<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2013:BZ2047</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-09-15T09:59:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ2047</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2013-02-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12/05273</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2013:BZ2047" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ2047</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:BZ2047">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:BZ2047</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T12:49:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-02-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2013:BZ2047 Parket bij de Hoge Raad , 22-02-2013 / 12/05273</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2013:BZ2047:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Niet-ontvankelijkheid; geen cassatieberoep opengesteld tegen uitspraak van Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, art. 78 lid 1 en 4 RO.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2013:BZ2047:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>12/05273</para>
      <para>Mr. F.F. Langemeijer</para>
      <para>4 januari 2013 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie inzake:</para>
    <para />
    <para>[Verzoeker]</para>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Wassenaar</para>
    <para />
    <para>1. Bij besluit van 17 januari 2012 heeft het College van B en W een aanvraag van [verzoeker] (hierna: eiser) om verlenging van een voorrangsverklaring(1) afgewezen. Bij besluit van 14 maart 2012 heeft het College van B en W het door eiser daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>2. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage en een voorlopige voorziening verzocht. Bij uitspraak van 16 mei 2012 heeft de voorzieningenrechter in die rechtbank het beroep ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>3. Tegen die uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij heeft ook een voorlopige voorziening verzocht. Bij uitspraak van 30 augustus 2012(2) heeft de Voorzitter van de Afdeling het verzoek afgewezen en, met toepassing van art. 8:86 lid 1 Awb in verbinding met art. 49 van de Wet op de Raad van State, het beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.</para>
    <para />
    <para>4. Bij beroepschrift, ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 6 september 2012, heeft eiser op nader aan te voeren gronden beroep in cassatie ingesteld tegen de genoemde uitspraak van de Voorzitter(3). Eiser is niet vertegenwoordigd door een advocaat. Bij brief, ingekomen op 12 december 2012, heeft eiser aangekondigd binnen twee weken alsnog de grondslag van zijn beroep te zullen verstrekken. Het is bij die aankondiging gebleven. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>5. Het beroep zal klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden, omdat het is gericht tegen een uitspraak van de Voorzitter van de ABRvS in een bestuursrechtelijk geschil. Op grond van art. 78 lid 1 RO neemt de Hoge Raad kennis van het beroep in cassatie tegen de handelingen, arresten, vonnissen en beschikkingen van de gerechtshoven en de rechtbanken. Van een zodanig beroep is hier geen sprake. Op grond van art. 78 lid 4 RO neemt de Hoge Raad kennis van het beroep in cassatie van de administratieve rechter voor zover dit bij wet is bepaald. Ook op grond van deze bepaling komt de Hoge Raad in dit geval geen bevoegdheid toe.</para>
    <para />
    <para>6. Daarenboven komt het beroep in aanmerking voor toepassing van art. 80a RO. Deze bepaling is geschreven voor "cassatieberoepen die kansloos zijn wegens het ontbreken van deugdelijke cassatiemiddelen of wegens een gebrek aan belang"(4).</para>
    <para />
    <para>7. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn cassatieberoep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden, </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>a. - g.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1 Blijkens blz. 3 - 4 van de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) gaat het om een voorrangsverklaring als bedoeld in art. 31 van de Regionale Huisvestingsverordening van het stadsgewest Haaglanden 2005</para>
      <para>2 Nrs. 2012.05941/1/A3 en 2012.05941/2/A3.</para>
      <para>3 Het beroepschrift is aanvankelijk in behandeling genomen door de Derde Kamer van de Hoge Raad onder nummer 12/04260 en, gelet op art. VIII van het Reglement van inwendige dienst van de Hoge Raad, overgedragen aan de Eerste Kamer.</para>
      <para>4 Nota n.a.v. het verslag (Wet versterking cassatierechtspraak), Kamerstukken II 2010-2011, 32 576, nr. 6, blz. 2.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>