<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2016:1466</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-02-08T00:00:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2016-11-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/01084</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2017:168" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:168, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2016:1466">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2016:1466</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-02-07T08:35:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2016:1466 Parket bij de Hoge Raad , 29-11-2016 / 16/01084</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2016:1466:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Noodweer(exces), art. 41 Sr. Het Hof heeft de juistheid van de stellingen die ten grondslag liggen aan het in h.b. gevoerde verweer, inhoudende dat de noodweersituatie al was ontstaan voordat verdachte de voordeur van de woning had geopend, in het midden gelaten. Gelet hierop is de verwerping van het verweer ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2016:1466:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 16/01084</para>
  <para>										<emphasis role="underline">Mr. Machielse</emphasis></para>
  <para>Zitting 29 november 2016 (bij vervroeging)	</para>
  <para />
  <para>					Conclusie inzake:</para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">
      [verdachte]
    </emphasis>
  </para>
  <para />
  <para>1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft verdachte op 15 februari 2016 voor parketnummer 08-910001-15 onder 1 primair: doodslag, 2 primair: poging tot doodslag en parketnummer 08-730115-15: poging tot zware mishandeling, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren. Voorts heeft het hof de vordering van een benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof heeft de vorderingen van andere benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard, maar verdachte wel veroordeeld in de kosten door een van die benadeelde partijen gemaakt.</para>
  <para>2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.</para>
  <parablock>
    <para>3.1. Het eerste middel klaagt over de veroordeling voor het eerste feit. Het bewijs voor het opzet zou tekortschieten. Verdachtes bedoeling was het niet om het slachtoffer om het leven te brengen en evenmin volgt uit de bewijsvoering dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Integendeel, zo betoogt de steller van het middel, er zijn juist contra-indicaties die het voorwaardelijk opzet op losse schroeven zetten.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>3.2. Als 1 primair heeft het hof bewezen verklaard dat</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>“hij op <emphasis role="strike-through">of omstreeks</emphasis> 24 januari 2015 in de gemeente Almelo<emphasis role="strike-through">, tezamen en in </emphasis><emphasis role="strike-through">vereniging met een ander of anderen, althans alleen,</emphasis> [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1969) opzettelijk<emphasis role="strike-through">, al dan niet met voorbedachten rade,</emphasis> van het leven heeft beroofd, door [slachtoffer 1] <emphasis role="strike-through">, al dan niet na kalm beraad en rustig</emphasis> <emphasis role="strike-through">overleg,</emphasis> met een mes<emphasis role="strike-through">, althans met een scherp/puntig voorwerp,</emphasis> in het <emphasis role="strike-through">(</emphasis>boven<emphasis role="strike-through">)</emphasis>lichaam te steken, waardoor [slachtoffer 1] (kort daarna) is overleden;”</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het bewijs van dit feit heeft het hof gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>“1. 	Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Overijssel van 22 	september 2015, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van 	verdachte, zakelijk weergegeven:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Het klopt dat ik op 24 januari 2015 [slachtoffer 1] in Almelo met een mes heb</emphasis> <emphasis role="italic">	gestoken ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden.</emphasis></para>
  </parablock>
  <para>2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, pagina 893, opgemaakt op 17 april 2015 door arts en patholoog M. Buiskool, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:</para>
  <parablock>
    <para />
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">1. Overledene</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Datum ontvangst 			25 januari 2015</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Naam 					Vermoedelijk [slachtoffer 1]</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Geboortedatum 			[geboortedatum] 1969</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Geboorteplaats 				[geboorteplaats]</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">De overledene is overleden op 24 januari omstreeks 2.30 uur.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">5. Resultaten</emphasis>
    </para>
    <para>A: Uitwendig 3. Hoog aan de borstkas links-zijwaarts, was een streepvormige huidperforatie met een lengte van 3,5 cm.</para>
    <para>
      <emphasis role="italic">7. Conclusie</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Bij sectie op het lichaam van vermoedelijk [slachtoffer 1] , 45 jaren oud </emphasis>
      <emphasis role="italic">geworden, wordt het intreden van de dood verklaard door hart- en </emphasis>
      <emphasis role="italic">longfunctiestoornissen en fors bloedverlies ten gevolge van uitwendig mechanisch </emphasis>
      <emphasis role="italic">scherprandig perforerend geweld (1 steekverwonding).”</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>3.2. In het vonnis van de rechtbank is onder 5.1, de bewijsoverwegingen van de rechtbank, te lezen dat zowel de officier als de advocaat zich op het standpunt stelt dat verdachte de onder parketnummer 08/910001-15 sub 1 primair en sub 2 primair tenlastegelegde feiten en het onder parketnummer 08/730115-15 primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd met uitzondering van de voorbedachte raad die in de eerste twee feiten is tenlastegelegd. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg gezegd dat hij inderdaad [slachtoffer 1] op 24 januari 2015 in Almelo met een mes heeft gestoken, maar dat hij niet weet waar hij hem geraakt heeft. Met hetzelfde mes heeft hij ook [slachtoffer 2] gestoken. Waar precies weet verdachte niet. Toen de verdachte door de voorzitter van het hof werd gevraagd waarom hij hoger beroep heeft ingesteld heeft verdachte daarop geantwoord dat de straf aardig hoog is en dat het zelfverdediging was. De pleitnota van hoger beroep stelt dat het bewijs voor voorbedachte raad ter zake van de feiten 1 en 2 niet geleverd kan worden en dat aan verdachte een beroep op noodweer(exces) toekomt.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>3.3. In een stelsel van voortbouwend appel neemt de rechter in hoger beroep het vonnis inclusief de behandeling in eerste aanleg als vertrekpunt. Inhoudelijk concentreert zich de terechtzitting in hoger beroep op de onderdelen van het vonnis waar de appelrechter voorlopig ambtshalve anders tegenaan kijkt en vooral op die onderdelen van het vonnis waartegen de verdediging of het OM bezwaar maakt. Het geding in appel concentreert zich rond die kwesties waar expliciet tegen wordt geopponeerd. Zo wordt onnodig werk vermeden. Waar geen verschil van mening over bestaat behoeft geen bespreking.  Door de procespartijen ingediende grieven spelen in het stelsel van het voortbouwend appel een richtinggevende rol voor de behandeling, maar de appelrechter moet altijd de mogelijkheid hebben onderzoek te verrichten naar kwesties dat hij nodig acht.<footnote-ref linkend="_f53b9a40-d97a-43f5-a85c-b4046ac74bf3" /></para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>3.4. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte benadrukt dat hij niet de bedoeling had om [slachtoffer 1] dood te steken. Verdachte heeft daar echter niet herhaald dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gestoken. Maar de advocaat van verdachte heeft zich geconcentreerd op een beroep op noodweer(exces). Het hof hoefde in hetgeen de verdachte heeft verklaard daarom geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van het tweede lid van artikel 359 Sv te zien.<footnote-ref linkend="_40e17b9a-039b-4847-af1b-82fb5c6ea8fb" /></para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>3.5. Het stond het hof vrij om in de bewijsvoering terug te grijpen naar de verklaring die verdachte in eerste aanleg had afgelegd. Deze verklaring hield in dat hij [slachtoffer 1] heeft gestoken.<footnote-ref linkend="_883a9baa-c9c4-4b03-8a86-f9a37b488e88" /> Tevens heeft het hof voor het bewijs acht geslagen op bewijsmiddel 2, het rapport van de patholoog, die schrijft dat hoog aan de borstkas van het stoffelijk overschot van het slachtoffer links-zijwaarts, een streepvormige huidperforatie met een lengte van drie en een halve centimeter is waar te nemen, terwijl het intreden van de dood verklaard kan worden door hart- en longfunctiestoornissen en fors bloedverlies ten gevolge van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend geweld. Het steken met een mes hoog in de borstkas en wel zodanig dat long en hart worden geraakt, kan naar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht te zijn op levensberoving dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.<footnote-ref linkend="_57fc5088-b7ca-4ddc-9612-6851a9edd410" /></para>
    <para>Het middel faalt.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>4.1. Het tweede middel bevat een vergelijkbare klacht over het bewijs van het opzet inzake feit. 2 primair.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>4.2. Het hof heeft als feit 2 primair bewezen verklaard dat </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>"hij op <emphasis role="strike-through">of omstreeks </emphasis>24 januari 2015 in de gemeente Almelo<emphasis role="strike-through">, tezamen en vereniging</emphasis> <emphasis role="strike-through">met een ander of anderen, althans alleen,</emphasis> ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 1974) opzettelijk<emphasis role="strike-through">, al dan niet met voorbedachten rade,</emphasis> van het leven te beroven, [slachtoffer 2]<emphasis role="strike-through">,</emphasis> <emphasis role="strike-through">al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,</emphasis> met een mes<emphasis role="strike-through">, althans met een</emphasis> <emphasis role="strike-through">scherp/puntig voorwerp</emphasis> meerdere malen<emphasis role="strike-through">, althans eenmaal,</emphasis> heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;"</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hof heeft het bewijs van dit feit op de volgende bewijsmiddelen doen berusten:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>“1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Overijssel van 22 september 2015, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Het klopt dat u zegt dat ik op 24 januari 2015 [slachtoffer 2] in Almelo met een mes</emphasis> <emphasis role="italic">heb gestoken. Met hetzelfde mes waarmee ik [slachtoffer 1] heb gestoken, heb ik toen</emphasis> <emphasis role="italic">[slachtoffer 2] gestoken.</emphasis> </para>
  </parablock>
  <para>2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina’s 232 en 233 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2015040873) voor zover inhoudende het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 2], van 24 januari 2015, zakelijk weergegeven:</para>
  <parablock>
    <para />
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Ik, verbalisant [verbalisant 2], heb op 24 januari 2015 in het ziekenhuis te Almelo </emphasis>
      <emphasis role="italic">gehoord als getuige het slachtoffer [slachtoffer 2]. Toen ik binnen kwam zag ik</emphasis> <emphasis role="italic">dat het slachtoffer onder het bloed zat. Hij was wel goed aanspreekbaar en wilde</emphasis> <emphasis role="italic">wel een verklaring afleggen over de steekpartij.</emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">(...)</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Toen het slachtoffer bij de deur kwam liep er gelijk een man op hem af met een</emphasis> <emphasis role="italic">groot mes in zijn hand. De man begon gelijk op het slachtoffer in te steken. Het</emphasis> <emphasis role="italic">slachtoffer werd op zijn hoofdgestoken en in zijn borst. Slachtoffer heeft zichzelf</emphasis> <emphasis role="italic">proberen te beschermen door zijn handen en armen voor zijn hoofd te houden.</emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Hierdoor heeft hij nog wat afweerwonden op zijn onderarmen opgelopen.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een geneeskundige verklaring - letselbeschrijving van [slachtoffer 2], pagina 849, opgemaakt op 6 maart 2015 door forensisch arts drs. A.A. van der Spaa, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: </para>
  <parablock>
    <para />
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Medische informatie betreffende [slachtoffer 2], geboren [geboortedatum]-1974 te</emphasis> <emphasis role="italic">[geboorteplaats]. Steekverwonding aan de linker zijde van de borst, waardoor een kleine</emphasis> <emphasis role="italic">pneumothorax is ontstaan, dit betekent dat de long is aangeprikt door het</emphasis> <emphasis role="italic">steekwapen en er lucht vanuit de long is gestroomd en tussen de long en de</emphasis> <emphasis role="italic">borstwond is terecht gekomen. Door het inbrengen van een slangetje en hierdoor de</emphasis> <emphasis role="italic">lucht af te zuigen is voorkomen dat de long geheel is ingeklapt en is bereikt dat na </emphasis><emphasis role="italic">enkele dagen de long weer volledig is ontplooid en hersteld. Verder blijkt het</emphasis> <emphasis role="italic">middenrif aan de linker zijde te zijn verwond door een scherp voorwerp, waardoor</emphasis> <emphasis role="italic">een snee is ontstaan in het middenrif. Dit is operatief middels een kijkoperatie via</emphasis> <emphasis role="italic">de buikholte hersteld. De linker 6e rib is gebroken. Dit is niet specifiek behandeld en</emphasis> <emphasis role="italic">zal spontaan genezen. Verder is er nog enig uitwendig waarneembaar letsel:</emphasis> <emphasis role="italic">snijverwonding op de linker zijde van het hoofd, die is gehecht onder plaatselijke</emphasis> <emphasis role="italic">verdoving. Snijverwonding op de linker kant van het voorhoofd, gehecht onder</emphasis> <emphasis role="italic">plaatselijke verdoving. Snijverwonding op het behaarde hoofd, gehecht onder</emphasis> <emphasis role="italic">plaatselijke verdoving.”</emphasis></para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>4.3. Ten aanzien van dit feit geldt eveneens hetgeen ik hiervoor heb geschreven over het eerste feit.</para>
    <para>Ook hier stond het het hof vrij om voor het bewijs te putten uit de verklaring die verdachte in eerste aanleg heeft afgelegd. Uit het tweede bewijsmiddel blijkt dat verdachte [slachtoffer 2] op zijn hoofd heeft gestoken en in zijn borst. Bewijsmiddel 3 houdt in dat het slachtoffer steekwond heeft aan de linkerzijde van de borst en dat de long is geraakt. Ook is het middenrif aan de linkerzijde verwond door een scherp voorwerp waardoor een snee is ontstaan in het middenrif. Voorts zijn er snijwonden aan het hoofd. Het steken met een mes in de borst waardoor de long wordt geraakt en het snijden in het hoofd kan naar mijn mening ook naar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op levensberoving dat het, behoudens contra- indicaties, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.</para>
    <para>Het middel faalt.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>5.1. Het derde middel klaagt ook over de veroordeling voor de eerste twee feiten, meer bepaald over de verwerping door het hof van een beroep op noodweer(exces).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>5.2. Onder het hoofd "Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte" heeft het hof het volgende overwogen:</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>"Beroep op noodweer dan wel noodweerexces </title>
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte ten aanzien van alle feiten heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. Op grond daarvan zou hij van alle rechtsvervolging ontslagen moeten worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
      <para>Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat het handelen van verdachte was geboden ter verdediging van zijn of eens anders lichaam tegen een ogenblikkelijke (dreigende) wederrechtelijke aanranding.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Parketnummer 08/910001-15, feiten 1 en 2</title>
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van het hof is uit de inhoud van het dossier niet aannemelijk geworden dat er op enig moment voor verdachte sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of dreiging daarvan, zodat niet aan de aan een noodweersituatie te stellen eisen is voldaan.</para>
      <para>Gelet op de wisselende verklaringen van verdachte, hecht het hof geen geloof aan de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat het, gelet op de verwondingen aan de handen van verdachte, niet anders kan dan dat [slachtoffer 1] toch een mes bij zich heeft gehad, waartegen verdachte zich (met een mes) mocht verweren. Verdachte heeft zelf eerder bij de politie verklaard dat [slachtoffer 1] geen mes bij zich had en ook overigens blijkt niet uit het dossier dat dat wel het geval was. </para>
      <para>Daarbij komt dat toen [slachtoffer 1] zich in het trapportaal bevond, verdachte zelf de voordeur heeft geopend en vervolgens dat portaal heeft betreden, gewapend met een mes dat hij kort daarvoor uit de keukenlade had gepakt. Verdachte was op dat moment de agressor, gericht op confrontatie met de zich buiten de woning bevindende [slachtoffer 1] .</para>
      <para>Nadat verdachte [slachtoffer 1] had gestoken en [slachtoffer 1] de trap afwankelde, zocht verdachte de confrontatie met [slachtoffer 2] die toen de trap opkwam naar het trapportaal. Ook ten aanzien van [slachtoffer 2] is niet aannemelijk geworden dat verdachte zich moest verdedigen tegen een (dreigende) aanval van [slachtoffer 2]. Het enkele feit dat [slachtoffer 2] een fietskettingslot met zich meevoerde maakt dat oordeel niet anders.</para>
      <para>Nu verdachte noch ten aanzien van [slachtoffer 1] noch ten aanzien van [slachtoffer 2] een beroep op noodweer toekomt, omdat er geen sprake was van een noodweersituatie, wordt het beroep op noodweerexces eveneens verworpen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Dat het hof niet duidelijk zou hebben gemaakt of het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen omdat de feiten die daaraan ten grondslag zijn gelegd volgens het hof niet aannemelijk zijn, dan wel omdat die feiten een beroep op noodweer niet kunnen dragen, zoals de steller van het middel aan het hof verwijt, kan ik niet onderschrijven. Volgens het hof bestond voor verdachte geen noodweersituatie maar heeft verdachte zelf de confrontatie gezocht. Het één is zeer wel met het andere te verenigen. Het hof heeft aan de bewering van verdachte, dat [slachtoffer 1] in het bezit was van een mes, geen geloof gehecht. Van de kant van [slachtoffer 2] dreigde volgens het hof ook geen aanval op verdachte.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De steller van het middel voert ook nog aan dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten wat de verdediging heeft aangevoerd over hetgeen onmiddellijk voor de bewezenverklaarde feiten is voorgevallen. De anderen zijn met geweld binnengedrongen in het gebouw door een portiekdeur te vernielen en dreigden de woning binnen te komen nadat zij daar ook een ruit hadden ingeslagen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte gezegd dat hij op bezoek was, dat hij met anderen op een gegeven moment beneden stond en dat toen mensen aan kwamen rennen met iets in hun handen. Toen is verdachte met de anderen weer teruggegaan de woning in. Hun tegenstanders vernielden de ruiten van het trappenhuis waardoor zij de deur konden openen en daarna kwamen zij naar boven. Zij vernielden een ruit van de voordeur en gingen bij de voordeur tekeer. Verdachte was bang dat zij binnen zouden komen. Toen is hij met een mes gewapend naar buiten gegaan om ze tegen te houden. Zo raakte hij in handgemeen met [slachtoffer 1] . [slachtoffer 2] kwam de trap op met een fietskettingslot. Daar sloeg hij mee en raakte verdachte. Verdachte heeft hem toen in de schouder gestoken Tevoren was er ruzie geweest met [slachtoffer 2] en de zijnen. Daar was verdachte niet bij betrokken.</para>
        <para>De advocaat van verdachte heeft zich beroepen op noodweer(exces) ten aanzien van alle feiten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Als door of namens verdachte een beroep op noodweer(exces) wordt gedaan zal de rechter dat verweer moeten onderzoeken. Daarbij kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de argumenten die de verdediging heeft aangevoerd.<footnote-ref linkend="_8b0609f5-e797-490d-9aaf-7c7a9addf0a1" /> De rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van een beroep op noodweer zijn vervuld. Die houden naar luid van het eerste lid van artikel 41 Sr in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.<footnote-ref linkend="_370b43c6-7dce-4f9e-8ff5-0e22d4559147" /></para>
        <para>Over noodweerexces overwoog de Hoge Raad in 2016 het volgende:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>"3.6.1. Noodweerexces kan in beeld komen bij een "overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging", dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.</para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>3.6.2.</nr>
        <para>Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:</para>
        <para>a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien</para>
        <para>b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding." <footnote-ref linkend="_7dff5eeb-d545-47f7-b209-78d9d72713bb" /></para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof heeft geen woord gewijd aan hetgeen zich in het portiek voor de woning heeft afgespeeld voordat verdachte de voordeur opende. Daarmee heeft het hof in het midden gelaten of de gebeurtenissen zoals de verdediging die heeft geschetst, zich inderdaad hebben voorgedaan, zodat in cassatie van de door de verdediging gestelde feiten moet worden uitgegaan. Het hof heeft er geen blijk van gegeven deze gebeurtenissen bij de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) te hebben betrokken. Het hof heeft weliswaar aangenomen dat er geen sprake was van een noodweersituatie en daarom het beroep op noodweer(exces) verworpen, maar heeft daarbij geen acht geslagen op deze onmiddellijk aan de bewezenverklaarde feiten voorafgegane fase.<footnote-ref linkend="_c077786c-8b15-481b-9fee-05bb4ab1c9cc" /> Zonder nadere motivering is niet in te zien dat het inslaan van de ruit van de voordeur van de woning waarin verdachte en anderen zich hadden teruggetrokken, nadat eerder de portiekdeur was geforceerd, niet ook kan worden aangemerkt als een wederrechtelijke aanranding.<footnote-ref linkend="_0636fd06-77cf-4f63-a16d-0cd5d314519e" /> Het oordeel van het hof dat "niet aannemelijk [is] geworden dat er op enig moment voor verdachte sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of dreiging daarvan" is daarom naar mijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.</para>
        <para>Het derde middel is terecht voorgesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Het vierde middel klaagt over de beslissing van het hof over de kosten van rechtsbijstand van de in haar vordering niet ontvankelijk verklaarde benadeelde partij [benadeelde partij] . Ingevolge artikel 592a Sv moet de rechter een beslissing geven over de kosten die door de benadeelde partij en verdachte zijn gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zijn te maken, ook als de benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering, maar in de onderhavige zaak had het hof deze kostenveroordeling moeten motiveren. Daartoe stelt het middel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij "volstrekt voorzienbaar was gelet op de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot zowel de zogeheten 'shockschade' als die met betrekking tot als (rechtstreekse) schade gevorderde kosten voor rechtsbijstand".</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Het hof heeft in zijn arrest aldus geoordeeld over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] :</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>"<emphasis role="bold">Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.749,27, waarvan € 1.737,- kosten rechtsbijstand. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Kosten rechtsbijstand</title>
    <parablock>
      <para>Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De kosten van rechtsbijstand zijn niet als zodanige rechtstreekse schade aan te merken (vgl. HR 21 september 1999, NJ 1999, 801). Dat brengt mee dat dergelijke kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de in art. 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voorziene maatregel. Uit genoemd arrest volgt voorts dat indien een benadeelde partij dergelijke proceskosten als onderdeel van de schade in de zin van art. 51a Sv vordert, zij in zoverre in die vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een redelijke uitleg van art. 592a Sv brengt wel mee dat bij de begroting van de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van een benadeelde partij dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures (vlg. HR 29 mei 2001, NJ 2002, 123). Dat houdt in dat ter zake van de kosten als bedoeld in art. 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een vergoeding wordt toegekend op de voet van het in art. 56 e.v. Rv bepaalde en dat eventuele verdere, aangetoonde kosten van rechtsbijstand met inachtneming van het bepaalde in art. 57, zesde lid, Rv voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal in dit geval uitgaan van het liquidatietariefrechtbanken en hoven per 1 november 2004, zoals vastgesteld in overleg tussen vertegenwoordigers van de rechterlijke macht en de Nederlandse Orde van Advocaten en met ingang van 1 september 2008 aangepast aan de Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer. Het hof stelt daarbij naar redelijkheid en billijkheid het indienen van het verzoek tot schadevergoeding gelijk aan een conclusie na comparitie of enquête (0,5 punt) en - indien daar sprake van is - het bijwonen van de zitting bij de rechtbank en het hof gelijk aan het bijwonen van een enquête aan de zijde van de wederpartij (telkens 0,5 punt). </para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>De raadsman is in eerste aanleg eenmaal ter zitting verschenen en in hoger beroep eenmaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek tot schadevergoeding ad € 21.749,27 is ingediend door de raadsman van de benadeelde partij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het tarief is in casu tarief III, waar ieder punt wordt gewaardeerd op € 579,- zodat de kosten van rechtsbijstand worden bepaald op € 868,50."</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>De kosten van rechtsbijstand van de benadeelde partij zijn niet als rechtstreekse schade in de zin van artikel 51f Sv aan te merken. Deze kosten kunnen inderdaad ook niet betrokken worden bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.<footnote-ref linkend="_3266a971-124a-4941-bc4a-37c61d1f7fa7" /> De wettelijke voorschriften over de motivering van rechterlijke uitspraken strekken zich niet uit tot de in zo een uitspraak opgenomen beslissing over het bedrag van de kosten van de benadeelde partij, noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend.<footnote-ref linkend="_3ce74218-448a-41ba-bb15-6291c1835410" /> Maar de Hoge Raad heeft wel geoordeeld dat de beslissing om verdachte te veroordelen tot de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt in een geval waarin de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen, nadere motivering behoeft.<footnote-ref linkend="_39e560e2-3831-4c76-9668-5d0119d9f3ef" /> In die zaak deed zich echter de eigenaardigheid voor dat het hof niet voldoende gebleken achtte dat de gestelde schade rechtstreeks door verdachtes bewezenverklaarde handelen was veroorzaakt. Het hof besliste dat daarom de benadeelde partij niet in haar vordering kon worden ontvangen. Dat in zo een geval de beslissing van het hof om toch de kosten voor rechtsbijstand van de benadeelde partij volkomen ten laste te laten komen van de verdachte een nadere motivering vergt lijkt mij alleszins redelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>Het eerste lid van artikel 237 Rv bepaalt dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld in de kosten wordt veroordeeld. Wel kan de rechter de kosten compenseren en de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte. Wanneer de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat de behandeling van de vorderingen een te zware belasting voor het strafproces zou betekenen, wil dat nog niet zeggen dat de benadeelde partij bij vonnis in het ongelijk is gesteld of dat kosten nodeloos zijn gemaakt. Kosten worden nodeloos gemaakt of veroorzaakt bijvoorbeeld als men een evident kansloos proces begint, kansloze stellingen en verweren poneert, een overbodig of prematuur proces aanlegt, te laat of ondeugdelijk stellingen, feiten of processtukken levert.<footnote-ref linkend="_e6f3f00e-b76d-41cd-90d6-9d7dce57a457" /> Over de proceskosten bij bijzondere procedurele verwikkelingen, zoals bij incidenten, vorderingen tot voeging en tussenkomst in de civiele procedure, verzoeken tot vrijwaring, reconventie, geldt dat als uit de beslissing ten principale volgt dat de incidentele vordering terecht is voorgesteld de in de hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij ook de kosten van het incident heeft te dragen, tenzij duidelijk is dat tussen het een en het ander geen verband bestaat.<footnote-ref linkend="_bfae3435-589e-4397-9d4e-fc633e53c188" /> Het belang van de benadeelde partij bij voeging in het strafproces is er in gelegen dat schadevergoeding voor een strafbaar feit kan worden verkregen op een minder belastende, gecompliceerde en tijdrovende wijze dan via een civiele procedure. Ook als de strafrechter niet toekomt aan de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij diende de voeging een gerechtvaardigd belang.<footnote-ref linkend="_94d2dde0-d3fc-44f9-965e-1c67121addb5" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>Het komt mij voor dat Borgers in zijn noot onder NJ 2011, 223, verwijzend naar de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot mr. Jörg in die zaak<footnote-ref linkend="_fc2de4dd-bf77-4cab-9869-9d995c97bcac" />, een redelijk uitgangspunt formuleert voor de kostenverdeling. Uitgegaan dient te worden van de redelijkheid van de voeging door de benadeelde partij. Gaat het om een bij voorbaat kansloze vordering dan ligt het niet voor de hand de verdachte met de kosten van rechtsbijstand van de benadeelde partij op te zadelen. Zo een bij voorbaat kansloze vordering zal evenwel door de feitenrechter niet worden toegewezen. Daarbij past een kostenveroordeling voor de in het ongelijk gestelde benadeelde partij. Als de strafrechter de benadeelde partij echter niet-ontvankelijk verklaart omdat de behandeling van de vordering een te zware belasting van het strafproces vormt ligt het anders. De benadeelde partij mag proberen de strafrechter te laten beslissen op zijn vordering tot schadevergoeding. Er zijn immers nauwelijks vastomlijnde criteria aan te wijzen die de strafrechter gebruikt om invulling te geven aan zijn bevoegdheid de behandeling van de vordering toe te laten.  De beslissing over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering hangt af van waarderingen en wegingen van feitelijke aard. Maar als de strafrechter slechts vaststelt dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een te zware belasting van het strafproces is en dat de benadeelde partij zich maar tot de civiele rechter moet wenden lijkt mij dat, in combinatie met de veroordeling voor het strafbaar feit dat ten grondslag lag aan de vordering van de benadeelde partij, voldoende motivering.<footnote-ref linkend="_9d1b8611-651a-43e7-8d2b-ad882bb6eeb3" /> NJ 2011, 223 betrof zo een eigenaardig gemotiveerde beslissing van het hof over de vordering van de benadeelde partij dat het alleszins gerechtvaardigd was om daar een nadere motivering te eisen. In de onderhavige zaak ligt mijns inziens de motivering al besloten in het arrest. Het hof heeft immers verdachte veroordeeld voor het feit dat aan de vordering van de benadeelde partij ten grondslag lag, maar heeft gemeend dat die vordering een te zware belasting voor het strafproces zou vormen. Daarom heeft de verdachte bij dit middel naar mijn mening geen belang.</para>
      <para />
      <para>7. Het derde middel komt mij gegrond voor te zijn. De overige middelen zijn naar mijn mening tevergeefs voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.</para>
      <para />
      <para>8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen betreft over de strafbaarheid van feit en dader ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten onder parketnummer 08-910001-15 onder 1 en 2, de sanctiebepaling en de overige beslissingen die met de veroordeling voor die feiten samenhangen, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>							De Procureur-Generaal</para>
        <para>						bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_f53b9a40-d97a-43f5-a85c-b4046ac74bf3" label="1">
    <para>Kamerstukken 2005/06, 30320, nr. 3, p.7/8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_40e17b9a-039b-4847-af1b-82fb5c6ea8fb" label="2">
    <para>Vgl. HR 4 juni 1991, NJ 1991, 809; HR 10 december 2002, ECLI 2002:AE9632; HR 6 september 2005, ECLI:2005:AT7553; HR 20 februari 2007, ECLI:2007:AZ5717; HR 21 mei 2013, NJ 2015, 277 m.nt. Mevis.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_883a9baa-c9c4-4b03-8a86-f9a37b488e88" label="3">
    <para>In HR 19 april 2016, NJ 2016, 258 m.nt. Keijzer stond niet vast dat verdachte had gestoken. De HR oordeelde toen dat het bewijs van het voorwaardelijk opzet ontoereikend was.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_57fc5088-b7ca-4ddc-9612-6851a9edd410" label="4">
    <para>Bijv. HR 8 april 2008, ECLI:2008:BC5982; HR 6 november 2012, ECLI:2012:BX8482; HR 24 november 2015, NJ 2016, 59 m.nt. Keijzer.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8b0609f5-e797-490d-9aaf-7c7a9addf0a1" label="5">
    <para>HR 22 maart 2016, ECLI:2016:456 rov. 3.1.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_370b43c6-7dce-4f9e-8ff5-0e22d4559147" label="6">
    <para>HR 4 oktober 2011, ECLI:2011:BR2329; HR 24 januari 2012, ECLI:2012:BU5241; HR 24 september 2013, NJ 2014, 277 m.nt. Keulen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7dff5eeb-d545-47f7-b209-78d9d72713bb" label="7">
    <para>HR 22 maart 2016, ECLI:2016:456.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c077786c-8b15-481b-9fee-05bb4ab1c9cc" label="8">
    <para>HR 4 januari 2005, ECLI:2005:AR5735: HR 8 maart 2011, ECLI:2011:BP0324; HR 11 februari 2014, ECLI:2014:298:</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0636fd06-77cf-4f63-a16d-0cd5d314519e" label="9">
    <para>HR 22 april 2014, ECLI:2014:971.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3266a971-124a-4941-bc4a-37c61d1f7fa7" label="10">
    <para>HR 18 april 2000, NJ 2000, 413.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3ce74218-448a-41ba-bb15-6291c1835410" label="11">
    <para>HR 29 mei 2001, NJ 2002, 123 m.nt. Cleiren; HR 26 februari 2002, ECLI:2002:AD8866.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_39e560e2-3831-4c76-9668-5d0119d9f3ef" label="12">
    <para>HR 23 november 2010, NJ 2011, 223 m.nt. Borgers.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e6f3f00e-b76d-41cd-90d6-9d7dce57a457" label="13">
    <para>Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, 4 Nodeloos aangewende of veroorzaakte kosten (lid 1) bij: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Artikel 237 (mr. dr. R.H. de Bock).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bfae3435-589e-4397-9d4e-fc633e53c188" label="14">
    <para>Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, 15 Proceskosten bij bijzondere procedurele verwikkelingen bij: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Artikel 237 (mr. dr. R.H. de Bock).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_94d2dde0-d3fc-44f9-965e-1c67121addb5" label="15">
    <para>Zie HR 10 juni 1988, NJ 1989, 30 m.nt. J.B.M. Vranken, waarin het hof de incidenteel appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door haar ingestelde incidenteel appel en thaar veroordeelde in de kosten van dat appel, omdat het verweer dat in eerste aanleg is gevoerd en door de rechtbank verworpen, ook zonder incidenteel appel door het hof zou zijn behandeld. De HR overwoog daarentegen dat het instellen van incidenteel appel, ter verzekering van behandeling van een verweer in hoger beroep, welk verweer in eerste aanleg buiten behandeling is gebleven of verworpen en in hoger beroep is gehandhaafd, niet zonder enige belang is geschied. Daa</para>
    <para>rom was er geen grond voor een kostenveroordeling van de partij die incidenteel appel had ingesteld.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc2de4dd-bf77-4cab-9869-9d995c97bcac" label="16">
    <para>Mr. Jörg schreef dat als vertrekpunt kan gelden dat in de strafrechtspraak juist houding of gedragingen van verdachte aanleiding geven voor de civiele voeging. Daaruit volgt dat de benadeelde partij ten aanzien van de kostenveroordeling een gunstige startpositie heeft. Deze terminologie lijkt rechtstreeks te zijn ontleend aan HR 23 maart 1979, NJ 1980, 125 m.nt. W.H. Heemskerk, waarin de HR overwoog: "Als 'bij vonnis in het ongelijk gesteld' is immers te beschouwen niet alleen de partij wier standpunt door de rechter onjuist wordt bevonden, maar ook de partij, die door haar houding of gedragingen aanleiding tot de vordering heeft gegeven. In het algemeen moet ervan worden uitgegaan, dat het instellen van een rechtsvordering zijn aanleiding vindt in houding of gedragingen van de gedaagde."</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9d1b8611-651a-43e7-8d2b-ad882bb6eeb3" label="17">
    <para>Ik wijs er nog op dat de advocaat in hoger beroep heeft aangevoerd dat de vorderingen van benadeelde partijen niet konden worden toegewezen, althans zich niet leenden voor behandeling in de strafzaak, gelet op het aandeel van [slachtoffer 2] en slachtoffer [slachtoffer 1] en diens zoon in het geheel.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>