<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2014:2169</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T08:32:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-11-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2014-09-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/01759</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2014:3419" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#contrair">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3419, Contrair</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:2169">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:2169</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-11-26T12:03:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2014:2169 Parket bij de Hoge Raad , 23-09-2014 / 14/01759</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2014:2169:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beklag, beslag, art. 552a Sv. Op de voet van art. 83 RO heeft de HR inlichtingen ingewonnen. Daaruit blijkt dat het inbeslaggenomen geldbedrag (onherroepelijk) is verbeurdverklaard. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat, indien het gerecht dat het klaagschrift behandelt constateert dat de voorwerpen waarop het klaagschrift ziet inmiddels zijn verbeurdverklaard of onttrokken zijn aan het verkeer, het gerecht het klaagschrift ex art. 552a Sv moet opvatten als klaagschrift ex art. 552b Sv en zo nodig, o.g.v. art. 552b.2 Sv, zal verwijzen naar het bevoegde gerecht (vgl. HR 23 november 1993, NJ 1994/263). Deze beslissing is eerst onherroepelijk geworden in de cassatiefase van deze beklagzaak. Ook voor dit situatie geldt dat het klaagschrift moet worden opgevat als klaagschrift ex art. 552b Sv. De HR zendt de stukken naar het bevoegde gerecht. Conclusie AG: anders.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2014:2169:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 14/01759 B</para>
  <para>								<emphasis role="underline">Mr. Harteveld</emphasis></para>
  <para>Zitting 23 september 2014	</para>
  <para />
  <para>					Conclusie inzake:</para>
  <para />
  <para>									[klaagster]</para>
  <para />
  <para>1. De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 17 januari 2014 het klaagschrift strekkende tot teruggave aan klaagster van een inbeslaggenomen geldbedrag van EUR 2.640,- ongegrond verklaard.</para>
  <para />
  <para>2. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft in deze zaak bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.1. Het <emphasis role="underline">middel</emphasis> behelst de klacht dat de Rechtbank ten onrechte niet de grondslag van het beslag heeft vastgesteld waardoor niet kan worden beoordeeld of zij de juiste maatstaf heeft toegepast, althans dat zij de ongegrondverklaring van het beklag ontoereikend heeft gemotiveerd.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>3.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>“Inleiding</title>
    <parablock>
      <para>(…)</para>
      <para>De officier van justitie heeft zich ter zitting van de openbare raadkamer op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven nu het, gelet op haar financiële situatie, niet duidelijk is of dit geld aan klaagster toebehoort en tevens ten behoeve van een te verwachte verbeurdverklaring in de strafzaak tegen [betrokkene].</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De beoordeling</title>
    <parablock>
      <para>(…)</para>
      <para>De raadsman stelt zich op het standpunt dat voornoemde geldbedrag spaargeld betreft dat aan klaagster toebehoort, gelet op het patroon van de geldopnames door cliënt en het feit dat zij direct na de inbeslagname concreet de hoogte van het bedrag en de locatie ervan heeft aangegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter is van oordeel, gelet op het feit dat klaagster schulden heeft en het niet duidelijk is waar het geld vandaan komt, dat het belang van strafvordering zich op dit moment nog verzet tegen teruggave, nu het naar haar oordeel niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend in de strafzaak tegen [betrokkene], het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd zal verklaren. Derhalve zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>DE BESLISSING</title>
    <para>De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.”</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Het middel heeft een punt daar waar het klaagt dat de Rechtbank niet expliciet heeft vastgesteld welke wettelijke bepaling de grondslag vormde voor het beslag. Echter, uit de overwegingen van de Rechtbank kan duidelijk worden afgeleid dat zij de toetsingsmaatstaf ex art. 94 Sv heeft aangelegd. Dat de Rechtbank er vanuit is gegaan dat onder klaagster op basis van art. 94 Sv beslag is gelegd, is niet onbegrijpelijk. Immers, uit de stukken van het geding, zoals de kennisgeving van inbeslagneming<footnote-ref linkend="_4bb68861-8755-444d-beee-c872c04ea15d" /> en de conclusie OM van 13 januari 2014 blijkt evident dat het gaat om beslag gelegd op de voet van art. 94 Sv.<footnote-ref linkend="_a5f4655e-5fb1-4363-b6d9-9910d59b73b3" /> In feitelijke aanleg was dit kennelijk ook voor alle partijen duidelijk, deze kwestie is immers niet tijdens de behandeling in raadkamer aan de orde gesteld. In cassatie kan er aldus van worden uitgegaan dat het hier om een ex art. 94 Sv gelegd beslag gaat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De Rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering zich in casu verzet tegen de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan klaagster. Daarbij heeft de Rechtbank klaarblijkelijk in aanmerking genomen hetgeen door de Officier van Justitie in raadkamer naar voren is gebracht, aangezien zij aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd het feit dat klaagster schulden heeft en dat het niet duidelijk is geworden waar het geld vandaan komt. Met die overwegingen heeft de Rechtbank kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding het voortduren van het beslag vordert. Aldus verstaan heeft de Rechtbank de juiste maatstaf aangelegd voor beslag ex art. 94 Sv en deze niet onbegrijpelijk toegepast. Het oordeel van de Rechtbank, dat afhankelijk is van waarderingen en vaststellingen van feitelijke aard en in cassatie slechts marginaal kan worden getoetst, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, óók gelet op hetgeen namens klaagster in raadkamer is aangevoerd. Tot een nadere motivering was de Rechtbank, anders dan de steller van het middel wil, niet gehouden. Nu dat oordeel de beslissing van de Rechtbank dat het klaagschrift ongegrond wordt verklaard zelfstandig kan dragen, behoeft de klacht dat de Rechtbank haar oordeel dat ‘het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later oordelend (…), het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd  zal verklaren’ ontoereikend heeft gemotiveerd, geen bespreking.<footnote-ref linkend="_291de6d0-1987-4e61-8d5f-40a04620e9ea" /></para>
      <para />
      <para>4. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. </para>
      <para />
      <para>5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.</para>
      <para />
      <para>6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para> De Procureur-Generaal</para>
        <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>									AG</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_4bb68861-8755-444d-beee-c872c04ea15d" label="1">
    <para> Zie de kennisgeving van inbeslagneming, met registratienummer PL2208-2013118974-7, dossier p. 000009.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5f4655e-5fb1-4363-b6d9-9910d59b73b3" label="2">
    <para> Ik teken aan dat de steller van het middel in zijn cassatieschriftuur zelf opmerkt dat uit de stukken van het dossier niet blijkt dat het geld conservatoir in beslag is genomen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_291de6d0-1987-4e61-8d5f-40a04620e9ea" label="3">
    <para> Vgl. HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8764.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>