<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2014:672</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T03:53:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2014-06-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/02526</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2014:1683" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1683, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:672">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:672</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-07-11T10:07:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2014:672 Parket bij de Hoge Raad , 13-06-2014 / 14/02526</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2014:672:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 81 lid 1 RO. Wet Bopz. Geldingsduur voorwaardelijke machtiging zes maanden na verstrijken vorige machtiging of na dagtekening beschikking (art. 14c lid 1 Wet Bopz)?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2014:672:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para>14/02526	</para>
    <para>				Mr. F.F. Langemeijer</para>
    <para>13 juni 2014 </para>
    <para />
    <para>					Conclusie inzake:</para>
    <para />
    <para>						[betrokkene]</para>
    <para />
    <para>						tegen</para>
    <para />
    <para>						Officier van Justitie te Rotterdam</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze Bopz-zaak gaat het om de geldigheidsduur van een voorwaardelijke machtiging.</para>
    </parablock>
    <para />
  </conclusie.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>De feiten en het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In cassatie kan m.i. worden uitgegaan van de volgende feiten:</para>
      <paragroup>
        <nr>1.1.1.</nr>
        <para>Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2013 is ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) een voorwaardelijke machtiging verleend als bedoeld in art. 14a Wet Bopz, met een geldigheidsduur tot 9 januari 2014<footnote-ref linkend="_b59b7df1-1d42-4600-9a0c-7855ca46fb31" />.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.1.2.</nr>
        <para>Op 29 oktober 2013 heeft de geneesheer-directeur van het aangewezen psychiatrisch ziekenhuis, Bouman GGZ te Rotterdam, betrokkene op de voet van art. 14d Wet Bopz onvrijwillig doen opnemen in dat ziekenhuis. Als gevolg van dit besluit is de onder 1.1.1 genoemde voorwaardelijke machtiging van rechtswege omgezet (geconverteerd) in een voorlopige machtiging met een geldigheidsduur tot 9 januari 2014<footnote-ref linkend="_20b3d2b0-1235-4aa7-859a-838e5cec58a1" />.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij inleidend verzoekschrift, bij de rechtbank ingediend op 3 januari 2014, heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht een voorwaardelijke machtiging te verlenen. Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd d.d. 18 december 2013, ondertekend door de geneesheer-directeur, die betrokkene met het oog daarop heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [de psychiater]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het verzoek behandeld ter zitting van 20 januari 2014 in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsvrouwe en de ambulant begeleidster vanuit het ziekenhuis. Na een discussie over de te stellen voorwaarden heeft de rechtbank de behandeling aangehouden ten einde een nieuw plan te doen opstellen. Op 11 februari 2014 heeft de behandelaar een nieuwe behandelovereenkomst met voorwaarden aan de rechtbank gezonden, welke door betrokkene is ondertekend. Bij brief van 13 februari 2014 met bijlagen heeft de raadsvrouwe de rechtbank laten weten dat betrokkene instemt met de algemene en de bijzondere voorwaarden. Aan het slot van deze brief heeft zij voorgesteld de voorwaardelijke machtiging te laten ingaan op 10 januari 2014, aansluitend op het verstrijken van de laatste machtiging.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij beschikking van 13 februari 2014 heeft de rechtbank de verzochte voorwaardelijke machtiging verleend voor het tijdvak tot 14 augustus 2014.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Namens betrokkene is − tijdig − beroep in cassatie ingesteld<footnote-ref linkend="_f9fb7dc0-276d-4906-8613-daf32e8d8cae" />. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Bespreking van het cassatiemiddel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het middel van cassatie is uitsluitend gericht tegen de geldigheidsduur van de verleende machtiging. Volgens de klacht had de officier van justitie een aansluitende machtiging verzocht en mocht de machtiging worden verleend voor ten hoogste zes maanden, gerekend vanaf de dag na die waarop de vorige machtiging zou verstrijken, derhalve tot 10 juli 2014: die termijn is met één maand en vier dagen overschreden. Subsidiair wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is waarom de rechtbank is afgeweken van het voorstel van de raadsvrouwe in haar brief van 13 februari 2014.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op grond van art. 14c lid 1 Wet Bopz heeft een voorwaardelijke machtiging een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden <emphasis role="italic">na haar dagtekening</emphasis>. De beschikking van de rechtbank is in overeenstemming met deze wettelijke bepaling<footnote-ref linkend="_3879ec4e-13af-4704-90e4-1b622b11ceae" />. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Indien de andersluidende opvatting in het cassatiemiddel voortkomt uit de gedachte dat in aansluiting op de (geconverteerde) voorwaardelijke machtiging van 23 juli 2013 slechts een nieuwe voorwaardelijke machtiging kon worden gegeven, als bedoeld in art. 14c lid 2 Wet Bopz, zou betrokkene belang missen bij deze klacht omdat een nieuwe voorwaardelijke machtiging kan worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar: die maximale geldigheidsduur is in geen geval overschreden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het begrip ‘aansluitende machtiging’ is bekend uit art. 14f, onder b, Wet Bopz. Deze wettelijke bepaling ziet op een situatie die in dit cassatieberoep niet aan de orde is, te weten: de vraag of de geneesheer-directeur van zijn in art. 14d lid 1 Wet Bopz bedoelde bevoegdheid tot opneming gebruik kan maken nadat de geldigheidsduur van de lopende voorwaardelijke machtiging is verstreken<footnote-ref linkend="_f69fa4d8-bbc1-4541-bb3e-e249bd89c1ce" />. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Voor zover de in het cassatiemiddel verdedigde opvatting berust op de gedachte dat de officier van justitie op 3 januari 2014 een voorwaardelijke machtiging heeft verzocht die per 10 januari 2014 zou ingaan, te weten aansluitend op de datum waarop de (geconverteerde) machtiging van 23 juli 2013 zou verstrijken, geldt niettemin dat de wettelijk toegestane geldigheidsduur van de op 13 februari 2014 verleende machtiging wordt gerekend vanaf de dagtekening van de beschikking. Een voorwaardelijke machtiging wordt niet met terugwerkende kracht verleend. Dat laatste zou trouwens zinloos zijn, omdat de betrokken patiënt niet aan de gestelde voorwaarden kan worden gehouden wanneer de beschikking waarbij de rechter deze voorwaarden heeft vastgesteld nog niet aan hem is bekendgemaakt. De rechtsklacht faalt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De motiveringsklacht faalt om dezelfde reden. Het namens betrokkene aan de rechtbank gedane voorstel om de voorwaardelijke machtiging te laten ingaan op 10 januari 2014 behoefde niet een uitdrukkelijke weerlegging, reeds omdat het niet was gemotiveerd<footnote-ref linkend="_a8724c82-700c-44e6-acf1-435e9f205fe7" />. De slotsom is dat het middel faalt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Conclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>					Hoge Raad der Nederlanden,</para>
      <para>								a. - g.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_b59b7df1-1d42-4600-9a0c-7855ca46fb31" label="1">
    <para> 	De beschikking van 23 juli 2013 is niet overgelegd noch genoemd in de bestreden beschikking. Een afschrift van het besluit van de geneesheer-directeur van 29 oktober 2013 is wel overgelegd. Uit dat besluit, hetgeen in eerste aanleg over en weer is gesteld en in het cassatierekest tot uitgangspunt is genomen, meen ik te mogen opmaken dat in cassatie van de juistheid van deze data kan worden uitgegaan.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_20b3d2b0-1235-4aa7-859a-838e5cec58a1" label="2">
    <para> 	Zie art. 14d lid 2 Wet Bopz. Na een opneming op de voet van art. 14d kan de geneesheer-directeur eventueel voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis verlenen (art. 47 Wet Bopz); van het ‘herleven’ van de voorwaarden van de oorspronkelijke voorwaardelijke machtiging is in dat geval geen sprake (MvT, Kamerstukken II 2005-2006, 30 492, nr. 3, blz. 8). Naar eigen zeggen verblijft betrokkene sinds 9 januari 2014 weer thuis (p.- v. 20 januari 2014, blz. 1).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f9fb7dc0-276d-4906-8613-daf32e8d8cae" label="3">
    <para> 	Een faxkopie van het cassatierekest is ter griffie ontvangen op 13 mei 2014, een dag later gevolgd door het door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende origineel.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3879ec4e-13af-4704-90e4-1b622b11ceae" label="4">
    <para> 	Voor de berekening van de geldigheidsduur geldt de dag na die waarop de beschikking werd gegeven als de eerste dag van de zes maanden termijn. Hierdoor eindigt een machtiging steeds om 24.00 uur ’s nachts. (Een op 13 februari 2014 voor zes maanden gegeven machtiging is derhalve geldig tot en met 13 augustus 2014). Vgl. HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3535, BJ 2007/35 m.nt. W. Dijkers.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f69fa4d8-bbc1-4541-bb3e-e249bd89c1ce" label="5">
    <para> 	Zie over deze bepaling: HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1040, JVggz 2014/1 m.nt. W. Dijkers.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8724c82-700c-44e6-acf1-435e9f205fe7" label="6">
    <para> 	Voor het inkorten van de wettelijk toegestane geldigheidsduur op de voet van HR 23 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2497, NJ 1996/618, rov. 3.5.2, was in dit geval geen reden. Betrokkene verbleef niet onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis in het tijdvak tussen het verstrijken van de eerste en de aanvang van de tweede voorwaardelijke machtiging.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>