<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2013:CA0264</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T00:52:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">CA0264</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2013-05-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12/01905</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2013:CA0264" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA0264, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2013/363</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:CA0264">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:CA0264</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-07-12T09:59:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-07-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2013:CA0264 Parket bij de Hoge Raad , 03-05-2013 / 12/01905</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2013:CA0264:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 81 lid 1 RO. Was de bank bevoegd tot executoriale verkoop van onroerende goederen na executoriale beslaglegging door schuldeisers? Uitleg algemene voorwaarden bank. Lossingsrecht. Verkoop onder marktwaarde? Art. 3:268, 3:269 BW. Art. 522 Rv.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2013:CA0264:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>12/01905</para>
    <para>Mr. E.B. Rank-Berenschot</para>
    <para>Zitting: 3 mei 2013</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>CONCLUSIE inzake:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      [eiser],</para>
    <para>eiser tot cassatie,</para>
    <para>advocaat: mr. H.H.M. Meijroos,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>tegen:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>1. Rabo Hypotheekbank N.V.,</para>
    <para>2. Coöperatieve Rabobank Vijfheerenlanden U.A.,</para>
    <para>verweersters in cassatie,</para>
    <para>niet verschenen. </para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Het gaat in deze zaak om de vraag of verweersters in cassatie (hierna gezamenlijk: de banken) onrechtmatig hebben gehandeld jegens eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) door de executoriale verkoop van aan [eiser] toebehorende onroerende zaken. </para>
  <para />
  <para>1. Feiten en procesverloop</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.(1)</para>
    <para>a. Verweerster in cassatie sub 2 (hierna: de bank) heeft aan [eiser] c.q. zijn eenmanszaak [A] leningen verstrekt van respectievelijk fl. 800.000,-, € 427.000,- en € 363.000,-. Daarnaast hadden [eiser] en zijn echtgenote een krediet in rekening-courant tot maximaal fl. 200.000,-. Op deze overeenkomsten zijn de Algemene voorwaarden voor particuliere geldleningen van de Rabobank 2001 (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. Artikel 12 van de algemene voorwaarden bepaalt, voor zover thans van belang: </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>"12. Onmiddellijke opeisbaarheid </para>
    <para>In elk van de hierna genoemde gevallen kan de bank het door u verschuldigde onmiddellijk opeisen. Daarbij is geen opzegging, ingebrekestelling of andere formaliteit nodig. Deze gevallen zijn (...) </para>
    <para>c. vermogen van u of van de zekerheidgever wordt onder bewind of beheer gesteld, of daarop wordt beslag gelegd (...)"</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>b. Tot zekerheid van deze financieringen verstrekte [eiser] bij aktes van 1 juli 1992 en 31 januari 2003 recht van hypotheek ten gunste van de banken op een aantal onroerende zaken (hierna: de onroerende zaken).</para>
    <para>c. In onder meer 2005 en 2007 zijn ten laste van [eiser] door verschillende schuldeisers executoriale beslagen gelegd op de onroerende zaken. Naar aanleiding van deze beslagen hebben de banken op 17 oktober 2007 de financiering opgezegd.</para>
    <para>d. Op 12 november 2007 heeft Eneco Netbeheer B.V. (hierna: Stedin) executoriaal beslag gelegd voor een vordering van € 60.000,-. Ook is beslag gelegd op grond van een dwangbevel door de rechtbank Groningen wegens verschuldigd griffierecht ten bedrage van € 8.167,33.</para>
    <para>e. Op 25 januari en 6 juni 2008 is de financiering opnieuw opgezegd. Op 23 juni 2008 hebben de banken aan een notaris opdracht tot veiling van de onroerende zaken gegeven. Op 6 augustus 2009 is de financiering nogmaals opgezegd. </para>
    <para>f. Bij faxbrief van 21 december 2009 aan de raadsman van [eiser] hebben de banken bevestigd bereid te zijn tegen betaling door [eiser] van de kosten de veilingopdracht in te trekken als zij van Stedin en de rechtbank Groningen schriftelijke bevestigingen zouden ontvangen dat niet langer op executie werd aangedrongen.</para>
    <para>g. De onroerende zaken zijn op 22 december 2009 openbaar verkocht en op 19 februari 2010 geleverd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1.2 Bij inleidende dagvaardingen van 29 december 2009 en 30 december 2009 heeft [eiser] de banken gedagvaard voor de rechtbank Dordrecht. Hij heeft gevorderd, kort samengevat, primair dat voor recht wordt verklaard dat de op 22 december 2009 gehouden openbare verkoop onrechtmatig was en dat de banken worden veroordeeld de verkoop ongedaan te maken, en subsidiair dat de banken worden veroordeeld tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat.</para>
  <para />
  <para>Aan zijn vorderingen heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat de banken niet hebben aangetoond dat Eneco en de rechtbank Groningen hebben aangedrongen op de executie en dat de beslagleggers zich ook konden verhalen op auto's en motoren waarin [eiser] handelt. [eiser] had geen betalingsachterstand bij de bank, zodat het overnemen van de executie jegens hem onrechtmatig is. De onroerende zaken zijn voor te lage bedragen verkocht en [eiser] lijdt in zakelijk opzicht schade. Ter comparitie heeft [eiser] de grondslag van de vordering aldus aangevuld, dat de banken in strijd met het bepaalde in art. 544 lid 2 Rv hebben verzuimd de overname van de executie aan [eiser] te betekenen, hetgeen meebrengt dat de executie geschorst had moeten worden dan wel nietig is. </para>
  <para />
  <para>1.3 In haar vonnis van 4 augustus 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat de ter comparitie aangevoerde vermeerdering van de grondslag van de vordering wegens strijd met de goede procesorde niet kan worden toegestaan. Ten overvloede heeft de rechtbank geoordeeld dat deze grondslag niet leidt tot toewijzing van de vordering (rov. 4.2). Voor het overige heeft de rechtbank geoordeeld dat de banken met de executoriale verkoop niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser] (rov. 4.6). Zij heeft de vorderingen dan ook afgewezen. </para>
  <para />
  <para>1.4 Op het hoger beroep van [eiser] heeft het hof 's-Gravenhage bij arrest van 20 december 2011, met in achtneming van de grondslag van eis zoals vermeerderd bij de comparitie in prima, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. </para>
  <para />
  <para>1.5 [eiser] heeft tijdig(2) beroep in cassatie ingesteld. Tegen de banken is verstek verleend. [eiser] heeft zijn standpunten nog schriftelijk toegelicht.</para>
  <para />
  <para>2. Beoordeling van het cassatieberoep</para>
  <para />
  <para>2.1 Het cassatieberoep omvat drie middelen.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.2 Middel 1 richt een rechtsklacht tegen de overweging van het hof (a) dat "de omstandigheid, indien juist, dat [eiser] zijn verplichtingen uit de geldleningovereenkomsten behoorlijk nakwam, (..) niet in de weg [staat] aan de bevoegdheid van de banken tot opzegging van de leningen op grond van het bepaalde in artikel 12c van de algemene voorwaarden" (rov. 7), welke overweging het hof laat volgen door de overweging (b) dat, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, als gevolg van de opzegging het gehele bedrag van de leningen opeisbaar was geworden, welke overweging op haar beurt ten grondslag ligt aan het oordeel (c) dat de banken op grond van art. 3:268 lid 1 BW bevoegd waren over te gaan tot openbare verkoop. </para>
    <para>Volgens het middel is de aangehaalde overweging (a) om een aantal redenen in strijd met de wet. Gesteld wordt dat de wet van hogere orde is dan de algemene voorwaarden waarop het hof zijn overweging doet steunen en dat volgens art. 3:269 BW tot het tijdstip van de toewijzing ter veiling de verkoop kan worden voorkomen door voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt. Opgemerkt wordt dat [eiser] in de periode tussen 11 december en 31 december 2009 geen renteachterstanden had(3), waaraan de gevolgtrekking wordt verbonden dat de geldleningen niet direct opeisbaar werden. Noch art. 3:268 lid 1, noch art. 12c van de algemene voorwaarden is in deze van toepassing, aldus het middelonderdeel. </para>
  </parablock>
  <para />
  <para>2.3 Het middel kan niet tot cassatie leiden. Voor zover wordt geklaagd dat art. 12c van de algemene voorwaarden nietig is wegens strijd met art. 3:269 BW - waarin het zogenoemde 'lossingsrecht' is neergelegd - gaat het middel uit van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het middel tevens een rechtsklacht richt tegen 's hofs overweging (b) en/of oordeel (c) faalt het omdat het niet voldoet aan de daaraan ingevolge art. 407 lid 2 Rv te stellen eisen, nu niet wordt vermeld waarom die overweging respectievelijk dat oordeel rechtens onjuist is, en ook niet valt in te zien waarom die overweging resp. dat oordeel onjuist zou zijn. </para>
  <para />
  <para>2.4 Middel 2 ziet in de kern op 's hofs oordeel in rov. 10 van zijn arrest. Daarin heeft het hof als volgt overwogen(4):</para>
  <para />
  <para>"10. Het verwijt dat de bank te veel heeft laten verkopen, is door de bank gemotiveerd betwist. Daartoe heeft zij een beroep gedaan op de door haar overgelegde staat van verdeling van de Rechtbank Dordrecht. [eiser], die hier bij akte op heeft kunnen reageren, heeft onvoldoende gemotiveerd bestreden dat uit die staat van verdeling volgt dat de onroerende zaken onvoldoende hebben opgebracht om alle gerechtigden, waaronder de bank als executant dient te worden gerekend, te voldoen. Van schending van art. 522 Rv is derhalve niet gebleken, nog daargelaten dat dit artikel een verplichting aan de notaris en niet aan de executant oplegt, zodat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom schending van dit artikel een onrechtmatige daad van de bank jegens [eiser] zou opleveren."</para>
  <para />
  <para>Het middel bestrijdt de uitleg die het hof aan art. 522 Rv heeft gegeven en klaagt dat het hof ten onrechte concludeert dat van schending van art. 522 Rv niet is gebleken. Daartoe wordt aangevoerd - onder meer - dat het de plicht van de banken (als opdrachtgevers van de verkoop) is om de notaris te informeren over de openstaande posten. Voorts wordt gesteld dat de banken als opdrachtgevers onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld, dat [eiser] op het moment van de veiling geen renteachterstanden had, zodat de banken geheel onnodig tot openbare verkoop zijn overgegaan, dat de panden meer dan voldoende overwaarde hadden en dat het oordeel van het hof rechtens onjuist is. </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.5 Het middel leidt niet tot cassatie, nu het niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. In het middel wordt kennelijk met een rechtsklacht opgekomen tegen 's hofs oordeel, doch in het middelonderdeel is verzuimd met bepaaldheid en precisie uiteen te zetten waarom het hof in rov. 10 het recht (art. 522 Rv) heeft geschonden. </para>
    <para>Voor zover in de stellingen in het middel dat er geen renteachterstanden waren op het moment dat de veiling begon en dat de onroerende zaken meer dan voldoende overwaarde hadden, de motiveringsklacht moet worden gelezen dat 's hofs oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is, faalt het middel. In cassatie is niet (met succes) bestreden 's hofs overweging in rov. 7 dat als gevolg van de opzegging van de financiering op de voet van art. 12c van de algemene voorwaarden het gehele bedrag van de leningen opeisbaar was geworden, zodat de - door het hof in rov. 7 in het midden gelaten - stelling dat er geen renteachterstanden waren op het moment van de veiling, niet ertoe leidt dat 's hofs oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Voorts is in het middel geen vindplaats vermeld van de stelling dat de onroerende zaken meer dan voldoende overwaarde hadden, zodat de klacht in zoverre evenmin aan de daaraan te stellen eisen voldoet. In het middel is in ieder geval niet uitgewerkt dat [eiser] wel voldoende gemotiveerd het beroep van de banken op de door hen overgelegde staat van verdeling van de rechtbank Dordrecht heeft betwist.(5) </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.6 Middel 3 heeft betrekking op rov. 11, waarin het hof heeft overwogen:</para>
    <para>"11. [eiser] heeft bij akte nog een aantal stukken overgelegd die kennelijk dienen ter onderbouwing van zijn bij inleidende dagvaarding ingenomen standpunt dat de onroerende zaken ver beneden de marktwaarde zijn verkocht en dat de bank een dergelijke verkoop niet had mogen doorzetten. Het hof gaat aan deze stukken voorbij omdat [eiser] op dit punt niet, althans niet met de vereiste duidelijkheid, tegen het vonnis heeft gegriefd en, voor zover de inhoud van de akte als grief zou dienen te worden aangemerkt, deze te laat, te weten na het nemen van de memorie van antwoord, is voorgesteld. Ten overvloede wordt overwogen dat het ter zake aan de bank gemaakte verwijt onvoldoende feitelijk onderbouwd is."</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de overgelegde stukken "dienen ter onderbouwing van zijn bij inleidende dagvaarding ingenomen standpunt dat de onroerende zaken ver beneden de marktwaarde zijn verkocht". Daartoe wordt aangevoerd dat [eiser] in de akte verwijst naar hetgeen de banken in punt 13 van hun memorie van antwoord (hierna: MvA) hebben gesteld en de daarbij overgelegde stukken, en dat de bij akte overgelegde stukken een reactie daarop zijn. </para>
  <para />
  <para>2.7 Het middel, dat is gericht tegen 's hofs uitleg van de bedoelde akte, treft geen doel. De uitleg van gedingstukken is feitelijk van aard en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. In de betreffende akte van 17 mei 2011 is in de alinea waarin wordt verwezen naar de met de akte overgelegde productie het volgende opgemerkt: </para>
  <para />
  <para>"Appellant ([eiser]: toev. A-G) handhaaft zijn stelling dat zijn panden voldoende overwaarden hadden en dat het uitvoeren van een openbare verkoop naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid een te zwaar middel was. Appellant legt in verband met de (veiling)prijzen en overwaarde een kopie van het rapport van de Mededingingsautoriteit over (prod. 1), en verzoekt de inhoud ervan als in deze akte ingelast te beschouwen.". </para>
  <para />
  <para>In het licht hiervan is 's hofs overweging in rov. 11, waarin het hof ingaat op de akte voor zover daarmee prod. 1 is overgelegd en toegelicht, niet onbegrijpelijk.(6) Dat elders in de akte nog is verwezen naar punt 13 MvA en naar door de banken met de MvA overgelegde stukken, doet daaraan niet af. Overigens maakt de klacht niet duidelijk waarom, zelfs indien zou worden aangenomen dat met de stukken is gereageerd op stukken overgelegd met de MvA en dat het hof dit niet onder ogen heeft gezien, zulks tot cassatie zou moeten leiden. Er is (bijvoorbeeld) niet uitgewerkt dat 's hofs oordeel daarmee onbegrijpelijk zou zijn of onvoldoende zou zijn gemotiveerd. </para>
  <para />
  <para>3. Conclusie</para>
  <para />
  <para>De conclusie strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 lid 1 RO. </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>A-G</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>1 Rov. 1 van het arrest van het hof van 20 december 2011 i.v.m. rov. 2 van het vonnis van de rechtbank van 4 augustus 2010. </para>
    <para>2 De cassatiedagvaarding is op 20 maart 2012 uitgebracht.</para>
    <para>3 In het middel wordt daartoe slechts verwezen naar de CvA in prima, zonder te vermelden waar in de CvA dit is vermeld. </para>
    <para>4 Het hof heeft verweerders in cassatie aangeduid met "bank" in enkelvoud. </para>
    <para>5 De staat van verdeling is overgelegd als productie 22 bij MvA. </para>
    <para>6 Ik merk op dat zowel het hof in rov. 11 als middel 3 gewag maakt van "stukken", terwijl met de betreffende akte slechts één productie is overgelegd.</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>