<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2013:BZ5674</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T08:53:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ5674</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2013-05-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/01055</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2013:BZ5674" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ5674</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2013/253</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:BZ5674">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:BZ5674</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:01:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2013:BZ5674 Parket bij de Hoge Raad , 03-05-2013 / 13/01055</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2013:BZ5674:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei; art. 350 lid 3, onder  c en e, Fw.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2013:BZ5674:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>13/01055</para>
      <para>Mr. L. Timmerman</para>
      <para>Zitting 22 maart 2013</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie inzake:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Verzoeker]</para>
      <para>verzoeker tot cassatie,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Feiten en procesverloop(1)</para>
    <para />
    <para>1.1 Bij vonnis van de rechtbank Breda van 27 juni 2012 is ten aanzien van [verzoeker] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. </para>
    <para />
    <para>1.2 Bij vonnis van 21 december 2012 heeft de rechtbank de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd op grond van art. 350 lid 3 aanhef en sub c en e Fw.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.3 Tegen dit vonnis is [verzoeker] in hoger beroep gekomen bij het hof Den Bosch. Hij verzocht het hof alsnog afwijzing van de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling met verzoek de looptijd daarvan eventueel te verlengen met een of twee jaar. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 februari 2013.</para>
      <para>Bij arrest van 2013 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.4 [Verzoeker] is van dit arrest tijdig(2) in cassatie gekomen.</para>
    <para />
    <para>2. Ontvankelijkheid</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1 Het verzoekschrift bevat twee cassatiemiddelen, elk bestaand uit meerdere ongenummerde alinea's.</para>
      <para>Middel I betoogt dat het hof had moeten toetsen of de overstelpende hoeveelheid informatie welke [verzoeker] heeft opgestuurd "toerekenbaar" niet de informatie was waar de bewindvoerder(s) om vroegen "om tot een adequate uitvoering van de schuldsaneringsregeling'' te komen. Het begrip "om tot een adequate uitvoering van de schuldsaneringsregeling" te komen wordt door het hof niet gedefinieerd, zodat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, althans sprake is van een motiveringsgebrek.</para>
      <para>Het middel faalt. Het komt op tegen slechts één van de door het hof in r.o. 3.5.2 genoemde tekortkomingen in de informatieverplichting en laat de overige in die rechtsoverweging genoemde tekortkomingen (te weten de weigering van [verzoeker] om de bewindvoerder te informeren over zijn woon- of verblijfplaats en zijn weinig coöperatieve houding jegens beide bewindvoerders) onverlet. Deze overige tekortkomingen kunnen het oordeel van het hof dat [verzoeker] is tekortgeschoten in één of meer van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende plichten zelfstandig dragen, nog los van de eveneens zelfstandig dragende grond genoemd in r.o. 3.5.5 (zie hierna de behandeling van middel II).</para>
      <para>Overigens mist het middel feitelijke grondslag: het hof toetst in r.o. 3.5.2 of [verzoeker] heeft voldaan aan de door hem ten tijde van het huisbezoek ondertekende regels die van toepassing zijn op de schuldsaneringsregeling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2 Middel II betoogt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de - kennelijk emotionele - uitlating van [verzoeker] ter zitting dat hij niet over enig inkomen beschikt, dat hij om hem moverende redenen geen bijstandsuitkering wenst aan te vragen, dat hij niet over een vaste woon-of verblijfplaats beschikt en een zwervend bestaan leidt.</para>
      <para>Het middel geeft evenwel niet met de vereiste precisie aan waarin de onjuistheid van het oordeel is gelegen, en stelt niet dat de emotionele uitlating van [verzoeker] feitelijk onjuist is.</para>
      <para>Bovendien mist het middel belang, nu het op r.o. 3.5.2 gebaseerde oordeel dat [verzoeker] is tekortgeschoten in één of meer van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende plichten de bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank zelfstandig kan dragen. </para>
      <para>Verder vraagt het middel een herbeoordeling van de feiten die de cassatierechter niet kan geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie</para>
    <para />
    <para>De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>A-G</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1 Voor zover in cassatie van belang. Zie het vonnis van de rechtbank Breda van 21 december 2012 en het arrest van het hof Den Bosch van 21 februari 2013, r.o. 2.1-3.4.2.</para>
      <para>2 Het verzoekschrift tot cassatie is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 1 maart 2013, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>