<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2016:149</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-03-31T07:40:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-03-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2016-02-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/02117</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2016:516" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#contrair">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:516, Contrair</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2016:149">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2016:149</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-03-29T10:18:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-03-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2016:149 Parket bij de Hoge Raad , 02-02-2016 / 15/02117</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2016:149:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 327 Sv. Art. 80a RO. Het door het Hof (partieel) bevestigde vonnis is aangetekend in een p-v ttz. dat niet overeenkomstig art. 327 Sv is vastgesteld en ondertekend, zodat het rechtskracht mist. Zoals in de conclusie van de AG onder 10 is uiteengezet kan dit verzuim blijkens bij de Pr ingewonnen nadere informatie niet worden hersteld. E.e.a. brengt mee dat het o.ttz. in e.a. en de naar aanleiding daarvan gewezen uitspraak aan nietigheid lijden. Het vonnis van de Pr leende zich derhalve niet voor (partiële) bevestiging door het Hof. In aanmerking genomen evenwel dat het p-v ttz. in h.b. enerzijds inhoudt dat aldaar het woord tot verdediging is gevoerd door een door de verdachte daartoe uitdrukkelijk gemachtigde advocaat en anderzijds niet inhoudt dat aldaar beroep is gedaan op voormelde nietigheid, kan daarover niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd. Gelet daarop is de HR van oordeel dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. De HR zal daarom - gezien art. 80a RO - het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Conclusie AG: anders.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2016:149:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 15/02117</para>
            <para>Zitting: 2 februari 2016</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. D.J.C. Aben</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [verdachte] </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <parablock>
    <para>1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 17 november 2014, met aanvulling van gronden, het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2013, waarbij de verdachte ter zake van 1 en 2. “<emphasis role="italic">mishandeling, meermalen gepleegd</emphasis>” en 3. “<emphasis role="italic">opzettelijk en wederrechtelijk een goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen</emphasis>” is veroordeeld, bevestigd behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij voor zover daarbij de wettelijke rente is toegewezen. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest en met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals nader omschreven in het bevestigde vonnis.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>3. Het middel klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg met daarin de aantekening van het mondelinge vonnis van de politierechter niet conform het bepaalde in art. 327 Sv is ondertekend, waardoor het hof het vonnis van de politierechter niet had mogen bevestigen, hetgeen nietigheid van het bestreden arrest tot gevolg heeft.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>4. Het in het middel bedoelde proces-verbaal houdt het volgende in:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>“Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de politierechter op 20 augustus 2013.</para>
    <para>Tegenwoordig:</para>
    <para>mr. J.M. van Hall, 						politierechter</para>
    <para>en mr. D. West, 						griffier.</para>
    <para>(…)</para>
    <para>Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de politierechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">De politierechter die dit vonnis heeft gewezen, is niet meer aan de strafsector van de Rechtbank Amsterdam verbonden en buiten staat dit proces-verbaal vast te stellen en te ondertekenen.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de griffier, alsmede voor gezien getekend door mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter van de Afdeling Publiekrecht van de Rechtbank Amsterdam, tevens aangewezen als politierechter.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Een afschrift van de aantekening mondeling vonnis van de politierechter                mr. J.M. van HalI van 20 augustus 2013 is als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht en door de griffier gewaarmerkt</emphasis>.”</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Onderaan het proces-verbaal is met pen geschreven: “<emphasis role="italic">De griffier is buiten staat dit proces-verbaal mede te ondertekenen</emphasis>.” Voorts bevat het proces-verbaal met een andere pen en ander handschrift de woorden: “<emphasis role="italic">gezien</emphasis>”, “<emphasis role="italic">4.8.14</emphasis>” en een handtekening of een paraaf.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5. De aantekening mondeling vonnis houdt, voor zover van belang, in:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>“Uitspraak van de politierechter mr. J.M. van Hall van 20 augustus 2013, in de zaak tegen de verdachte:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naam: [verdachte]</para>
    <para>(...)</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De politierechter,</para>
    <para>[<emphasis role="italic">handtekening</emphasis>]”<footnote-ref linkend="_737e690b-745c-483a-8bab-899817699569" /></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>6. Art. 327 Sv luidt als volgt: </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>“Het proces-verbaal wordt door den voorzitter of door een der rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en den griffier vastgesteld en zoo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en in elk geval binnen den in het eerste lid van artikel 365 vermelden termijn onderteekend. Voor zoover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijne medewerking en wordt van zijne verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.”</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>7. Het eerdergenoemde proces-verbaal van 20 augustus 2013 houdt in dat het is vastgesteld en ondertekend door de politierechter en de griffier. Met de steller van het middel constateer ik evenwel dat, in strijd met de voorgaande mededeling, zich op het proces-verbaal van geen van beiden een handtekening bevindt. Aldus is – wat betreft het ontbreken van de handtekening van de politie-rechter<footnote-ref linkend="_f47fe4ff-dd4f-4e0a-b2e7-35eaa2ba25dd" /> – het proces-verbaal niet vastgesteld en ondertekend overeenkomstig art. 327 Sv, zodat het rechtskracht mist.<footnote-ref linkend="_c5926888-a0f6-4773-94d1-19794c0850ca" /></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>8. In HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3315 behoefde de omstandigheid dat het proces-verbaal bij ontstentenis van de rechter die over de zaak heeft geoordeeld niet meer overeenkomstig art. 327 Sv door deze kon worden vastgesteld en ondertekend, niet te leiden tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak, aangezien het bij verstek gewezen arrest als de beslissing van de raadsheer die over de zaak heeft geoordeeld slechts inhield dat op grond van art. 416, tweede lid, Sv de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn hoger beroep.<footnote-ref linkend="_2dc7015c-c1cf-4506-a27f-7f292004f5be" /> De onderhavige zaak is mijns inziens van een andere orde, aangezien de zaak ter terechtzitting inhoudelijk is behandeld in aanwezigheid van de gemachtigde raadsman en de benadeelde partij.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>9. Voorts wordt het verzuim niet hersteld doordat zich bij de stukken een aantekening mondeling vonnis bevindt dat <emphasis role="italic">wel</emphasis> is ondertekend door de politierechter J.M. van Hall. De wet vereist immers dat een proces-verbaal van de terechtzitting wordt opgemaakt en bepaalt tevens dat de aantekening komt te vervallen indien een gewoon rechtsmiddel tegen het vonnis wordt aangewend.<footnote-ref linkend="_12b9b0a0-a4cd-4d78-bb41-b60e2d6d0a80" /></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>10. Aangezien het geconstateerde verzuim zich onder bepaalde omstandigheden leent voor herstel,<footnote-ref linkend="_b3524bc2-80dc-4a9f-895c-f2c81f5edfce" /> heb ik de politierechter mw. mr. Van Hall verzocht te beoordelen of zij in staat was <emphasis role="italic">hetzij </emphasis>zorg te dragen voor een gewaarmerkt en ondertekend proces-verbaal, <emphasis role="italic">hetzij</emphasis> bij afzonderlijk proces-verbaal van bevindingen te kennen te geven dat het proces-verbaal van 20 augustus 2013 een juiste weergave is van hetgeen ter terechtzitting in eerste aanleg is voorgevallen. Als reactie hierop heeft zij bij schrijven van 29 december 2015 kenbaar gemaakt dat de zitting van 20 augustus 2013 dusdanig lang geleden is dat zij zich het verloop daarvan niet meer herinnert. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>11. Aldus is dat proces-verbaal niet vastgesteld en ondertekend overeenkomstig art. 327 Sv, zodat het rechtskracht mist. Aangezien dat verzuim zich thans niet meer leent voor herstel, leidt dat tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. Door het vonnis van de rechtbank op de voet van art. 423 Sv en 425 Sv (grotendeels) te bevestigen heeft het hof art. 326 Sv, dat ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, eveneens geschonden, waardoor de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>12. Het middel slaagt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>AG</para>
  </parablock>
  <para />
  <footnote id="_737e690b-745c-483a-8bab-899817699569" label="1">
    <para> Deze handtekening lees ik als “<emphasis role="italic">vJHall</emphasis>”.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f47fe4ff-dd4f-4e0a-b2e7-35eaa2ba25dd" label="2">
    <para> Wanneer de griffier niet in staat is het proces-verbaal vast te stellen en/of te ondertekenen, mag daarvan worden afgezien. Zie ook HR 29 november 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC4698, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1967/116 en HR 7 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD6607, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1989/166, rov. 5.1. In een dergelijk geval dient op basis van art. 326 Sv wel van de verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding te worden gemaakt. Zie ook A.J. Blok &amp; L. Ch. Besier, <emphasis role="italic">Het Nederlandsche strafproces II</emphasis>, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink en Zoon 1925, p. 107. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c5926888-a0f6-4773-94d1-19794c0850ca" label="3">
    <para> Al onder het oude wetboek (HR 16 februari 1920, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1920, p. 329) werd zo beslist. Zie ook              HR 19 mei 1930, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1930, p. 1165. In deze zaken ontbraken beide handtekeningen. Vgl. voorts           HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9945, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2009/282, rov. 2.4, inhoudende dat naar het oordeel van de Hoge Raad het proces-verbaal, dat bij ontstentenis van de voorzitter, de oudste raadsheer, de jongste raadsheer en de griffier ondertekend was door de fungerend voorzitter van het gerecht, rechtskracht miste. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2dc7015c-c1cf-4506-a27f-7f292004f5be" label="4">
    <para> Zie ook HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3692,<emphasis role="italic"> NJ </emphasis>2012/324, rov. 2.5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_12b9b0a0-a4cd-4d78-bb41-b60e2d6d0a80" label="5">
    <para> Zie art. 378, tweede lid sub c, Sv en art. 378a, vijfde lid, Sv.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b3524bc2-80dc-4a9f-895c-f2c81f5edfce" label="6">
    <para> Vgl. HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9945, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2009/282, rov. 2.4; HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7296, rov. 2.3 en HR 29 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1142, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1991/76, rov. 4.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>