<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2014:1882</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T15:43:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2014-09-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/02360</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2014:3050" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3050, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:1882">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2014:1882</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-10-28T12:45:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2014:1882 Parket bij de Hoge Raad , 30-09-2014 / 14/02360</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2014:1882:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Herziening. Aanvraag gegrond. Het feit dat de ongewenstverklaring van verdachte bij beschikking van 1 april 2014 is opgeheven levert het ernstig vermoeden op dat de Politierechter, ware hij daarmee bekend geweest, de aanvrager van het hem tlgd. zou hebben vrijgesproken, zodat sprake is van een gegeven a.b.i. in art. 457.1 aanhef en onder c, Sv.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2014:1882:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>Nr. 14/02360H</para>
            <para>Zitting: 30 september 2014</para>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="underline">Mr. Hofstee</emphasis>
            </para>
            <para>Conclusie inzake:</para>
            <para>
              <emphasis role="underline">
                [aanvrager]
              </emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <parablock>
    <para>1. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 3 augustus 2012 met parketnummer 13/651074-12, is de aanvrager wegens "Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2. Namens de aanvrager heeft mr. J.J.M. Kleiweg, advocaat te Amsterdam, een aanvraag tot herziening van voornoemd vonnis van de Politierechter ingediend. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>3. De aanvraag berust op de stelling dat zich een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv voordoet nu de ongewenstverklaring van de aanvrager met terugwerkende kracht met ingang van 1 augustus 2011 is opgeheven. De desbetreffende beschikking van 1 april 2014 is als bijlage 2 bij de aanvraag gevoegd. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>4. Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5. De aanvrager is op grond van art. 67, eerste lid aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet bij beschikking van 1 augustus 2011 tot ongewenst vreemdeling verklaard. Bij beschikking van 19 augustus 2013 is de aanvraag tot opheffing van die ongewenstverklaring van de aanvrager afgewezen. Bij beschikking van 1 april 2014 is het daartegen gerichte bezwaar gegrond verklaard en is de ongewenstverklaring van verzoeker opgeheven per 1 augustus 2011. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>6. Op grond van het voorgaande moet er vanuit worden gegaan dat de beschikking tot ongewenstverklaring van 1 augustus 2011 geacht moet worden niet te zijn gegeven. Immers, gelet op de beschikking van 1 april 2014 luidt het besluit de ongewenstverklaring van de aanvrager op te heffen met ingang van de dag waarop de verzoeker aanvankelijk ongewenst was verklaard, te weten 1 augustus 2011. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>7. Daaruit volgt dat in deze herzieningszaak sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, een gegeven dus dat, kort gezegd, het ernstige vermoeden doet ontstaan dat indien de Politierechter daarmee bekend was geweest het onderzoek van de zaak ter terechtzitting zou hebben geleid tot vrijspraak.<footnote-ref linkend="_fabcdc04-c5c9-41c9-ae4e-70f14b5bf4c3" /><?linebreak?><?linebreak?></para>
    <para>8. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het hierboven onder 1 aangehaalde vonnis van de Politierechter van de rechtbank te Amsterdam van 3 augustus 2012 (met parketnummer 13/651074-12) zal bevelen, en de zaak zal verwijzen naar een Gerechtshof opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid (aanhef en onder b), Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>					AG</para>
  </parablock>
  <footnote id="_fabcdc04-c5c9-41c9-ae4e-70f14b5bf4c3" label="1">
    <para> Vgl. HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:539. </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>