<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2016:119</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-04-29T12:05:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2016-03-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/00343</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2016:768" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:768, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2016:119">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2016:119</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-04-29T08:08:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-04-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2016:119 Parket bij de Hoge Raad , 11-03-2016 / 16/00343</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2016:119:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 80a lid 1 BW. Onrechtmatige daad. Vordering tegen bank wegens executie op grond van hypotheekrecht. Invloed beslissingen eerdere procedure. Verjaring.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2016:119:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>16/00343</para>
  <para>mr. J. Spier</para>
  <para>Zitting 11 maart 2016 (Art. 80a )</para>
  <para />
  <para>conclusie inzake</para>
  <para />
  <para>						[eiser 1] en [eiseres 2]</para>
  <para />
  <para>						tegen</para>
  <para />
  <para>						ING Bank N.V.</para>
  <para />
  <para>1. Deze zaak gaat over (de nasleep van) kredietverlening waarover reeds eerder in drie instanties is geprocedeerd en waarbij [eiser] c.s. aan het kortste eind trokken. In dit tijdig ingestelde cassatieberoep wagen zij een nieuwe poging op een andere grondslag.</para>
  <para />
  <para>2. De <emphasis role="italic">middelen 1-4 </emphasis>richten zich tegen ’s Hofs beslissing in het incident. Nu het Hof in het arrest ten gronde tot een voor [eiser] c.s. negatief oordeel is gekomen, had het niet tot een andere slotsom kunnen komen dan die welke in het incident is bereikt. De klachten stuiten reeds daarop af.</para>
  <para />
  <para>3. De <emphasis role="italic">middelen 5- 14</emphasis> zien eraan voorbij dat ’s Hofs oordeel over de in de bestreden rechtsoverwegingen op twee zelfstandige gronden berust. De tweede grond is verankerd in rov. 3.14. Tegen dat laatste oordeel behelst het slot van <emphasis role="italic">middel 14</emphasis> een klacht, maar deze miskent dat de genoemde rechterlijke uitspraken onherroepelijk zijn geworden. Ik heb me de vraag gesteld of al hetgeen volgt niet reeds hierop afketst. Volledigheidshalve bespreek ik de klachten toch.</para>
  <para />
  <para>4.<emphasis role="italic"> Middel 15</emphasis> is niet (voldoende) begrijpelijk.</para>
  <para />
  <para>5. Bij de afdoening van de resterende klachten stel ik voorop dat cassatie niet de plaats is om de partijdiscussie voort te zetten, noch ook om uit te halen naar rechters of rechterlijke uitspraken in eerste aanleg en nog minder in eerdere en reeds afgeronde procedures. Veel van de vaak oeverloze beschouwingen gaan aan dit euvel mank.</para>
  <para />
  <para>6. Het met diverse krachttermen en beschuldigingen versierde <emphasis role="italic">middel 16</emphasis> lijkt te zijn gebaseerd op de veronderstelling dat de Hoge Raad een derde feitelijke instantie is. Dat is evenwel niet het geval. Het warrige betoog maakt niet goed duidelijk wat er nauwkeurig schort aan rov. 3.21 en hetgeen daaraan voorafgaat. </para>
  <para />
  <para>7. De <emphasis role="italic">middelen 17 en 18</emphasis> zijn onbegrijpelijk. <emphasis role="italic">Middel 19</emphasis> behelst vooral misplaatste verwijten van partijdigheid aan het Hof; voor het overige is het slechts gestoeld op speculaties.</para>
  <para />
  <para>8. <emphasis role="italic">Middel 20</emphasis> blijft hangen in de inleidende dagvaarding en miskent dat het daarop niet meer aankomt nu [eiser] c.s. in prima in het ongelijk zijn gesteld.</para>
  <para />
  <para>9.  9. <emphasis role="italic">Middel 21</emphasis> ventileert in de eerste plaats voortbouwende klachten; deze delen het lot van hun voorgangers. De klacht(en) over de feitenvaststelling door de Rechtbank missen belang nu het Hof zelf feiten heeft vastgesteld in rov. 3.1 en 3.2 waartegen geen klachten zijn gericht. De slotklacht berust op een verkeerde lezing.</para>
  <para />
  <para>10. De <emphasis role="italic">middelen 22 en 23</emphasis> kanten zich tegen obiter dicta en doen niet ter zake.</para>
  <para />
  <para>11. Onduidelijk is of hetgeen aan het slot staat onder “Verzoeken zijdens [eiser] c.s.” onderdeel uitmaakt van <emphasis role="italic">middel 23</emphasis>. Als de ontboezeming bedoeld is als een zelfstandige klacht mislukt zij omdat duister is in welk opzicht de stellingen te vinden in de mvg onder 9, 31 en 47 toe of afdoen aan ’s Hofs oordeel.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Conclusie</emphasis>
    </para>
    <para>Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. met toepassing van art. 80a RO.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>				De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>				Advocaat-Generaal</para>
  </parablock>
  <para />
</conclusie>
</open-rechtspraak>