<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2014:2709</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T16:00:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2014-12-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/01046</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2015:98" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:98, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:2709">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:2709</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-01-20T15:08:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2014:2709 Parket bij de Hoge Raad , 02-12-2014 / 14/01046</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2014:2709:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Onjuiste verstekverlening. Geen afstand van aanwezigheidsrecht. Indien de dagvaarding aan een verdachte in persoon is uitgereikt en verdachte noch zijn raadsman op de tz. is verschenen, kan de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - uitgaan van het vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Nochtans bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien verdachte t.t.v. de behandeling van zijn zaak i.v.m. een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was. In cassatie is overgelegd een “bewijs van ontslag”, inhoudende als verklaring van de directeur van het detentiecentrum dat verdachte in detentie heeft gezeten van 10 t/m 15 februari 2014. Uit dit stuk moet worden afgeleid dat verdachte t.t.v. de behandeling van zijn strafzaak in h.b. i.v.m. met een andere zaak was gedetineerd, zodat ’s Hofs beslissing om tegen verdachte verstek te verlenen en het ottz. voort te zetten, achteraf bezien onjuist was.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2014:2709:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 14/01046</para>
            <para>Zitting: 2 december 2014</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. T.N.B.M. Spronken</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [verdachte] </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <para />
  <para />
  <orderedlist numeration="arabic">
    <listitem>
      <para>Bij arrest van 10 februari 2014 heeft het Gerechtshof Amsterdam de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank waarbij hij wegens – kort gezegd – de belediging van een ambtenaar in functie, was veroordeeld tot een geldboete voor een bedrag van € 650,- te vervangen door dertien dagen hechtenis.</para>
      <para />
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld.</para>
      <para />
    </listitem>
    <listitem>
      <para>Het <emphasis role="underline">middel</emphasis> klaagt dat het hof verstek heeft verleend tegen de verdachte terwijl hij ten tijde van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd was.</para>
      <para />
    </listitem>
    <listitem>
      <para>De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:<?linebreak?>(i)	de dagvaarding van de verdachte om op 10 februari 2014 te 16.10 uur te verschijnen ter terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam is op 27 december 2013 aan de verdachte in persoon uitgereikt;<?linebreak?>(ii)	een aan de schriftuur gehecht ‘Bewijs van ontslag’ afgegeven door de directeur van Detentiecentrum Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn, gedateerd 15 februari 2014, houdt in dat de verdachte  van 10 februari 2014 tot en met 15 februari 2014 in detentie heeft gezeten;<footnote-ref linkend="_917cea5a-69f0-4f5f-92a8-59b6f1a54431" /><?linebreak?>(iii)	blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 10 februari 2014 is de verdachte noch een raadsman verschenen, is tegen de verdachte verstek verleend en is het onderzoek in de strafzaak van de verdachte gesloten.</para>
      <para />
    </listitem>
  </orderedlist>
  <para>5. Uitgangspunt is dat indien de dagvaarding aan een verdachte in persoon is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter — behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel — kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht.<footnote-ref linkend="_92aade5d-6b71-4eb2-9c05-e2e4b6211644" /></para>
  <para />
  <para>6. In het geval de rechter van het onder 5 bedoelde vermoeden is uitgegaan, bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat feitelijk aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte, zoals naar moet worden aangenomen hier het geval is geweest, ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak voor een andere strafzaak in verzekering was gesteld en op het politiebureau verbleef zonder dat dit de rechter bekend was. Daarbij komt geen bijzondere betekenis toe aan de omstandigheid of de verdachte in persoon is gedagvaard voor de terechtzitting.<footnote-ref linkend="_32947859-2a43-4bbd-821c-a78d090f9515" /></para>
  <para />
  <para>7. Uit het hiervoor onder 4 onder (ii) weergegeven bewijs van ontslag – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet kan worden getwijfeld – moet worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep voor een andere zaak was gedetineerd, zodat de beslissing van het Hof om verstek tegen de verdachte te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien, onjuist was.</para>
  <para />
  <para>8. In aanmerking genomen het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit brengt mee dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.</para>
  <para />
  <para>9. Het middel is terecht voorgesteld.</para>
  <para />
  <para>10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.</para>
  <para />
  <para>11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>AG</para>
  </parablock>
  <footnote id="_917cea5a-69f0-4f5f-92a8-59b6f1a54431" label="1">
    <para> De registratiekaart die ik heb doen opvragen, bevestigt dat de verdachte van 10 februari 2014 tot en met 15 februari 2014 was gedetineerd.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_92aade5d-6b71-4eb2-9c05-e2e4b6211644" label="2">
    <para> HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.33.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_32947859-2a43-4bbd-821c-a78d090f9515" label="3">
    <para> HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8984 r.o. 2.4.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>