<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2016:994</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-10-15T00:00:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-10-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2016-08-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/03001</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2016:2347" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2347, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2016:994">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2016:994</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-10-13T14:16:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-10-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2016:994 Parket bij de Hoge Raad , 29-08-2016 / 16/03001</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2016:994:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging wegens niet-naleving van informatieplicht (art. 350 lid 3, onder c, Fw). Ontvankelijkheid, overschrijden appeltermijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2016:994:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para>Zaaknummer 16/03001</para>
    <para>	Parketdatum: 29 augustus 2016</para>
    <para />
    <para>			<emphasis role="bold">Conclusie </emphasis>mr. J. Wuisman</para>
    <parablock>
      <para>									     inzake:</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        [verzoekster],</para>
      <para>verzoekster tot cassatie,</para>
      <para />
      <para>advocaat: aanvankelijk mr. P.J.PH. Dietz de Loos, thans mr. K. Aantjes.</para>
    </parablock>
    <para />
  </conclusie.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Voorgeschiedenis</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Op verzoek van de bewindvoerder heeft de rechtbank Overijssel bij vonnis d.d. 8 maart 2016 de schuldsaneringsregeling, die sedert 14 oktober 2014 op verzoekster tot cassatie (hierna: verzoekster) van toepassing was, beëindigd wegens het niet nakomen door haar van de inlichtingenplicht jegens de bewindvoerder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Verzoekster is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift is per post op 17 maart 2016, de dag na het verstrijken van de beroepstermijn, bij de griffie van het hof binnengekomen. De raadsman van verzoekster heeft ter verklaring van de termijnoverschrijding aangevoerd dat hij reeds op 16 maart 2016 een verzoekschrift per e-mail bij het hof heeft willen indienen, maar dat bij het verzenden van de betrokken e-mail bij vergissing een onjuist e-mailadres is aangehouden. Het hof verklaart bij arrest d.d. 2 juni 2016 het beroep niettemin niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Rechtsmiddeltermijnen zijn van openbare orde, aldus het hof, aan hen dient strikt de hand te worden gehouden en van een omstandigheid, die de termijnoverschrijding toch verschoonbaar doet zijn, is niet gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Met een verzoekschrift dat op 9 juni 2016 per fax bij de griffie van de Hoge Raad is aangekomen, heeft verzoekster tijdig cassatieberoep tegen het arrest van het hof ingesteld. Het verzoekschrift bevat één cassatiemiddel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Van de gelegenheid om te reageren op het hem door de griffie van de Hoge Raad toegezonden proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 26 mei 2016 bij het hof heeft mr. Dietz de Loos geen gebruik gemaakt. Van de zijde van de bewindvoerder is bij brief van 27 juni 2016 bericht dat geen verweerschrift zal worden ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Bespreking van het cassatiemiddel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Het niet-ontvankelijkheidsoordeel wordt als onjuist, althans als onbegrijpelijk gemotiveerd bestreden op de volgende, in onderling verband te beschouwen, gronden:</para>
        <para>a. Er staan voor verzoekster grote belangen op het spel; het vonnis van de rechtbank kan haar in de toekomst in vergaande mate negatief treffen; er is een fout door de raadsman gemaakt die binnen één dag is hersteld;</para>
        <para>b. er is sprake van een vergaande onevenredigheid tussen het wel aanvaarden van een apparaatsfout van een rechtsprekend orgaan als verschoningsgrond en het niet als verschoningsgrond aanvaarden van een apparaatsfout aan de zijde van degene die een opdracht (tot een procedure) geeft;</para>
        <para>c. er is in casu sprake van een ‘ultra korte’ termijn;</para>
        <para>d. in het bestuursrecht bestaat de mogelijkheid tot het aanvoeren van disculpatie-gronden; waarom zou naar bestuursrecht wel en naar burgerlijk recht niet de mogelijkheid tot herstel moeten worden gegeven?</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>Voor termijnen voor het aanwenden van een rechtsmiddel wordt in het burgerlijk procesrecht algemeen als uitgangspunt aanvaard dat daaraan strikt de hand dient te worden gehouden. Dit uitgangspunt is door de Hoge Raad nog eens bevestigd in rov. 3.4.2 van zijn arrest d.d. 21 februari 2014.<emphasis role="bold">(</emphasis><footnote-ref linkend="_55316284-5b94-4a89-a6df-1515ed83f25c" /><emphasis role="bold">)</emphasis> Aldaar overweegt de hoge Raad onder meer het volgende:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Tot uitgangspunt dient dat rechtsmiddeltermijnen van openbare orde zijn en door de rechter ambtshalve moeten worden toegepast. Voorts dient tot uitgangspunt dat in het geding dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt, en dat aan rechtsmiddeltermijnen strikt de hand dient te worden gehouden. Op laatstgenoemd uitgangspunt kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt, zoals in het geval van zogenoemde apparaatsfouten (…).</emphasis>
          <emphasis role="bold">(</emphasis>
          <footnote-ref linkend="_b6284646-8a7c-451c-ba30-b346f5faf6df" />
          <emphasis role="bold">) </emphasis>
          <emphasis role="italic">Het hof heeft zijn oordeel dat de vrouw – ondanks overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep – ontvankelijk is in haar beroep (…), gegrond op de omstandigheid dat partijen ter terechtzitting eenstemmig het hof hebben verzocht de zaak ten gronde af te doen, hetgeen meebrengt dat strikte handhaving van de beroepstermijn in dit geval moet wijken voor de belangen van de partijen. Voorts heeft het hof acht geslagen op de – naar zijn oordeel – relatief geringe termijn overschrijding. Aldus heeft het hof miskend dat noch de belangen van partijen, noch een relatief geringe termijnoverschrijding, noch deze omstandigheden tezamen rechtvaardigen dat een uitzondering wordt gemaakt op de strikte regels inzake rechtsmiddeltermijnen.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Op de hiervoor geciteerde, door de Hoge Raad in 2014 opnieuw bevestigde strikte regel van handhaving van rechtsmiddeltermijnen in het burgerlijk procesrecht strandt het cassatiemiddel. Daarbij is in aanmerking te nemen in de eerste plaats dat een op de voet van art. 350 Fw gevoerde procedure een procedure is die onderworpen is aan de regels van het burgerlijk procesrecht, in de tweede plaats dat het in het kader van strikte handhaving van rechtsmiddeltermijnen past om de fout (vergissing), die aan de kant van de advocaat bij de verzending per e-mail van het beroepschrift is gemaakt, voor risico van verzoekster te laten komen, aangezien de advocaat is te beschouwen als een voor verzoekster optredende dienstverlener.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Conclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geconcludeerd wordt tot verwerping van het cassatieberoep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>voor deze:</para>
      <para>		J. Wuisman</para>
      <para>		     (A-G)</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_55316284-5b94-4a89-a6df-1515ed83f25c" label="1">
    <para>.	HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014, 131.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b6284646-8a7c-451c-ba30-b346f5faf6df" label="2">
    <para>.	Dit oordeel heeft de Hoge Raad nog eens uitgesproken in zijn arrest d.d. 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1307, RvdW 2016, 762.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>