<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2014:312</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T18:09:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-04-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2014-03-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/00533</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2014:960" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:960, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:312">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:312</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-22T16:03:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-04-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2014:312 Parket bij de Hoge Raad , 04-03-2014 / 13/00533</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2014:312:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Slagende bewijsklacht. De bewezenverklaring kan niet worden afgeleid uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2014:312:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 13/00533</para>
  <para>										<emphasis role="underline">Mr. Machielse</emphasis></para>
  <para>Zitting 4 maart 2014</para>
  <para />
  <para>									Conclusie inzake:</para>
  <bridgehead role="underline">
    [verdachte]
  </bridgehead>
  <para />
  <para>1. Op 8 oktober 2012 heeft het gerechtshof Arnhem verdachte voor parketnummer 05/701726-11 onder 1 primair: Poging tot zware mishandeling, parketnummer 05/701726-11 onder 2: Wederspannigheid, parketnummer 05/703186-10 onder 1: Wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft, en parketnummer 05/703186-10 onder 2: Overtreding van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 163 dagen voorwaardelijk (ten aanzien van de eerste drie feiten) en een voorwaardelijke geldboete van € 200 (ten aanzien van het vierde feit). Aan de eerste voorwaardelijke veroordeling heeft het hof bijzondere voorwaarden verbonden. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest nader omschreven.</para>
  <para />
  <para>2. Verdachte heeft beroep in cassatie doen instellen en mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie. Tegen de veroordeling voor de overtreding staat geen cassatieberoep open, zodat het beroep in zoverre niet kan worden ontvangen.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.1. Het eerste middel klaagt over de veroordeling voor de wederspannigheden, meer bepaald over de zinsnede daarin dat verdachte zou hebben gerukt en getrokken "in een richting tegengesteld aan die waarin voornoemde opsporingsambtenaren hem trachtten te geleiden". Ik maak uit de toelichting op het middel op dat het de bedoeling is te betogen dat dit onderdeel van de bewezenverklaring van feit 2 van parketnummer 05/701726-11 niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.2. Onder parketnummer 05/701726-11 heeft het hof als feit 2 bewezenverklaard dat</para>
    <para>"hij op 05 oktober 2011 te Arnhem, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren, te weten [verbalisant 3] (agent, Avz/Unit Arnhem Noord/Basis Politiezorg, Politie Gelderland-Midden) en [verbalisant 4] (agent, Avz/Unit Arnhem Noord/Basis Politiezorg, Politie Gelderland-Midden), verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van een of meer op heterdaad ontdekte strafbare feiten, hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.3. Voor het bewijs van dit feit zijn gelet op de klacht de volgende gebezigde bewijsmiddelen relevant:</para>
    <para>" 5 Een proces-verbaal van aanhouding PL078C 2011114833-2 in wettelijke vorm door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden agent van politie Gelderland-Midden opgemaakt en gesloten op 5 oktober 2011 inhoudende onder meer als relaas van verbalisanten: (p.28-30) </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Wij verbalisanten, [verbalisant 3], agent, Avz/Unit Arnhem Noord/ Basis Politiezorg Politie Gelderland-Midden en [verbalisant 4], agent, Avz/ Unit Arnhem Noord/ Basis Politiezorg, Politie Gelderland- Midden verklaren het volgende: </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op 5 oktober 201 1 bevonden wij, verbalisanten, ons in uniform gekleed aan het politiebureau te Arnhem. Daar kregen wij de portofonische melding om te gaan naar de Eusebiusbuitensingel 49 te Arnhem alwaar een medewerker van de Gemeente Arnhem was mishandeld door een klant. Onmiddellijk begaven wij, verbalisanten ons naar de opgegeven locatie. Bij binnenkomst zagen wij 2 beveiligingsmedewerkers aan de balie staan, tussen hen in zat de verdachte [verdachte]. Ik verbalisant [verbalisant 3], sprak de verdachte aan en zei tegen hem dat hij was aangehouden, niet tot antwoorden verplicht was en dat hij moest opstaan. Ik hoorde dat de verdachte riep "kan je niet eerst hallo zeggen". De verdachte zei dit op een geïrriteerde toon.  </para>
    <para>Ik verbalisant [verbalisant 3] zei toe "Meneer, u bent aangehouden, wilt u nu opstaan. Ik zag dat de verdachte hier gehoor aan gaf en opstond. Ik verbalisant [verbalisant 4] zei tegen verdachte dat hij zich moest omdraaien en hij zijn handen op de balie moest leggen. Wij verbalisanten zagen dat de verdachte omdraaide en zijn handen niet op de balie wilde leggen. Hierop pakte ik, verbalisant [verbalisant 3] zijn linkerarm vast en wilde zijn arm naar zijn rug brengen ten einde hem de transportboeien om te doen. Ik, verbalisant [verbalisant 3], voelde dat de verdachte zijn linkerarm in tegenovergestelde richting wilde brengen als waar ik hem wilde bewegen. </para>
    <para>Ik verbalisant [verbalisant 4], pakte zijn rechterhand vast om zijn arm naar zijn rug te brengen dit ten einde om hem de transportboeien om te doen. Ik, verbalisant [verbalisant 4],'voelde dat de verdachte zijn rechterarm in tegengestelde richting wilde bewegen als waar ik hem in wilde bewegen. Wij verbalisanten voelden dat de verdachte zich wild begon te bewegen en zijn armen voor zijn lichaam te houden, vermoedelijk om het voor ons, verbalisanten onmogelijk te maken hem de transportboeien om te doen. </para>
    <para>Beveiligingsmedewerker [betrokkene] assisteerde ons en pakte de verdachte middels een halsomstrengeling vast. </para>
    <para>Ik, verbalisant riep op luide en niet mis te verstane wijze tegen verdachte "staak je verzet, staak je verzet." </para>
    <para>Wij verbalisanten, voelden en zagen dat de verdachte hier geen gehoor aan gaf. De verdachte bleef zich wild bewegen en wij, verbalisanten voelden dat hij zijn armen niet ontspande. </para>
  </parablock>
  <para />
  <para>6 Een proces-verbaal van bevindingen PL078C 2011114833-18 in wettelijke vorm door [verbalisant 5], hoofdagent van politie Gelderland-Midden opgemaakt en gesloten op 5 oktober 2011 inhoudende onder meer als relaas van verbalisant: (p.42-44) </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op dinsdag 18 oktober 2011 bekeek ik, verbalisant, de camerabeelden welke waren aangeleverd door de beveiliging van de Sociale Dienst te Arnhem in het kader van het onderzoek naar de verdachte [verdachte]. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>-11:42:55 uur Ik zag dat de collega's [verbalisant 4] en [verbalisant 3] ter plaatse komen. Ik zag dat de eerste beveiligingsmedewerker tegen hen praat en ik zag dat zowel collega [verbalisant 3] als collega [verbalisant 4] een gebaar maakt tegen de verdachte dat hij op moet staan en zich moet omdraaien. Ik zag dat de verdachte vervolgens opstaat en zich omdraait met zijn gezicht richting balie. Ik zag dat beide collega's een (1) arm van de verdachte vastpakten. Ik zag dat hierop een worsteling ontstaat tussen de twee collega's en de verdachte waarop de collega's trachten de armen en van verdachte op zijn rug te krijgen en waarbij de verdachte zijn arm niet buigt en zich kennelijk verzet bij de aanhouding."</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het hof heeft in het arrest aan dit feit nog onder meer de volgende overweging gewijd:</para>
    <para>"Het hof overweegt daarbij in het bijzonder ten aanzien van feit 2 (parketnummer 05-701726-11):</para>
    <para>Uit het proces-verbaal van aanhouding van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (proces-verbaal van politie, blz 28 e.v.) blijkt dat [verbalisant 3] voelde dat verdachte – toen verbalisanten hem wilde boeien – zijn linkerarm in tegengestelde richting wilde bewegen. [verbalisant 4] voelde dat verdachte zijn rechterarm in tegengestelde richting wilde bewegen. Verdachte heeft vervolgens wild bewogen en zijn armen voor zijn lichaam gehouden. Het hof is van oordeel dat deze tegenwerkende handelingen van verdachte zijn aan te merken als rukken en trekken in een richting tegengesteld aan die waarin de ambtenaren verdachte trachtten te bewegen, zoals tenlastegelegd. Anders dan de raadsman heeft betoogd levert het bewezenverklaarde zoals hierna aangegeven tevens een strafbaar feit op.</para>
    <para>Het verweer wordt verworpen."</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.4. Aldus staat wel vast dat verdachte zich heeft verzet. Tevens staat vast dat de verbalisanten verdachte hadden aangehouden, in welke woorden besloten ligt dat zij de bevoegdheid van artikel 53 Sv hebben uitgeoefend met het oog op een voorgeleiding van verdachte voor de officier van justitie of een van diens hulpofficieren.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uit de overweging in het verkort arrest en de gebezigde bewijsmiddelen is wel duidelijk hoe de bewezenverklaring is bedoeld, nl. om aan verdachte te verwijten dat hij zich heeft verzet door met zijn armen te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren verdachtes armen trachtten te geleiden. Als de Hoge Raad bereid is de bewezenverklaring op deze wijze te lezen, komt de feitelijke grondslag aan deze klacht te ontvallen.<footnote-ref linkend="_cd4b560e-fbd6-49d9-9008-37ab9fca4870" /> Mijn voorstel strekt daartoe.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.1. Het tweede middel klaagt over de veroordeling voor feit 1 van parketnummer 05/703186-10. Dat de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] enig lichamelijk letsel heeft bekomen, is niet uit enig bewijsmiddel af te leiden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.2. Het gaat om het volgende. Bewezenverklaard is dat </para>
    <para>"hij op 02 juli 2010 te Zevenaar, toen aldaar dienstdoende verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], beiden hoofdagent van politie, verdachte op verdenking van het overtreden van een of meer (verkeers-) overtredingen (inrijden in strijd met een geslotenverklaring en het niet voldoen aan een vordering als bedoeld in artikel 34 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften) op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een politiebureau te Arnhem, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin voornoemde opsporingsambtenaren hem verdachte trachtten te geleiden en door een of meer schoppende bewegingen te maken, ten gevolge waarvan de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] enig lichamelijk letsel (kneuzing rechter schouder) bekwam".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>4.3. Dat zich de strafverzwarende omstandigheid van artikel 181, aanhef en onder 1 Sr heeft voorgedaan, kan inderdaad niet uit enig gebezigd bewijsmiddel blijken. Gelet op de zeer aanmerkelijke strafverzwaring die deze omstandigheid met zich brengt, meen ik dat het niet aangewezen is om het bewijs van deze strafverzwarende omstandigheid als een kennelijke vergissing te beschouwen en de bewezenverklaring te lezen zonder deze strafverzwarende omstandigheid. Het arrest dient daarom in zoverre te worden vernietigd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>5. Aan het eerste middel komt de feitelijke grondslag te ontvallen door verbeterde lezing van een onderdeel van de bewezenverklaring. Het tweede middel is gegrond. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.</para>
  <para />
  <para>6. Deze conclusie strekt tot verbeterde lezing van de bewezenverklaring van feit 2 van parketnummer 05/701726-11, tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het betreft de beslissingen over feit 1 van parketnummer 07/703186-10 en de strafoplegging en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>							De Procureur-Generaal</para>
    <para>						bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <footnote id="_cd4b560e-fbd6-49d9-9008-37ab9fca4870" label="1">
    <para> HR 16 december 2003, NJB 2004, nr. 28, p. 245; HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3482; HR 15 mei 2012, NJ 2012, 327 m.nt. Klip.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>