<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2015:319</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T11:47:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-03-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2015-03-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/00003</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2015:1196" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1196, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2015:319">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2015:319</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-05-01T09:22:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2015:319 Parket bij de Hoge Raad , 20-03-2015 / 15/00003</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2015:319:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 80a lid 1 RO. Huurrecht. Recht op gebruik bergruimte? Gevolgen contractsoverneming, art. 6:159 BW. Tegenprestatie, art. 7:201 BW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2015:319:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnr. 15/00003</para>
  <para>					Mr M.H. Wissink</para>
  <para>Zitting van 20 maart 2015</para>
  <para />
  <para>				Conclusie inzake art. 80a RO</para>
  <parablock>
    <para>in de zaak van:</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [eiseres],</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eiseres tot cassatie, </para>
      <para>(hierna: [eiseres])</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verweerster],</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verweerster in cassatie,</para>
      <para>(hierna: [verweerster])</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>1. Het bij dagvaarding van 15 december 2014 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 16 september 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4048, WR 2015/33 m.nt. De Waal). [verweerster] vorderde een verklaring voor recht dat zij krachtens huurovereenkomst gerechtigd is tot het gebruik van de bergruimte op de begane grond van het pand. [eiseres] heeft dat weersproken en in reconventie ontruiming van de bergruimte gevorderd. De kantonrechter heeft de vordering van [verweerster] afgewezen en die van [eiseres] toegewezen. Het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering van [verweerster] alsnog jegens [eiseres] toe en wees de vordering van [eiseres] alsnog af.</para>
    <para />
    <para>2. [verweerster] huurt al ruim drie decennia een woning op de eerste verdieping in een groot pand in [woonplaats], sinds 1999 van [A] en thans van diens rechtsopvolger [B]. In de loop der jaren is de eigendom, de indeling en het gebruik van het pand als geheel veranderd. Aanvankelijk gebruikte [verweerster] (i) een bergruimte op de zolder, (ii) later een inpandige berging op de begane grond en (iii) nog weer later een zelfstandige bergruimte op de begane grond rechtsvoor. [verweerster] huurde de onder (i) respectievelijk (ii) bedoelde bergruimten van [A] (arrest rov. 3.5 en 3.6). </para>
    <para>Na splitsing van het pand in 2002 verkreeg [C] c.s. aanvankelijk de appartementsrechten op de begane grond met uitzondering van het appartementsrecht voor de inpandige berging, dat bij [A] bleef. Bij een wijziging van de splitsingsakte tussen [C] c.s. en [A] in 2005 verkreeg [C] c.s. ook de eigendom van de inpandige berging. [C] c.s. hebben de onder (iii) bedoelde zelfstandige bergruimte op de begane grond rechtsvoor gecreëerd. Het hof heeft in rov. 3.7 en 3.8 geoordeeld dat [verweerster] deze bergruimte is gaan huren van [C] c.s. [eiseres] is met [D] de rechtsopvolger van [C] c.s.</para>
    <para />
    <para>3. De klachten (onder A tot en met E) van het cassatiemiddel rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. </para>
    <para />
    <para>4. <emphasis role="underline">Onderdeel A</emphasis> komt met een rechtsklacht op tegen rov. 3.7 en 3.8. De klacht komt er in de kern op neer dat het hof de gevolgen van de contractsoverneming (art. 6:159 BW) ter zake van de huur van de bergruimte door [C] c.s. had moeten vaststellen nu van een huurovereenkomst tussen [C] c.s. en [verweerster] geen sprake kan zijn zonder tegenprestatie van [verweerster] in relatie tot [C] c.s. (art. 7:201 BW). </para>
    <parablock>
      <para>Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het berust op een onjuiste lezing van het arrest.<footnote-ref linkend="_f9b79f95-4079-4540-a554-bb48dcb5d310" /> Het onderdeel veronderstelt dat volgens het hof de overgang van de huur voor de bergruimte op [C] c.s. niet heeft geleid tot aanpassing van de oorspronkelijke huurovereenkomst voor wat betreft de aan [A] verschuldigde huurprijs en niet heeft geleid tot verschuldigdheid van huur aan [C] c.s. en de rechtsopvolgers [eiseres] en [D] voor wat betreft de bergruimte. Uit rov. 3.8 blijkt echter dat het hof oordeelt dat [verweerster] de huurprijs voor de woning en bergruimte thans verschuldigd is aan (de rechtsopvolger van) [A] voor wat betreft de woning en aan (de rechtsopvolger van) [C] c.s. voor wat betreft de berging, zodat aan art. 7:201 BW is voldaan. De verhuurder van de woning op de eerste verdieping en de verhuurder van de berging (thans [eiseres] en [D]) moeten volgens het hof daarom een afspraak maken over de splitsing van de huursom.</para>
      <para>Dat [verweerster] de totale huur steeds is blijven betalen aan (de beheerder voor)<footnote-ref linkend="_6e0bf7c0-e1c3-4cfc-9227-d239f163c086" /> de verhuurder van de woning staat er daarom niet aan in de weg dat ook in de relatie tussen [eiseres] als rechtsopvolger van [C] c.s. en [verweerster] sprake is van een huurovereenkomst. In het oordeel van het hof ligt besloten dat [verweerster] in beginsel (de beheerder voor) de verhuurder van de woning mocht beschouwen als betaaladres, ook voor de huursom die verschuldigd was voor de zelfstandige bergruimte op de begane grond rechtsvoor; in deze zin moet de passage in rov. 3.8 worden begrepen waarin het hof overweegt dat [verweerster] “aan [C] c.s. of aan [eiseres] en [D] nooit enig bedrag aan huur heeft betaald”. </para>
    </parablock>
    <para>
      <?linebreak?>5. <emphasis role="underline">Onderdeel B</emphasis> berust op dezelfde onjuiste lezing van het arrest als onderdeel A en faalt om de bij 4 aangegeven redenen. Voorts is het hof, anders dan onderdeel B aanvoert, wel ingegaan op de stelling van [eiseres] (in de MvA nr. 17) over het bestaan van een tegenprestatie voor het gebruik van de berging.</para>
    <para />
    <para>6. <emphasis role="underline">Onderdeel D</emphasis> klaagt ten onrechte dat het hof is afgeweken van de vordering. Het hof heeft aan de door [verweerster] gevorderde verklaring voor recht de woorden “jegens [eiseres]” toegevoegd, omdat [D] niet was gedagvaard en een verklaring voor recht niet tegen deze kon worden gegeven (zie rov. 3.10). Het hof heeft de vordering van [verweerster] in deze zin mogen opvatten. De afwijking die het onderdeel in het dictum leest, kan daarin mijns inziens niet gelezen worden.</para>
    <para />
    <para>7.  <emphasis role="underline">Onderdeel C</emphasis> en <emphasis role="underline">onderdeel E</emphasis> bevatten klachten die slechts voortbouwen op de onderdelen A en B respectievelijk A tot en met D. Zij falen in het verlengde daarvan.</para>
    <para />
    <para>8. Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_f9b79f95-4079-4540-a554-bb48dcb5d310" label="1">
    <para> In het midden kan blijven of het hof het oog heeft gehad op art. 6:159 BW. Het hof plaatst het woord “overnemen” in rov. 3.7 immers tussen aanhalingstekens en geeft aan dat de afspraak tussen [C] c.s. en [verweerster] over de berging op de begane grond rechtsvoor een wijziging was van de huurrelatie met betrekking tot de inpandige berging, welke relatie tussen hen krachtens art. 7:226 BW reeds bestond of zou gaan bestaan.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6e0bf7c0-e1c3-4cfc-9227-d239f163c086" label="2">
    <para> Blijkens rov. 3 van het vonnis van de kantonrechter van 7 januari 2014 heeft [verweerster] gesteld dat zij de huurprijs betaalt aan de beheerder van de eigenaar/verhuurder van de eerste etage van het pand, zijnde thans de firma [E].</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>