<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2015:372</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T23:19:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-04-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2015-03-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/00203</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2015:879" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#contrair">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:879, Contrair</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2015:372">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2015:372</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-04-07T13:30:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2015:372 Parket bij de Hoge Raad , 10-03-2015 / 14/00203</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2015:372:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>1. Motivering verwerping gevoerde verweren. 2. Verzuim te beslissen op voorwaardelijke verzoeken? Ad 1. Het Hof heeft de gevoerde verweren verworpen op gronden die zijn beslissing kunnen dragen. ’s Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing in cassatie is geen plaats. Ad 2. ’s Hofs kennelijke oordeel dat geen uitdrukkelijke beslissing was vereist op de in het middel bedoelde verzoeken is niet onbegrijpelijk, nu (i) het Hof de door de raadsman overgelegde brief van de behandeld psycholoog in zijn beoordeling van de zaak heeft betrokken, (ii) aan verdachte geen straf of maatregel heeft opgelegd, en (iii) het door de raadsman aangevoerde klaarblijkelijk aldus heeft verstaan dat de verzoeken slechts zijn gedaan voor het zich hier niet voordoende geval dat het hof “mocht (…) neigen naar een veroordeling van cliënte dan wel meer onderbouwing verlangen van het door de verdediging in te nemen standpunt”. Conclusie AG: anders.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2015:372:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 14/00203 </para>
            <para>Zitting: 10 maart 2015</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. Vegter</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [verdachte]
              </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <parablock>
    <para>1. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 7 september 2012 de verdachte veroordeeld ter zake van “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2. Namens verdachte heeft mr. L. Bien, advocaat te Maastricht, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>3. Het <emphasis role="underline">middel</emphasis> klaagt over de verwerping van het verweer dat sprake was van een ziekelijke stoornis dan wel een overmachtssituatie en voorts dat het Hof ten onrechte geen beslissing heeft genomen omtrent het door de raadsman van de verdachte gedane (voorwaardelijke) verzoek om een getuige-deskundige op te roepen dan wel nader onderzoek te doen. <?linebreak?></para>
    <para>4. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2012 heeft de raadsman van verdachte aldaar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover hier van belang, het volgende in:</para>
    <para>“Mocht u op grond van het dossier en het vandaag verhandelde ter terechtzitting neigen naar een veroordeling van cliënte dan wel meer onderbouwing verlangen van het door de verdediging in te nemen standpunt, doe ik u bij dezen het (voorwaardelijk) verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden en psychologe drs. I.D. Kalinitsch op te roepen ten einde te worden gehoord als getuige-deskundige dan wel een onafhankelijke deskundige aan te wijzen om cliënte te laten onderzoeken.”</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5. Dit op de terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek van de raadsman om drs. Kalinitsch als getuige-deskundige te horen dan wel een onafhankelijk deskundige aan te wijzen om verdachte te laten onderzoeken, is  een verzoek als bedoeld in art. 315 in verbinding met art. 328 Sv. Nu de voorwaarde waarvan het verzoek afhankelijk is gemaakt is vervuld – het Hof heeft immers verdachte veroordeeld – was een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek vereist. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt een beslissing in op dit verzoek. Dit verzuim heeft ingevolge art. 330 in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg. Het middel klaagt daarover terecht.<footnote-ref linkend="_aad79732-43b9-4fb5-8a29-4c2cfb063aad" /></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>6. In aanmerking genomen dat deze klacht slaagt, laat ik bespreking van het middel voor het overige buiten bespreking. Ingeval de Hoge Raad dit anders ziet, houd ik mij gereed op deze punten een aanvullende conclusie te nemen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>7. Het middel is terecht voorgesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>8. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Namens verdachte is op 21 september 2012 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 31 december 2013 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De inzendtermijn van acht maanden is derhalve in ruime mate overschreden.  Alleen al daardoor staat vast dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Als de Hoge Raad zou besluiten tot vernietiging van het bestreden arrest zal de rechter naar wie de zaak wordt verwezen of teruggewezen over deze schending van de redelijke termijn in de cassatiefase moeten oordelen.<?linebreak?></para>
    <para>9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.   </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>   bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>					AG</para>
  </parablock>
  <footnote id="_aad79732-43b9-4fb5-8a29-4c2cfb063aad" label="1">
    <para> Vgl. o.a. HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7960, HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR2011:BQ5720, HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:BN4133 en HR 9 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0505.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>