<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2014:2693</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T12:41:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2014-11-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/00040</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2015:118" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:118, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:2693">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:2693</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-01-27T07:59:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2014:2693 Parket bij de Hoge Raad , 18-11-2014 / 14/00040</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2014:2693:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 51 Sv. De stukken van het geding, waaronder de kennisgeving van de AG bij het Hof aan de raadsvrouwe omtrent het tijdstip van de ttz., wekken niet het vermoeden dat wat betreft de appeldagvaarding niet is voldaan aan (de strekking van) het voorschrift van art. 51 Sv. Het Hof had daarom ook zonder nader te hebben onderzocht of daadwerkelijk een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsvrouwe was verzonden, mogen aannemen dat art. 51 Sv was nageleefd. Het Hof heeft echter de griffier doen informeren naar de reden van de afwezigheid van de raadsvrouwe. Daartoe is zijdens de raadsvrouwe als reden opgegeven dat zij de meergenoemde kennisgeving niet had ontvangen. Bij die stand van zaken is het niet nader gemotiveerde oordeel van het Hof dat art. 51 Sv is nageleefd niet zonder meer begrijpelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2014:2693:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 14/00040								<emphasis role="underline" /></para>
  <para>
    <emphasis role="underline">Mr. Harteveld</emphasis>
  </para>
  <para>Zitting 18 november 2014	</para>
  <para />
  <para> 					Conclusie inzake:</para>
  <bridgehead role="underline">
    [verdachte]
  </bridgehead>
  <para />
  <para />
  <para>1. Het Gerechtshof Den Haag heeft de verdachte op 31 juli 2013 bij verstek wegens gekwalificeerde diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 257,00 toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.<?linebreak?></para>
  <para />
  <para>2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te Den Haag, heeft namens de verdachte bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.1. Het middel klaagt dat art. 51 Sv is geschonden doordat het Hof tot behandeling van de zaak is overgegaan zonder dat blijkt van onderzoek naar de vraag of de raadsvrouwe geacht mocht worden op de hoogte te zijn van dag en tijdstip van de zitting.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.2. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevinden zich:</para>
  </parablock>
  <para>(i) een proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank van 13 november 2012, inhoudende dat aldaar de verdachte en zijn raadsvrouwe mr. A.A. Holleeder zijn verschenen, met daarin de aantekening van het door de Politierechter gegeven mondeling vonnis; </para>
  <parablock>
    <para>(ii) een akte rechtsmiddel inhoudende dat mr. A.A. Holleeder namens de verdachte op 20 november 2012 hoger beroep instelt tegen voormeld vonnis middels een bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker;</para>
    <para>(iii) een last tot toevoeging van 31 mei 2013;</para>
    <para>(iv) een brief van de griffier van het Hof van 31 mei 2013, gericht aan mr. A.A. Holleeder inzake de toezending van processtukken;</para>
  </parablock>
  <para>(v) een aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep gehechte brief van 31 mei 2013  van de Advocaat-Generaal bij het Hof aan mr. A.A. Holleeder, inhoudende dat de behandeling van de onderhavige strafzaak tegen de verdachte zal plaatsvinden op 17 juli 2013 te 09.00 uur.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.3. De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep op 26 juni 2013 uitgereikt aan de griffier. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch de verdachte noch de voor de verdachte optredende raadsvrouwe verschenen. Dat proces-verbaal houdt voor zover van belang het volgende in:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>“De verdachte, gedagvaard als:</para>
    <para>
      [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, adres: [a-straat 1] te [woonplaats],</para>
    <para>is niet ter terechtzitting verschenen.</para>
    <para>De raadsvrouw van de verdachte, mr. A.A. Holleeder, is - hoewel bij brief van 31 mei 2013 behoorlijk opgeroepen - niet ter terechtzitting verschenen.</para>
    <para>(…)</para>
    <para>De griffier heeft getracht de raadsvrouw telefonisch te bereiken. Zij heeft naar het kantoor van de raadsvrouw gebeld. Door een medewerkster van het kantoor is aan de griffier medegedeeld dat de raadsvrouw niet is opgeroepen en dat zij - in verband met een andere zaak - momenteel niet op kantoor is. </para>
    <para>De voorzitter stelt vast dat de dagvaarding hoger beroep - overeenkomstig het bepaalde in artikel 588 van het Wetboek van Strafvordering - op 26 juni 2013 op correcte wijze is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank ‘s-Gravenhage, met verzending op diezelfde datum van een afschrift van de dagvaarding aan het gba-adres van de verdachte.</para>
    <para>Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.”</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.4. In hetgeen hiervoor onder 3.3 is weergegeven ligt besloten dat de raadsvrouwe, die niet aanwezig was ter terechtzitting, tijdig op de hoogte is gesteld van dag en tijdstip van de behandeling van de zaak. Tegelijkertijd bevat het proces-verbaal van de terechtzitting een aanknopingspunt voor het vermoeden dat de kennisgeving van de Advocaat-Generaal niet aan de raadsvrouwe is toegezonden, dan wel haar niet heeft bereikt.<footnote-ref linkend="_6912c907-08a4-4458-a40a-b821e5d2c440" /> Nog voordat het onderzoek werd gesloten heeft de griffier immers van een medewerkster van het kantoor van de raadsvrouwe vernomen dat zij ‘niet is opgeroepen’. In aanmerking genomen dat het in het belang van de verdachte gegeven voorschrift van art. 51 Sv van zo grote betekenis is dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan, had het Hof in deze omstandigheid mijns inziens aanleiding behoren te vinden alsnog nader te onderzoeken of art. 51 Sv was nageleefd. Nu van zo’n onderzoek niet blijkt, lijdt het onderzoek ter terechtzitting en daarmee ook het naar aanleiding daarvan gewezen arrest aan nietigheid.<footnote-ref linkend="_ff03911e-e733-4c68-b2ef-5cce7b09dbc8" /></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.5. Het middel slaagt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het Gerechtshof Den Haag, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. </para>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>						De Procureur-Generaal</para>
    <para>                                                             bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>									AG</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <footnote id="_6912c907-08a4-4458-a40a-b821e5d2c440" label="1">
    <para>Anders dan bijvoorbeeld het geval was in HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4859.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ff03911e-e733-4c68-b2ef-5cce7b09dbc8" label="2">
    <para> Vgl. HR 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9218. </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>