<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2016:1062</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-11-16T00:00:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-11-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2016-09-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/01560</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2016:2585" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#contrair">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2585, Contrair</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2016:1062">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2016:1062</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-11-15T10:03:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-11-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2016:1062 Parket bij de Hoge Raad , 06-09-2016 / 15/01560</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2016:1062:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uitkeringsfraude. Strafoplegging. Slagende motiveringsklacht. Het hof heeft blijkens zijn strafmotivering klaarblijkelijk ten bezware van de verdachte in aanmerking genomen "dat het handelen van de verdachte (...) ook voor haar zelf profijtelijk is geweest en dat dat voor haar het doorslaggevende motief voor haar handelen was". Noch de processen-verbaal van de t.t.z-en, noch de stukken waarvan aldaar de korte inhoud is medegedeeld, houden evenwel iets in waaruit zulks kan worden afgeleid. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders. Samenhang met 15/01558 en 15/02358.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2016:1062:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 15/01560</para>
            <para>Zitting: 6 september 2016</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. P.C. Vegter</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [verdachte] </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <orderedlist numeration="arabic">
    <listitem>
      <para>De verdachte is bij arrest van 24 maart 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en valsheid in geschrift” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en tot een geldboete van € 25.000,–, subsidiair 160 dagen hechtenis.</para>
      <para />
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Er bestaat samenhang met de zaken 15/01558 en 15/02358. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.</para>
      <para />
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Namens de verdachte heeft mr. C.W. Noorduyn, advocaat te ’s-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.<footnote-ref linkend="_fe45f256-6407-4a90-b6f2-574a5c19bcb6" /></para>
      <para />
    </listitem>
  </orderedlist>
  <para>4. Het <emphasis role="underline">middel</emphasis> klaagt dat het hof de strafoplegging onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, nu het daarin heeft meegewogen dat het bewezenverklaarde handelen ook voor de verdachte profijtelijk moet zijn geweest. </para>
  <para />
  <para>5. De bestreden uitspraak houdt onder meer in:</para>
  <para>“Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft als werkgever gedurende een periode van bijna vijf jaren uitzendovereenkomsten en aanvraagformulieren voor uitkeringen opgemaakt, die waren gebaseerd op valse loongegevens. Op basis daarvan zijn door de betreffende (zogenaamde) werknemers uitkeringen aangevraagd en ontvangen, waar zij geen recht op hadden. De verdachte heeft hiermee het vertrouwen beschaamd dat de uitkeringsinstanties in de echtheid en juistheid van documenten van werkgevers moeten kunnen stellen. Het hof acht voorts aannemelijk dat het handelen van de verdachte - dat haar in staat heeft gesteld om op naam van de betrokken (fictieve) werknemers onbekenden te laten werken - ook voor haar zelf profijtelijk is geweest en dat dat voor haar het doorslaggevende motief voor haar handelen was. Het hof rekent de verdachte het bewezen verklaarde ernstig aan. Feiten als de onderhavige ondermijnen het sociale verzekeringsstelsel.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voorts heeft het hof in aanmerking genomen een voorlichtingsrapport van de reclassering d.d. 28 december 2006.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Daarnaast heeft het hof in zijn oordeel betrokken dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep omtrent haar persoonlijke omstandigheden heeft verklaard dat zij schulden heeft en betalingsregelingen heeft getroffen en dat zij nog steeds als werkgever optreedt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 februari 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft haar er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke geldboete alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf een passende en geboden reactie vormen. In de ernst van de feiten en de omstandigheid dat de verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld ziet het hof aanleiding een voorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd, zulks teneinde de verdachte, die nog steeds optreedt als werkgever, ervan te weerhouden zich in de nabije toekomst wederom aan strafbare feiten als de onderhavige schuldig te maken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken ter terechtzitting in hoger beroep.”</para>
    <para />
  </parablock>
  <para>6. In de toelichting op het middel wordt op zichzelf terecht opgemerkt dat uit het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden afgeleid dat en in welke zin het bewezenverklaarde handelen voor de verdachte voordeel heeft opgeleverd. De nadruk in de strafmotivering ligt erop dat door handelen zoals dat in de onderhavige bewezenverklaring centraal staat het sociale verzekeringsstelsel onder druk komt te staan. Met de door het middel bedoelde overweging heeft het hof kennelijk niet meer tot uitdrukking willen brengen dan dat de verdachte kan worden verweten dat zij haar persoonlijke, al dan niet geldelijke belangen zwaarder heeft laten wegen dan het algemeen belang. In aanmerking genomen dat het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte als werkgever meermalen valsheid in geschrift heeft gepleegd met betrekking tot meerdere werknemers is niet onbegrijpelijk dat het hof niet aannemelijk heeft geacht dat de verdachte onbaatzuchtig zal hebben gehandeld.</para>
  <para />
  <para>7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.</para>
  <para />
  <para>8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
  <para />
  <para>9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>AG</para>
  </parablock>
  <para />
  <footnote id="_fe45f256-6407-4a90-b6f2-574a5c19bcb6" label="1">
    <para> De op 12 november 2015 ingediende schriftuur bevat twee cassatiemiddelen. Bij brief van 28 januari 2016 heeft de raadsvrouwe laten weten het eerste middel in te trekken.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>