<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2017:1611</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-04-17T13:34:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2017-11-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/01293</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2018:551" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:551</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2017:1611">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2017:1611</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-04-17T08:06:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2017:1611 Parket bij de Hoge Raad , 28-11-2017 / 16/01293</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2017:1611:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Cassatieberoep ingetrokken na tot vernietiging strekkende CAG. Belang bij cassatie? Gelet op art. 4.4.2 van het Procesreglement HR zal de HR de zaak op het bestaande beroep afdoen. De in dit arrest vermelde aanvulling van gebezigde b.m. die redengevend zijn voor de bewezenverklaring a.b.i. art. 365a.2 Sv ontbreekt bij de aan de HR gezonden stukken. Blijkens de CAG is geen aanvulling opgemaakt. Nu het Hof in strijd met art. 359.3 en 8 Sv geen b.m. heeft opgenomen houdende voor de bewezenverklaring redengevende f&amp;o, slaagt het middel v.zv. het inhoudt dat de bewezenverklaring niet uit de inhoud van de gebezigde b.m. kan worden afgeleid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2017:1611:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 16/01293</para>
            <para>Zitting: 28 november 2017</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. F.W. Bleichrodt</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [verdachte] </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <orderedlist numeration="arabic">
    <listitem>
      <para>De verdachte is bij arrest van 2 maart 2016 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard, één en ander zoals in het arrest vermeld.  </para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. C.P. Zwaanswijk, advocaat te 's-Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Het <emphasis role="underline">tweede middel</emphasis> behelst de klacht dat het bewezen verklaarde niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen. Volgens de steller van het middel is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed. </para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>In de bestreden uitspraak zijn geen bewijsmiddelen opgenomen. In het verkort arrest staat vermeld dat indien tegen het verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring worden opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest, die aan dat arrest zal worden gehecht. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich evenwel niet een aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv (in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv) houdende de gebezigde bewijsmiddelen. </para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is verzocht de aanvulling op het verkort arrest alsnog aan de Hoge Raad in te zenden. Namens het hof is bij e-mails van 27 oktober 2017 en 6 november 2017 aan de Hoge Raad bericht dat de aanvulling op het verkort arrest niet is achterhaald en dat is gebleken dat “de aanvulling bewijsmiddelen in bovengenoemde zaak nog dient te worden uitgewerkt”. </para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Ingevolge het ook in hoger beroep toepasselijke art. 359, derde lid, Sv moet de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan steunen op de inhoud van in het arrest opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.  Een verzuim leidt op grond van het bepaalde in art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid van de bestreden uitspraak.<footnote-ref linkend="_cc686520-6801-4aa9-be42-d412bdecf190" /> Over het ontbreken van die aanvulling wordt in cassatie niet geklaagd, terwijl evenmin op de voet van art. IV, derde lid, van het Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2013 is verzocht om toezending van de bedoelde aanvulling. Die omstandigheden laten onverlet dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. Nu het hof geen bewijsmiddelen heeft opgenomen, slaagt het middel voor zover het inhoudt dat de bewezenverklaring niet uit de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij merk ik nog op dat zich in dezen niet de situatie voordoet waarbij het hof het vonnis in eerste aanleg heeft bevestigd en de inhoud van de bewijsmiddelen aan het vonnis in eerste aanleg kan worden ontleend.<footnote-ref linkend="_df75e55a-8f4b-4d5f-a78c-fd04b4505b18" /> De omstandigheid dat het hof in het verkort arrest een bewijsoverweging heeft opgenomen maakt zulks evenmin anders. De bewijsoverweging behelst immers gevolgtrekkingen uit de bewijsmiddelen, zonder dat sprake is van een nauwkeurige verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend. Ook aan de hand daarvan kan dan ook niet worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen.<footnote-ref linkend="_4fa7675b-3529-4dd7-87bb-090150f7d34d" />De bewezenverklaring is aldus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.<footnote-ref linkend="_debb027f-18c6-4e9c-b0e6-252d62a7a2e5" /></para>
    </listitem>
  </orderedlist>
  <para>7. Nu het tweede middel slaagt en de bestreden uitspraak reeds om die reden niet in stand kan blijven, kunnen het eerste middel en het derde middel onbesproken blijven. </para>
  <para>8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
  <para>9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. </para>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>AG</para>
  </parablock>
  <para />
  <footnote id="_cc686520-6801-4aa9-be42-d412bdecf190" label="1">
    <para> Vgl. HR 16 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2463, NJ 1997, 405 en A.J.A. van Dorst, <emphasis role="italic">Cassatie in strafzaken,</emphasis> achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 280.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_df75e55a-8f4b-4d5f-a78c-fd04b4505b18" label="2">
    <para> Zoals in HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2917, NJ 2015/243, m.nt. Reijntjes.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4fa7675b-3529-4dd7-87bb-090150f7d34d" label="3">
    <para> HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387 en HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0425, NJ 2007/388.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_debb027f-18c6-4e9c-b0e6-252d62a7a2e5" label="4">
    <para> Vgl. HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2123 en HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2560.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>