<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2014:194</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-07-16T04:06:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-03-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2014-03-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/00914</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2014:950" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:950, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:194">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:194</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-18T09:47:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2014:194 Parket bij de Hoge Raad , 07-03-2014 / 14/00914</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2014:194:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling onder afwijzing verzoek tot verlenging.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2014:194:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>14/00914</para>
          </entry>
          <entry>
            <para>Mr. L. Timmerman </para>
          </entry>
        </row>
        <row>
          <entry>
            <para>Zitting 7 maart 2014</para>
          </entry>
          <entry>
            <para />
          </entry>
        </row>
        <row>
          <entry>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>Conclusie inzake:</para>
          </entry>
        </row>
        <row>
          <entry>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para />
          </entry>
        </row>
        <row>
          <entry>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              [verzoeker],</para>
            <para>verzoeker tot cassatie,</para>
          </entry>
        </row>
        <row>
          <entry>
            <para />
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>(hierna [verzoeker]).</para>
            <para />
            <para />
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <para />
  <para>1. De rechtbank Utrecht heeft in zijn vonnis van 13 december 2010 de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] uitgesproken. Een door de rechter-commissaris gedane voordracht tot tussentijdse beëindiging is afgewezen bij vonnis van 10 juni 2013 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. De rechtbank bepaalde dat [verzoeker] niet alleen een nieuwe schuld en een boedelachterstand moest inlopen, maar ook aan de reguliere boedelafdrachtverplichting moest blijven voldoen. Bij vonnis van 10 december 2013 van dezelfde rechtbank is de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd zonder toekenning van de schone lei. De rechtbank was kort gezegd van oordeel dat sprake was van een boedeltekort en dat deze tekortkoming aan [verzoeker] kon worden toegerekend.</para>
  <para />
  <para>2 [verzoeker] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld en daarbij onder meer betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen om hem in de gelegenheid te stellen het boedeltekort boedelachterstand in te lopen. Een mondelinge behandeling vond plaats op 3 februari 2014. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 10 februari 2014 het bestreden vonnis bekrachtigd en daartoe voor zover thans van belang het volgende overwogen: </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>“3.5 Omdat het ook bij het hof vast beleid is om bij verlenging van de looptijd van een schuldsaneringsregeling alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, waaronder in het bijzonder de boedelafdrachtverplichting, onverkort te handhaven, ziet het hof geen aanleiding om de looptijd van de regeling ten aanzien van [verzoeker] te verlengen, nu de boedelachterstand van ten minste circa € 3.500,- van dusdanige omvang is dat [verzoeker] niet in staat kan worden geacht deze uit het vrij te laten bedrag, zelfs niet binnen een maximale duur van de schuldsaneringsregeling van vijf jaar, in te lopen.”</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>3 Ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden is op 17 februari 2014 – derhalve tijdig – een cassatieverzoekschrift ingekomen gericht tegen voormeld arrest. Het cassatiemiddel bestaat uit één onderdeel dat zich keert tegen ’s hofs oordeel om de duur van de looptijd van de schuldsaneringsregeling niet te verlengen. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat:</para>
  <para>(i) de rechter ruime mogelijkheden heeft om te looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen en daarbij een grote mate van vrijheid geniet;</para>
  <parablock>
    <para>(ii) niet kan worden gesproken van een “vast beleid” ten aanzien van de voortzetting van de boedelafdrachtverplichting na verlenging omdat de feitenrechtspraak op dit punt niet eenduidig is;</para>
    <para>(iii) Duitsland in afwijking van Nederland een vergelijkbare regeling kent met een termijn van zes jaar en zulks in strijd is met de door de Insolventieverordening (Verordening (EG) Nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures, Pb EG L 160 van 30 juni 2000, p. 1-18) beoogde uniformiteit, alsmede met art. 6 EVRM en art. 47 EU Handvest;</para>
    <para>(iv) het uitgangspunt niet moet zijn dat een bepaald bedrag in de boedel moet worden gebracht uit hoofde van de van te voren vastgestelde boedelbijdrage en daarbovenop een bedrag aan in de lopen achterstand.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>4 Het onderdeel heeft verzuimd te vermelden waar deze standpunten in de stukken van het geding zijn ingenomen. Met betrekking tot klachten (i), (iii) en (iv) levert ambtshalve onderzoek geen vindplaatsen op. Zij vormen derhalve ontoelaatbare nova. Het onderdeel loopt in zoverre daarop vast.</para>
  <para />
  <para>5 Klacht (ii) is wel in feitelijke instanties is aangevoerd (vgl. de verklaringen van de raadsman van [verzoeker] in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 3 februari 2014) maar [verzoeker] ontbeert belang bij de behandeling ervan. De door de rechtbank uitgesproken en door het hof bekrachtigde beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling berust op de vaststellingen dat sprake is van een boedeltekort en dat dit tekort aan [verzoeker] kan worden toegerekend. Dit oordeel draagt de beslissing van het Hof tot beëindiging van de schuldsanering zelfstandig. In cassatie is daar niet over geklaagd. Bij de beslissing om tot al dan niet verlenging van de looptijd van de schuldsanering over te gaan heeft het Hof grote vrijheid. Het Hof heeft naar mijn oordeel zijn beslissing om geen verlenging van de looptijd van de schuldsanering toe te staan binnen de hem gegeven vrijheid genomen. De beslissing van het Hof is van een te verdedigen motivering voorzien.   </para>
  <para />
  <para>6 De slotsom is dat het middel niet tot cassatie kan leiden.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Conclusie</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ik concludeer tot verwerping van het verzoek.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>								De Procureur-Generaal bij de</para>
    <para>								Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>								A-G</para>
  </parablock>
  <para />
</conclusie>
</open-rechtspraak>