<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2014:435</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T18:24:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-05-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2014-04-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12/05807</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2014:1242" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1242, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:435">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:435</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-05-27T14:43:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-05-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2014:435 Parket bij de Hoge Raad , 22-04-2014 / 12/05807</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2014:435:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>HR ambtshalve: OM n-o in vervolging, verdachte overleden (art. 69 Sr). Met het oog op de vordering b.p. voegt de HR hieraan toe dat uit art. 361.2 aanhef en onder a Sv volgt dat in geval van een uit art. 69 Sr voortvloeiende niet-ontvankelijkverklaring van de OvJ in de vervolging de b.p. van rechtswege  n-o is in haar vordering tot vergoeding van de in art. 361.2 aanhef en onder b Sv bedoelde schade, v.zv. een eerdere beslissing daarover nog niet onherroepelijk is geworden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2014:435:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 12/05807</para>
  <para>Mr. Spronken</para>
  <para>Zitting: 22 april 2014</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aanvullende conclusie inzake:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      [verdachte]
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <orderedlist numeration="arabic">
    <listitem>
      <para>Op 14 januari 2014 heb ik een conclusie genomen in deze zaak, waarin ik de Hoge Raad adviseerde het bestreden arrest gedeeltelijk te vernietigen en de zaak te verwijzen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om deze in zoverre opnieuw te berechten en af te doen.</para>
      <para />
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Ten tijde van het nemen van de conclusie was mij niet bekend dat verdachte was overleden. Inmiddels is echter uit een door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam gewaarmerkt afschrift van een akte van de burgerlijke stand van die gemeente gebleken dat verdachte daar op 15 juni 2013 is overleden. Daarom is op basis van art. 69 Sr het recht tot strafvordering vervallen.</para>
      <para />
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Hieruit vloeit voort dat de bestreden uitspraak - behalve voor zover daarbij het vonnis in eerste aanleg is vernietigd - en het ten dele bevestigde vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 augustus 2011 niet in stand kunnen blijven, en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.<footnote-ref linkend="_a7e090ea-b5ed-40d7-85fd-79b35befb5c3" /></para>
      <para />
    </listitem>
  </orderedlist>
  <para>4. Dat lot treft tevens de door het hof toegewezen vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A].<footnote-ref linkend="_94b338ca-13d4-4f58-91ed-61446c34e9a4" /> Wat ik mij in dit verband heb afgevraagd is, of in het geval dat op de vordering van de benadeelde partij door het hof in hoger beroep ten gunste van de benadeelde partij is beslist en de verdachte hangende het cassatieberoep overlijdt, in cassatie ook expliciet een beslissing zou moeten volgen met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij.  Het lijkt mij voor de benadeelde partij in een dergelijke situatie van belang een duidelijke (eind)beslissing te krijgen.  Ik heb met betrekking tot een casus als de onderhavige geen jurisprudentie kunnen vinden en de commentaren van Valkenburg in T&amp;C Sr en Noyon/Langemeijer &amp; Remmelink bij art. 69 Sr<footnote-ref linkend="_9c3f2a43-e6f0-4ef4-8c64-b6c64aeae354" /> gaan hier niet met zoveel woorden op in. Strikt genomen vloeit de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij voort uit de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Immers daardoor volgt er geen beslissing zoals bedoeld in art. 361, tweede lid Sv, waarin is bepaald dat de benadeelde partij alleen ontvankelijk zal zijn in haar vordering indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd of in geval van toepassing van art. 9a Sr. Normaliter zal de rechter in eerste aanleg, in het geval dat de verdachte is overleden hangende de procedure in eerste aanleg, niet meer toekomen aan de behandeling van de vordering van de benadeelde partij. In onderhavige zaak blijkt echter pas in cassatie dat de verdachte is overleden.</para>
  <para />
  <para>5. Gelet op het voorgaande, met name om duidelijkheid te verschaffen aan de benadeelde partij, geef ik de Hoge Raad in overweging, nu de vordering van de benadeelde partij [A] in hoger beroep is toegewezen en verdachte nadien is overleden, ook over haar vordering een expliciete beslissing te nemen en haar niet-ontvankelijk te verklaren.</para>
  <para />
  <para>6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behalve voor zover daarbij het vonnis van de rechtbank is vernietigd, tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank voor het overige, tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging  en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [A] in haar vordering tot schadevergoeding.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>AG</para>
  </parablock>
  <para />
  <footnote id="_a7e090ea-b5ed-40d7-85fd-79b35befb5c3" label="1">
    <para> Zie HR 14 september 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC3700.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_94b338ca-13d4-4f58-91ed-61446c34e9a4" label="2">
    <para> Zie W.E.C.A. Valkenburg, in  aant. 1 bij art. 69 Sr, T&amp;C Sr 2012.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9c3f2a43-e6f0-4ef4-8c64-b6c64aeae354" label="3">
    <para> Noyon/Langemeijer/Remmelink, Strafrecht, artikel 69 Sr, aant. 2 (bijgewerkt tot 1 november 2004).</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>