<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2017:1452</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-01-22T13:35:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2017-11-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/02590</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2018:43" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#contrair">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:43, Contrair</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2017:1452">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2017:1452</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-01-16T13:52:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2017:1452 Parket bij de Hoge Raad , 21-11-2017 / 17/02590</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2017:1452:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Stempelvonnis, art. 395a.1 Sv. Klacht over ontbrekend p-v tz. Ktr waarin vonnis is aangetekend zoals voorgeschreven in art. 395.2 Sv. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet binnen de in art. 437.2 Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (vgl. art. 4.8.2 Procesreglement HR). I.c. is niet gebleken dat de raadsman m.b.t. het stuk een dergelijk verzoek heeft ingediend, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden. Volgt niet-ontvankelijkverklaring ex art. 80a RO. CAG (anders): Verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek ttz. en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt. Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:951 (conversiebeslissing).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2017:1452:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 17/02590</para>
            <para>Zitting: 21 november 2017 (bij vervroeging)</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. A.J. Machielse</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [verdachte] </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <para>1. Op 28 april 2015 heeft de kantonrechter in de rechtbank Oost Brabant verdachte schuldig verklaard aan: Overtreding van het bepaalde bij artikel 4:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Cranendonck 2010 (2e wijziging), maar bepaald dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.</para>
  <para>2. Verdachte heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 16 oktober 2015 verdachte in dat hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Verdachte heeft tegen die beslissing op 30 oktober 2015 cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 23 mei 2017 het bestreden arrest vernietigd, verstaan dat verdachte tegen het vonnis van de kantonrechter beroep in cassatie heeft ingesteld en de stukken van het geding in handen gesteld van de griffier van de Hoge Raad. Vervolgens is aan verdachte opnieuw de aanzegging van de Procureur-Generaal op de voet van artikel 435 Sv betekend.</para>
  <para>3. Mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, heeft een cassatieschriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.</para>
  <parablock>
    <para>3.1. Het <emphasis role="underline">middel</emphasis> klaagt dat de kantonrechter in strijd met artikel 395 lid 2 Sv heeft verzuimd het vonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting aan te tekenen hoewel verdachte binnen 14 dagen na het wijzen van dat vonnis hoger beroep heeft ingesteld. Volgens de steller van het middel is de sanctie op het niet nakomen van deze verplichting dat het vonnis nietig moet worden verklaard. De aantekening mondeling vonnis zal dus niet in stand kunnen blijven en de zaak zal moeten worden teruggewezen naar de kantonrechter voor een nieuwe behandeling.</para>
    <para>3.2. Tot de aan de Hoge Raad gezonden stukken behoort een "aantekening mondeling vonnis" van de uitspraak op tegenspraak van de kantonrechter van dinsdag 28 april 2015. Verdachte heeft binnen drie maanden na deze uitspraak een rechtsmiddel ingesteld. De kantonrechter heeft verdachte aan een overtreding schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel, zodat hoger beroep tegen dat vonnis ingevolge artikel 404 Sv niet openstond. Aldus is er geen sprake van een vonnis als bedoeld in het eerste lid van artikel 410a Sv.</para>
    <para>3.3. Tot de aan de Hoge Raad ingezonden stukken behoort niet een proces-verbaal van de terechtzitting van de kantonrechter met daarin de aantekening van het vonnis zoals vereist door het tweede lid van artikel 395 Sv, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dat proces-verbaal niet is opgemaakt. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.<footnote-ref linkend="_7ad98deb-4253-47d4-85b9-cce9fb100062" /></para>
    <para>Het middel slaagt.</para>
  </parablock>
  <para>4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, sector Kanton opdat de zaak op de inleidende dagvaarding opnieuw wordt berecht en afgedaan.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>AG</para>
  </parablock>
  <para />
  <footnote id="_7ad98deb-4253-47d4-85b9-cce9fb100062" label="1">
    <para> Vgl. HR 25 januari 2011, nr. 09/02997 en HR 22 maart 2016, nr. 13/01623, beide niet gepubliceerd.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>