemel in de mond doen, en ik moest 	ook doorslikken.” Toen haar vader vroeg wat ze moest doorslikken zei [betrokkene 5] : 	“zijn piemel”. Op een vraag van haar vader of er nog iets uit zijn piemel kwam 	zei [betrokkene 5] : “Nee, ik moest doorslikken met piemel in de mond”.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Op 15 oktober 2013 vindt er een zogenaamd studioverhoor plaats van [betrokkene 5] 	door twee zedenrechercheurs/gecertificeerd studioverhoorders. Tijdens dat 	verhoor verklaart zij onder meer dat ze haar skelter bij zich had en toen met 	een man mee moest in een zwarte auto. Toen ze wegreden met de auto stond 	de skelter in de weg. De man ging aan haar plassertje zitten, hij ging met zijn 	hand kriebelen aan haar plassertje. Als de verhoorder aan [betrokkene 5] vraagt of ze 	dat kan voordoen staat ze op en wrijft ze met haar hand over haar kruis. 	Verder verklaart ze dat de man kleren aan had, maar dat hij zijn broek naar 	beneden deed, dat ze toen zijn piemel zag en dat ze zijn piemel in haar mond 	moest doen. [betrokkene 5] doet desgevraagd voor hoe ze de piemel in haar mond 	moest doen, waarbij ze haar hoofd naar voren beweegt, richting de 	verhoorder, haar mond opent en een ‘hap’ beweging maakt. Ze verklaart 	daarbij dat ze ook moest doorslikken. Als de verhoorder vraagt hoe ze bij de 	piemel kon komen verklaart [betrokkene 5] dat ze heel dicht bij de piemel moest liggen. 	Verder vertelt ze nog dat de piemel niet zo lekker proefde, en dat de meneer 	zei dat hij boos zou worden als ze de piemel niet in de mond zou doen.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	In weerwil van wat de verdediging omtrent de verklaring van [betrokkene 5] 	naar voren heeft gebracht, gaat het hof uit van de betrouwbaarheid van die 	verklaring, ook voor wat betreft het seksueel binnendringen. Het hof komt 	hiertoe op grond van het volgende. [betrokkene 5] heeft onder de omstandigheden zoals 	hiervoor geschetst tegen verschillende personen op spontane wijze haar 	verhaal gedaan. Daarbij heeft zij bewoordingen gebruikt die passen bij een 	kind van haar leeftijd. Haar verklaring komt derhalve authentiek over. Los 	van het feit dat met verklaringen van minderjarige (jonge) getuigen 	behoedzaam moet worden omgegaan, ziet het hof bij [betrokkene 5] geen concrete 	aanknopingspunten die erop zouden duiden dat er bij haar sprake is geweest 	van inprenting door een derde, ook niet door haar vader. Uit de verklaring 	van haar vader, die het hof beoordeelt als nauwkeurig, blijkt dat hij open 	vragen aan [betrokkene 5] heeft gesteld en dat [betrokkene 5] op die vragen vervolgens spontaan 	heeft verteld ten aanzien van het punt van het seksueel binnendringen. Het 	hof heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Dat [betrokkene 5] voor het 	eerst op de dag na het incident heeft verteld over het seksueel binnendringen 	doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Het latere 	tijdstip valt daarbij goed te verklaren uit de door [betrokkene 5] vermelde instructies van 	de dader, te weten dat erover praten niet mag “van die meneer want dan 	wordt die meneer boos”. Daarnaast wordt [betrokkene 5] ’s verhaal zoals zij dat op 	verschillende momenten heeft gedaan op belangrijke punten maar ook op 	detailniveau ondersteund door ander, betrouwbaar geacht bewijs.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Zo wordt haar verklaring allereerst ondersteund door de verklaring van de 	moeder van het vriendje van [betrokkene 5] , [betrokkene 10] . Uit die verklaring blijkt dat [betrokkene 5] en 	[betrokkene 10] buiten met de skelter aan het spelen waren. [betrokkene 10] ging op een 	gegeven moment naar huis om te plassen. Toen hij terugging naar buiten 	vond [betrokkene 10] de skelter midden op een kruising. [betrokkene 5] was verdwenen.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Daarnaast wordt haar verklaring voor zover het betreft de kleur van de auto 	van de dader ondersteund door de verklaring van verdachte. Verdachte heeft 	ter zitting van het hof verklaard dat hij ten tijde van het ten laste gelegde 	reed in een zwarte/donkerblauwe auto.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Ook voor het overige wordt haar verklaring voor een groot deel ondersteund 	door de verklaring van verdachte, zoals hij die (zoals hierna uiteengezet) ten 	tijde van het hoger beroep heeft afgelegd.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het ontbreken van (vreemd) DNA in de 	mond van aangeefster een contra-indicatie oplevert voor het seksueel 	binnendringen. Het hof overweegt hieromtrent dat geen onderzoek in de 	mond van aangeefster heeft plaatsgevonden. Hierdoor kunnen aan het 	ontbreken van DNA-sporen aldaar geen conclusies worden verbonden.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline italic">Verdachtes verklaring</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Verdachte heeft zich nadat hij werd aangehouden tijdens zijn verhoren bij de 	politie voor zover het vragen waren die zaaksinhoudelijk van aard waren 	telkens op zijn zwijgrecht beroepen. Ook toen hij door de politie 	geconfronteerd werd met het aantreffen van zijn DNA op de onderbroek van 	[betrokkene 5] is hij zich op zijn zwijgrecht blijven beroepen. Ter zitting bij de 	rechtbank heeft verdachte zich wederom op zijn zwijgrecht beroepen.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	In de aanloop naar de zitting van het hof d.d. 16 april 2015 werd door de 	raadsvrouw van verdachte te kennen gegeven dat verdachte een verklaring 	wilde gaan afleggen. Verdachte heeft vervolgens op voomoemde zitting 	verklaard dat hij inderdaad [betrokkene 5] (en [betrokkene 11] , zoals hierna 	zal worden uiteengezet) in de auto heeft meegenomen en aan haar heeft 	gezeten. Hij verklaarde dat hij [betrokkene 5] heeft aangeraakt in haar schaamstreek 	door zijn hand in haar onderbroek te doen maar dat hij haar niet op andere 	plekken heeft aangeraakt.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak door het hof op 19 november 	2015 heeft verdachte verklaard dat hij op 13 oktober 2013 een 	seksafspraakje had in Hoogezand maar dat die afspraak niet door ging. Hij is 	wat gaan rondrijden en zag toen in Delfzijl een jongen en een meisje spelen. 	Hij is nog een rondje gaan rijden en zag vervolgens het meisje, alleen, op een 	splitsing. Hij denkt dat hij op dat moment opgewonden was. Hij vroeg aan 	het meisje of ze met hem meewilde. Dat wilde ze wel. Vervolgens is hij met 	het meisje in de auto richting Appingedam gereden. Onderweg is hij ergens 	gestopt met de auto en toen heeft hij het meisje betast. Hij heeft daarbij zijn 	hand in de schaamstreek van het meisje gehad maar niet op of in de vagina. 	Hij denkt dat hij dat niet durfde. Hij is niet met zijn tong in de buurt van de 	schaamstreek geweest. Ondertussen had hij zijn stijve penis uit zijn broek 	gehaald. Hij denkt dat hij daarmee zat te spelen. Nadat hij het meisje had 	betast was hij nog steeds opgewonden. Hij ontkent dat het meisje zijn penis 	in de mond heeft gehad.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Het hof stelt vast dat de verklaring die verdachte uiteindelijk heeft afgelegd 	in belangrijke mate aansluit bij de aangifte die is gedaan, met uitzondering 	van de aard van de seksuele handelingen die hij zou hebben verricht. Dat 	verdachte niet verder durfde te gaan dan hetgeen hij heeft bekend en dat hij 	ondanks zijn seksuele opwinding vooraf en tijdens het gebeuren 	strafrechtelijk relevante grenzen in acht zou hebben genomen, acht het hof 	niet geloofwaardig. Verdachte heeft in de diverse fasen van het onderzoek 	geen openheid van zaken gegeven en geeft die openheid naar het oordeel 	van het hof ook thans niet volledig. Verdachte komt berekend over. In dit licht 	beoordeelt het hof ook de uitkomst van het DNA-onderzoek op de onderbroek 	van [betrokkene 5] .</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Op de onderbroek van [betrokkene 5] is DNA van verdachte aangetroffen. Er is zowel 	huid als speeksel op deze onderbroek aangetroffen. Nader onderzoek wees 	uit dat niet kon worden bepaald of het DNA van verdachte afkomstig was uit 	huid- dan wel speekselcellen. Verdachte bekent uiteindelijk dat hij met de 	hand in het broekje is geweest. Het hof acht het echter mede in aanmerking 	genomen de uitlatingen van [betrokkene 5] tegen haar vader dat de man aan haar 	kontje heeft geroken en naar haar plasser heeft gekeken en gezien de overige 	omstandigheden aannemelijk dat dit speeksel van verdachte afkomstig is.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Het hof beoordeelt de verklaring van verdachte inhoudelijk als 	ongeloofwaardig in die zin dat de verklaring van verdachte niet volledig is 	voor wat betreft de verweten seksuele handelingen die verdachte zegt wel en 	niet te hebben gepleegd, mede bezien in het licht van dat deel van zijn 	verklaring dat hij seksueel opgewonden was voor, tijdens en na deze 	handelingen. Bovendien komt het feit dat verdachte pas in hoger beroep met 	zijn inhoudelijke verklaring is gekomen, de waardering van de algemene 	betrouwbaarheid van deze verklaring - voor zover deze afwijkt van ander, 	betrouwbaar geacht bewijsmateriaal - niet ten goede.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Het hof is gelet op voorgaande van oordeel dat het door de verdediging 	gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt 	weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel 	op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof 	verwerpt het verweer."</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>8. In 's hofs nadere bewijsoverweging ligt het – niet onbegrijpelijke – oordeel besloten dat is voldaan aan het bewijsminimumvoorschrift van art. 342, tweede lid, Sv. Zo volgt uit ‘s hofs bewijsoverwegingen dat de verklaring van [betrokkene 5] steunt vindt in (1) de verklaring van de moeder van het vriendje waar [betrokkene 5] op dat moment buiten mee aan het spelen was, en (2) de aanwezigheid van verdachtes celmateriaal op de onderbroek van [betrokkene 5] , terwijl [betrokkene 5] ’s verklaring grotendeels wordt ondersteund door de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte zelf, waarvan in het bijzonder de verklaring dat hij haar heeft betast in de schaamstreek. Zodoende kan niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 5] onvoldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>9. Dat de verdachte ontkent dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen doet daaraan niet af. Immers kan uit de jurisprudentie van de Hoge Raad worden afgeleid dat niet is vereist dat alle onderdelen van de betreffende verklaring (of zelfs het misbruik) steun vindt in ander bewijsmateriaal. De betreffende verklaring moet op bepaalde punten bevestiging vinden in andere gebezigde bewijsmiddelen en daartussen mag niet een te ver verwijderd verband bestaan, zodat die betreffende verklaring 'niet op zichzelf staat'.<footnote-ref linkend="_5425dcdc-55e0-4677-ae0e-da618015174e" /> Anders dan in het middel wordt betoogd, is – ook naar mijn inzicht – van schending van art. 342, tweede lid, Sv geen sprake. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>10. Als ik het goed lees wordt op pagina 7 van de schriftuur voorts geklaagd dat de motivering van de bewezenverklaring, en dan – zo leid ik af uit de verdere toelichting op de klacht – met name van het bestanddeel 'seksueel binnendringen', niet begrijpelijk is op de grond dat "<emphasis role="italic">de door het hof gegeven redenen voor de ontstane overtuiging niet begrijpelijk althans volstrekt onvoldoende overtuigend</emphasis> [zijn]". Daartoe wordt door de steller van het middel gewezen op een aantal overwegingen van het hof uit de 'Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 1 primair in de zaak met parketnummer 18-850472-13'. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>11. Deze klacht gaat echter uit van een verkeerde lezing van de bestreden overweging en mist derhalve feitelijke grondslag. De steller van het middel miskent dat het hof een en ander heeft overwogen in het kader van zijn oordeel over (1) de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 5] , ook wat betreft het 'seksueel binnendringen', en (2) de (on)geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte voor zover hij het 'seksueel binnendringen' ontkent. Voornoemde oordelen acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd in het licht van hetgeen in feitelijke aanleg naar voren is gebracht. De bewezenverklaring is in zoverre met voldoende redenen omkleed.   </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>12. Het middel faalt in al zijn onderdelen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>13. Het <emphasis role="underline">tweede middel</emphasis> keert zich met een bewijsklacht en een rechtsklacht tegen de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 18-670358-12 onder 1 primair tenlastegelegde, te weten de verleiding van [betrokkene 1] op 10 juni 2011. Meer in het bijzonder klaagt het middel dat het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte aan [betrokkene 1] heeft gevraagd wat foto's van zichzelf te maken, terwijl uit de bewijsmiddelen blijkt dat deze vraag feitelijk niet aan [betrokkene 1] maar aan haar vader, [betrokkene 2] , is gesteld. Indien het hof van oordeel is dat de verdachte ingevolge art. 248a Sr ook strafbaar is indien de vraag wordt gericht aan iemand die zich slechts <emphasis role="italic">voordoet </emphasis>als een minderjarige, gaat het uit van een verkeerde rechtsopvatting, aldus de steller van het middel. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>14. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 18-670358-12 onder 1 primair bewezenverklaard dat:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	"hij op 10 juni 2011 in de gemeente Stadskanaal, ter uitvoering van het door 	verdachte voorgenomen misdrijf om door giften en/of belofte van geld 	[betrokkene 1] , geboren [geboortedatum] 2001, waarvan verdachte redelijkerwijs moest 	vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, 	opzettelijk te bewegen ontuchtige handelingen te plegen met behulp van een 	computer via het internet een chatgesprek/schriftelijk gesprek heeft gevoerd 	met [betrokkene 1] en daarin aan [betrokkene 1] heeft gevraagd of ze wel eens een 	piemel had gezien en of ze daar wel eens aan zou willen zitten, en aan haar 	heeft gevraagd wat foto's van haar te maken waarbij zij een beetje met haar 	beentjes wijd moest gaan zitten en een strak hemdje aan moest doen zodat 	verdachte haar tietjes een beetje zou zien, en hem vervolgens die foto's toe 	te sturen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>15.  Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	"21. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op 	pagina’s 124 en verder van het proces-verbaal van aanvulling met nummer 	2011057726) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring 	van [betrokkene 2] :</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Ik woon in Stadskanaal. Ik doe aangifte van uitlokking tot het laten plegen 	van ontuchtige handelingen van mijn minderjarige dochter [betrokkene 1] . 	Op 10 juni 2011 zat mijn dochter op Hyves en wel op Ponypark Citysite. [betrokkene 1] 	stond voor iedereen zichtbaar op Hyves met haar echte leeftijd. [betrokkene 1] had 	een berichtje gekregen met de vraag: "Mag ik je wat vragen, heb je wel eens 	een piemel gezien, en zou je daar wel eens aan willen zitten".</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Mijn vrouw belde mij om 12.30 uur op het werk en ik heb gezegd dat ze de 	gegevens op de computer moest bewaren. Ik ben om 18.30 uur achter de 	computer gaan zitten en heb mij uitgegeven voor mijn dochter. De persoon 	gebruikte de naam [A] . Ik had inmiddels al contact met de politie 	gehad en het advies gekregen om de man vast te houden. De man dwong mij 	om MSN op te starten doordat hij zei: "Je doet MSN aan en wel nu". Op MSN 	zag ik de nicknaam " [B] " staan en het e-mail adres 	[naam] @hotmail.com.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	De man vroeg of ik al tietjes had. Toen vroeg hij om een foto van tussen de 	benen. Mijn dochter zat in de kamer en ik heb een foto van haar benen 	gemaakt. Op de foto is een roze pyjamabroek te zien. Deze foto heb ik de man 	gestuurd. De man zei van dat hij een foto van tussen de benen wilde.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	De man deed toen zijn webcam aan. Toen ik de man zag heb ik mijn vrouw 	geroepen. Zij heeft een videocamera gepakt en ik ben gaan filmen. Ik heb 	toen opnames van de laptopmonitor gemaakt. Ik heb een USB stick waar alle 	gesprekken en waar de beelden van de man op staan. Het zijn 2 gesprekken 	van Hyves, 1 van MSN, 2 foto's en de video- opname. De foto's heb ik zelf ook 	nog gemaakt. De foto's heb ik gemaakt vanaf de webcammonitor.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	21a. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanvulling 	met nummer 2011057726 voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven — 	als relatering van de verbalisant [verbalisant 1] op het voorblad van dat 	proces-verbaal:</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	[betrokkene 1] is geboren op [geboortedatum] 2001.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	22. Een schriftelijk stuk genaamd 'Msn gesprek politie.txt' als bijlage bij 	bewijsmiddel 22, (opgenomen op pagina’s 140 en verder van het proces-	verbaal van aanvulling met nummer 2011057726) inhoudende, zakelijk 	weergegeven:</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	[B] zegt: wat heb jij nu eigenlijk aan </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	[betrokkene 1] zegt: rose pyjama </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	[B] zegt: leuk, mag ik eens zien?</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	[B] zegt: je kunt me ja wel een foto sturen</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	[B] zegt: oke je moet wel een beetje met je beetjes wijd gaan zitten he? en 	doe een strakke hempje aan zodat ik je tietjes aan beetje zie goed?</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	[B] zegt: waar blijft me foto</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">	[B] zegt: ik zeg ja als je nu doet wat ik zeg krijg je bij onze eerste ontmoeting 	100 euro</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	23. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op 	pagina’s 152 en verder van het proces-verbaal van aanvulling met nummer 	2011057726) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring 	van [betrokkene 3] :</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Mijn dochter heeft een Hyves-account. Hierop is een contactgroep 	aangemaakt voor meisjes. Deze contactgroep heet Ponypark City. Dit heeft 	te maken met het pretpark Slagharen. De meisjes hebben via de site contact 	met elkaar. Zij spreken dan wel met elkaar af wanneer zij met elkaar naar 	ponypark Slagharen gaan en wanneer zij daar een pony huren. Deze site is 	voor kinderen tot twaalf jaren.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	24. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op 	pagina’s 109 en verder van het proces-verbaal van aanvulling met nummer 	2011057726) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring 	van verdachte:</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	Jullie houden mij voor dat jullie meerdere aangiften binnen hebben gekregen 	en dat er ook een persoon is die videobeelden van zijn beeldscherm heeft 	gemaakt. Ik ben de persoon die op die foto staat. De twee afbeeldingen 	waarin ik met een overhemd (het hof begrijpt op grond van bewijsmiddel 22: 	de foto’s die zijn gemaakt door [betrokkene 2] ) sta afgebeeld ben ik inderdaad. </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	25. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op 	pagina’s 99 en verder van het proces-verbaal van aanvulling met nummer 	2011057726) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring 	van [betrokkene 4] (broer van verdachte):</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	[verdachte] heeft van 17-20 april 2011 tot ongeveer in augustus 2011 bij mij 	gewoond in Vlagtwedde . Ik ken alleen het e-mailadres 	[naam] @hotmaiI.com. Dat gebruikt hij volgens mij nog steeds. U 	toont mij foto 4 (het hof begrijpt op grond van bewijsmiddel 22: de foto die 	is gemaakt door [betrokkene 2] ). Dat is bij mij thuis in Vlagtwedde . Dit moet tussen 	april en augustus 2011 zijn geweest. Ik herken de achtergrond als mijn 	keuken. De klok die je ziet hangen is mijn klok in de keuken. De man op de 	foto ziet er uit als mijn broer. Het overhemd dat hij aanheeft is van hem. Hij 	draagt altijd van dat soort overhemden."</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>16. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in een chatgesprek met de gebruiker van het profiel van [betrokkene 1] , met de aangegeven leeftijd van tien jaren, heeft gevraagd of [betrokkene 1] wat foto's van zichzelf kon maken en naar de verdachte wilde opsturen waarbij zij een beetje met haar beentjes wijd moest gaan zitten en een strak hemdje aan moest doen zodat verdachte haar tietjes een beetje zou zien. De verdachte bood [betrokkene 1] hiervoor € 100,- aan, die zij bij hun eerste ontmoeting zou krijgen. Voorts heeft het hof vastgesteld dat op het moment dat de verdachte deze vraag aan [betrokkene 1] meende te stellen, in werkelijkheid haar vader zich bediende van het profiel van [betrokkene 1] . </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>17. De tenlastelegging en bewezenverklaring van het feit waarop het tweede middel ziet, zijn toegesneden op de delictsomschrijving van art. 248a Sr. Deze bepaling luidt als volgt:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">	"Hij die door giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit feitelijke 	verhoudingen voorvloeiend overwicht of misleiding een persoon waarvan hij 	weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren 	nog niet heeft bereikt, opzettelijk beweegt ontuchtige handelingen te plegen 	of zodanige handelingen van hem te dulden, wordt gestraft met 	gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde 	categorie."</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>18. Blijkens de toelichting op het middel neemt de steller van het middel het standpunt in dat de geldende redactie van art. 248a Sr géén strafbaarheid in het leven roept voor de uitlokker die een persoon beweegt of tracht te bewegen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen ingeval die persoon minderjarigheid veinst. De steller van het middel leidt dit af uit de toelichting op de voorgenomen wijziging van deze bepaling.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>19. Het aanhangige wetsvoorstel Computercriminaliteit III<footnote-ref linkend="_c930ee53-20f9-4b39-85a5-3242fc4c2c51" /> strekt tot de wijziging van onder meer de artikelen 248a Sr (verleiding) en 248e Sr (grooming). Daarmee wordt beoogd om de inzet van de lokpuber mogelijk te maken. De lokpuber is een opsporingsambtenaar die zich op het internet voordoet als een jeugdige en die wordt ingezet om groomers op heterdaad te betrappen. Uit de ratio van dit wetsvoorstel zou a contrario kunnen worden afgeleid dat een groomer niet strafbaar is indien hij in zijn communicatie – ofschoon zich daarvan onbewust – met een meerderjarige van doen heeft.<footnote-ref linkend="_dec15acb-e124-442a-92e3-289a2d7f51bd" /></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>20. Art. 248e Sr strekt tot de bescherming van personen beneden de leeftijd van zestien jaar. De wetgever heeft destijds met de invoering van deze bepaling uitvoering gegeven aan art. 23 van het Verdrag van Lanzarote.<footnote-ref linkend="_630d8494-c388-406e-b3fa-426446e472f8" />, <footnote-ref linkend="_2a634d74-1bbc-40c5-84ea-63f50ac116db" /> Bij de totstandkoming van deze bepaling heeft de minister van Justitie in het kader van het wetgevingsoverleg met de Tweede Kamer aangegeven dat in deze bepaling wordt uitgegaan van een 'objectieve leeftijd' van zestien jaar in de delictsomschrijving, zodat de werkelijke leeftijd van de betrokkene van belang is: "<emphasis role="italic">Als iemand objectief achttien was, maar de verdachte subjectief dacht dat het om een minderjarige ging, is van strafbaarheid geen sprake. Daartoe lijkt mij ook geen aanleiding, omdat de bescherming van minderjarigen het uitgangspunt van het verdrag is</emphasis>."<footnote-ref linkend="_95c1be51-6cd1-4b4a-a6d3-ba02ad91b0e2" /></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>21. In een strafzaak waarin de politie een zogenaamde lokpuber had ingezet hebben de rechtbank Den Haag<footnote-ref linkend="_8cfc6f5a-52a4-44d7-84ff-e34646c4090b" /> en in hoger beroep het hof Den Haag<footnote-ref linkend="_e5211bd6-9ccf-4da5-873e-1c8e5f5b51f1" /> naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen de dagvaarding dit citaat aangehaald ter motivering van hun oordeel dat de strafrechter, later oordelend, (hoogstwaarschijnlijk) niet tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde grooming in de zin van art. 248e Sr zal (kunnen) komen.<footnote-ref linkend="_59657386-aebf-4162-8bac-ca2dd44bfea5" /> In de memorie van toelichting van het voornoemde wetsvoorstel Computercriminaliteit III worden op hun beurt deze uitspraken aangehaald door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om uiteen te zetten dat "<emphasis role="italic">inmiddels in de rechtspraak </emphasis>[is]<emphasis role="italic"> geoordeeld dat een verdachte van grooming niet strafbaar is als degene die in de tekst van het huidige artikel 248e Sr wordt aangeduid als de persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, in werkelijkheid zestien jaar of ouder is en dat het daarbij niet uitmaakt of de verdachte met betrekking tot die leeftijd in een andere veronderstelling verkeerde of mocht verkeren</emphasis>".<footnote-ref linkend="_afd7156a-0e1f-4870-a70d-c23bba86c544" /></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>22. Voor de volledigheid dient echter te worden opgemerkt dat de minister van Justitie zich op een later moment tijdens het reeds genoemde wetgevingsoverleg in een enkel geval minder stellig heeft uitgelaten. Ik citeer: "<emphasis role="italic">Als die intentie </emphasis>[DA: van de verdachte om contact te hebben met een minderjarige] <emphasis role="italic">kan worden afgeleid uit de communicatie hebben we te maken met een situatie waarin aan de delictsomschrijving wordt voldaan.</emphasis>" Daar staan echter de volgende mededelingen tegenover: "<emphasis role="italic">Als uit de uitingen over en weer blijkt dat de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de andere persoon de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, is voldaan aan de omschrijving in de strafbepaling.</emphasis>" Voorts wijs ik op de volgende uitlatingen van de minister: "<emphasis role="italic">In de delictsomschrijving gaat het om bepaalde gedragingen die kennelijk gericht zijn op een ontmoeting met iemand onder de zestien jaar. Dat is meer dan de pure intentie</emphasis>", en: "<emphasis role="italic">zowel bij schuldheling als bij deze delictsomschrijving gaat het om het vaststellen van gedragingen die aan de delictsomschrijving voldoen, niet om intenties. Dat is de grens die ik heb willen trekken</emphasis>." <footnote-ref linkend="_123b6a67-7587-4c9f-ba5b-d8b1d549966c" /></para>
    <para>Uit dit alles leidde de rechtbank Amsterdam af, in een zaak waarin het online chatgesprek was overgenomen door de zestienjarige broer die zich voordeed als zijn twaalfjarige broertje, dat naar de letter van de wet niet is voldaan aan de delictsomschrijving en dat de wetgever voor wat betreft art. 248e Sr niet louter intenties strafbaar heeft willen stellen.<footnote-ref linkend="_c549adbd-888f-4c98-b7bc-13877fb8ec7d" /></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>23. Deze interpretatie van art. 248e Sr komt mij juist voor. Zij sluit namelijk aan bij de vigerende systematiek van het materiële strafrecht. Ik licht dat toe. Bewezenverklaard zal moeten worden dat de verdachte 'weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de persoon (het slachtoffer) de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt'. Dit bestanddeel van de delictsomschrijving is m.i. niet eerder vervuld dan wanneer hetgeen waarover de wetenschap of het redelijke vermoeden zich uitstrekt, in casu een leeftijd onder zestien jaren, correspondeert met de werkelijkheid. Dat hetgeen waarover de wetenschap of het vermoeden zich uitstrekt (slechts) correspondeert met de fantasie van de verdachte, is dus niet voldoende. Vergelijkbare beschouwingen, en daarin zit ‘m de crux, gaan op voor bijvoorbeeld opzetheling, schuldheling, witwassen en schuldwitwassen. Ook bij deze delicten is voor een bewezenverklaring vereist dat de omstandigheid waarop de wetenschap c.q. het redelijk vermoeden ziet, te weten 'dat het een door misdrijf verkregen goed betreft', kan worden bewezen. Binnen het bestek van de zedelijkheidswetgeving moet in dit verband nog worden gewezen op de artikelen 243 Sr en 247 Sr. De wetenschapseis bestrijkt in die bepalingen een aantal omstandigheden (een staat van bewusteloosheid, onmacht, gebrekkige ontwikkeling, etc.) die zich niet alleen in de belevingswereld van de verdachte, maar ook in de werkelijkheid moeten voordoen willen zij tot strafbaarheid leiden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>24. Kortom, een bestraffing van de intentie, zelfs in die gevallen waarin de verdachte wel degelijk daarnaar heeft gehandeld, zulks door bijvoorbeeld met een seksueel oogmerk via internet in contact te treden met een vermeende minderjarige, zou een opmerkelijke trendbreuk teweegbrengen. Dat staat op gespannen voet met het legaliteitsbeginsel. Indien de wetgever een dergelijke trendbreuk voor ogen staat, zou dat uitdrukkelijk in een wettelijke bepaling moeten worden vastgelegd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>25. Nu de redactie van art. 248e Sr qua formulering aansluit bij art. 248a Sr<footnote-ref linkend="_a64614e8-51ce-4657-97b0-6357d13d8518" />, heeft vorenstaande m.i. ook op dat artikel betrekking. Met de steller van het middel kan naar mijn inzicht daarom worden gezegd dat gelet op de huidige redactie van art. 248a Sr niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen indien de uitgelokte meerderjarig is en hij of zij zich voordoet als iemand die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt. Gelet op de aanpassing van art. 248a Sr in het wetsvoorstel Computercriminaliteit III is de wetgever ook dit standpunt toegedaan, nu de strafbaarstelling zodanig wordt gewijzigd dat deze ook ziet op het benaderen voor seksuele doeleinden van iemand die zich voordoet als iemand die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>26. In onderhavige zaak is evenwel geen voltooid delict, maar een poging tot verleiding ten laste gelegd. De vraag rijst dus of hier sprake is van een strafbare poging. </para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>27. In onderhavige zaak speelt het probleem dat het nimmer tot een voltooid delict had kunnen komen. Immers had de verdachte, zonder dat hij dit wist, een chatgesprek met de vader van de minderjarige [betrokkene 1] , van wie hij seksueel getinte foto's wenste te ontvangen. Zo bezien zou de verdachte nooit [betrokkene 1] hebben kunnen uitlokken tot het plegen van ontuchtige handelingen. Is hier dan sprake van een zogenaamd 'Mangel am Tatbestand'? In dat geval verkeert iemand in de onmogelijkheid om het delict ook maar te beginnen omdat de delictsinhoud niet kan worden vervuld, hetgeen vergelijkbaar is met de volstrekt ondeugdelijke poging.<footnote-ref linkend="_f52f5fd3-a5bd-48c8-b15f-75ed82c2a6ac" /> Door een bepaald gebrek in de bestanddelen, los van de gedraging van de verdachte, kan de poger nooit tot voltooiing van het delict komen.<footnote-ref linkend="_da497698-fc1d-424d-8c12-e2f9ef3d27be" /> Zo noemt De Hullu het ontbreken van de vereiste kwaliteit bij een kwaliteitsdelict als voorbeeld. Meer in het algemeen, ook buiten de situatie van poging, wordt in dit verband gesproken van het zogenaamde 'putatieve delict', waarbij iemand meent een strafbaar feit te hebben begaan terwijl dat niet zo is.<footnote-ref linkend="_973acc5e-c1f3-483a-a40e-cbf3dfb91480" />  Er is gedwaald over een bepaalde omstandigheid en doordat deze omstandigheid niet is vervuld, is hetgeen hij heeft gedaan niet strafbaar. In de literatuur worden voorts als voorbeelden van deze figuren genoemd: bigamie terwijl de eerste echtgeno(o)t(e) is overleden zonder dat men dat wist, diefstal terwijl men rechthebbende blijkt te zijn en het plegen van ontuchtige handelingen met minderjarigen terwijl sprake is van een hogere leeftijd.<footnote-ref linkend="_217425dc-947e-4d25-990c-c2dd471e0582" /></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>28. In onderhavige zaak kan echter niet worden volgehouden dat de verdachte van meet af aan in de onmogelijkheid verkeerde om de delictsinhoud te vervullen.  Immers heeft de verdachte aan [betrokkene 1] , die gebruik maakte van het profiel [betrokkene 1] en daarbij haar leeftijd had vermeld van 10 jaar, in een chatgesprek de vraag gesteld "<emphasis role="italic">heb jij wel eens een piemel gezien en zou jij daar wel eens aan willen zitten?</emphasis>" Als het chatgesprek niet was overgenomen door de vader van [betrokkene 1] , dan was de verdachte in de gelegenheid geweest om de gehele delictsinhoud te vervullen. Dit is anders dan bij een zogenaamde 'lokpuber', waarbij vervulling van de delictsinhoud van meet af aan onmogelijk is. De verdachte heeft zich in casu bediend van een geschikt middel ten aanzien van een in eerste instantie geschikt object, ware het niet dat de verdere uitvoering onmogelijk was geworden door de van de wil van de verdachte onafhankelijke omstandigheid dat het chatgesprek niet door [betrokkene 1] maar door haar vader werd voortgezet.<footnote-ref linkend="_25696252-3a92-407b-a540-6a0cf4cc6cfa" /> Gedurende de uitvoering van het delict is zo bezien het object ondeugdelijk geraakt. Om met De Hullu te spreken is hierdoor de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging echter niet aangetast<footnote-ref linkend="_0217d3d6-c294-4fae-aa17-014001b653eb" /> en van een absoluut ondeugdelijke poging zou ik dan ook niet willen spreken.<footnote-ref linkend="_44bbbbf3-35ef-4eb1-a30f-204a24e71488" /> Naar mijn inzicht is derhalve sprake van een strafbare poging tot verleiding. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>29. Gelet op vorenstaande geeft het oordeel van het hof  dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot uitlokking van de minderjarige [betrokkene 1] tot het plegen van ontuchtige handelingen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Dat de verdachte zijn vraag feitelijk aan haar vader heeft gesteld doet daaraan in mijn optiek niet af.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>30. Het middel faalt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>31. De middelen falen en het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>32. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De procureur-generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>AG</para>
  </parablock>
  <para />
  <footnote id="_b2806be2-22aa-438b-99da-031f7c92f2b4" label="1">
    <para> HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:957, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2014/328, m.nt. Rozemond, en HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2010/515, m.nt. Borgers.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5425dcdc-55e0-4677-ae0e-da618015174e" label="2">
    <para> Zie Schalken in zijn annotatie onder HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2012/252 en vgl. HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BS7910, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2012/251 en HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1354, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2014/329, m.nt. Rozemond. Rozemond wijst er in zijn annotatie op dat in de zaken die ten grondslag liggen aan voornoemde arresten van de Hoge Raad, het steunbewijs telkens een bevestiging vormt van de 'concrete context' van het misdrijf en niet zozeer ziet op de tenlastegelegde handelingen. In onderhavige zaak is wel sprake van steunbewijs voor een tenlastegelegde handeling; het betasten van de vagina, zodat eveneens gezegd kan worden dat de 'concrete context' wordt bevestigd door het steunbewijs. Vgl. ook HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2010/612, m.nt. Borgers.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c930ee53-20f9-4b39-85a5-3242fc4c2c51" label="3">
    <para> Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de verbetering en versterking van de opspring en vervolging van computercriminaliteit (Computercriminaliteit III), <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2015/16, 34372, nr. 2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dec15acb-e124-442a-92e3-289a2d7f51bd" label="4">
    <para> K. Lindenberg, ‘De lokpuber verstopt zich in het materiële recht. Over het aanpassen van de zedendelicten door Computercriminaliteit III en hoe dit meer is dan het lijkt’, <emphasis role="italic">AA </emphasis>2016, p. 942-950.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_630d8494-c388-406e-b3fa-426446e472f8" label="5">
    <para> Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksueel uitbuiting en seksueel misbruik, Lanzarote 25 oktober 2007, CETS nr. 201, <emphasis role="italic">Trb. </emphasis>2008, 58.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2a634d74-1bbc-40c5-84ea-63f50ac116db" label="6">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2008/09, 31810, nr. 3, p. 8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_95c1be51-6cd1-4b4a-a6d3-ba02ad91b0e2" label="7">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2008/09, 31808 (R 1872), nr. 6, p. 12.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8cfc6f5a-52a4-44d7-84ff-e34646c4090b" label="8">
    <para> Rechtbank 's-Gravenhage 14 september 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8188.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e5211bd6-9ccf-4da5-873e-1c8e5f5b51f1" label="9">
    <para> Gerechtshof Den Haag 25 juni 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:2302.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_59657386-aebf-4162-8bac-ca2dd44bfea5" label="10">
    <para> De Hoge Raad heeft overigens in zijn beschikking van 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:212, de beschikking van het hof Den Haag vernietigd, echter alleen voor zover het hof Den Haag het bezwaarschrift tegen de dagvaarding voor het onder 2 en 3 tenlastegelegde gegrond had verklaard, terwijl onder 1 grooming ten laste was gelegd. Nu het middel niet het oordeel van het hof met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde betrof, heeft de Hoge Raad zich hierover niet uitgelaten.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_afd7156a-0e1f-4870-a70d-c23bba86c544" label="11">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2015/16, 34372, nr. 3, p. 68-69.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_123b6a67-7587-4c9f-ba5b-d8b1d549966c" label="12">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2008/09, 31808 (R 1872), nr. 6, p. 13.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c549adbd-888f-4c98-b7bc-13877fb8ec7d" label="13">
    <para> Rechtbank Amsterdam, 22 december 2011, <emphasis role="italic">NBStraf</emphasis> 2012/82. Dit punt kwam ook al aan de orde in de raadkamerprocedure met betrekking tot de vordering gevangenhouding in die zaak, rechtbank Amsterdam 11 april 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ0961.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a64614e8-51ce-4657-97b0-6357d13d8518" label="14">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2008/09, 31810, nr. 3, p. 9-10.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f52f5fd3-a5bd-48c8-b15f-75ed82c2a6ac" label="15">
    <para> Noyon/Langemeijer/Remmelink, <emphasis role="italic">Het Wetboek van Strafrecht </emphasis>(losbladig), aant. 2.6.3 bij artikel 45 Sr (bijgewerkt door A.J. Machielse tot 1 mei 2016). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_da497698-fc1d-424d-8c12-e2f9ef3d27be" label="16">
    <para> C. Kelk &amp; F. de Jong, <emphasis role="italic">Studieboek materieel strafrecht</emphasis>, Deventer: Kluwer 2016, p. 420.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_973acc5e-c1f3-483a-a40e-cbf3dfb91480" label="17">
    <para>  J. de Hullu, <emphasis role="italic">Materieel Strafrecht</emphasis>, Deventer: Kluwer 2015, p. 396.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_217425dc-947e-4d25-990c-c2dd471e0582" label="18">
    <para> Noyon/Langemeijer/Remmelink, <emphasis role="italic">Het Wetboek van Strafrecht</emphasis> (losbladig), aant. 2.6.3. bij artikel 45 Sr (bijgewerkt door A.J. Machielse tot 1 mei 2016) en J. de Hullu, <emphasis role="italic">Materieel Strafrecht</emphasis>, Deventer: Kluwer 2015, p. 396.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_25696252-3a92-407b-a540-6a0cf4cc6cfa" label="19">
    <para> Vgl. HR 17 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9761, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1988/166, hoewel in deze zaak anders dan in onderhavige zaak strikt genomen reeds een begin met de uitvoering van het delict was gemaakt.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0217d3d6-c294-4fae-aa17-014001b653eb" label="20">
    <para> J. de Hullu, <emphasis role="italic">Materieel Strafrecht</emphasis>, Deventer: Kluwer 2015, p. 396.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_44bbbbf3-35ef-4eb1-a30f-204a24e71488" label="21">
    <para> Vgl. het door Machielse aangehaalde voorbeeld in Noyon/Langemeijer/Remmelink, <emphasis role="italic">Het Wetboek van Strafrecht </emphasis>(losbladig), aant. 4 bij artikel 177 Sr (bijgewerkt door A.J. Machielse tot 1 januari 2015), waarbij hij zich een strafbare poging van omkoping van een ambtenaar kan voorstellen indien men iemand tracht om te kopen dien men ten onrechte voor een ambtenaar aanziet wanneer de handelingen naar de uiterlijke verschijningsvorm op omkoping van een ambtenaar gericht lijken te zijn.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>