<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2013:BZ1785</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T16:07:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ1785</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2013-03-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12/05471</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2013:BZ1785" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ1785</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2013/163</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:BZ1785">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:BZ1785</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T12:48:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-03-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2013:BZ1785 Parket bij de Hoge Raad , 22-03-2013 / 12/05471</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2013:BZ1785:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 80a lid 1 RO. Koop boerenbedrijf. Vordering tot levering althans tot schadevergoeding. Beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? Rechtsgeldige stuiting? Art. 3:317 BW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2013:BZ1785:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Rolnr. 12/05471</para>
      <para>Mr M.H. Wissink</para>
      <para>Zitting van 1 februari 2013</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie inzake:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Eiser],</para>
      <para>te [woonplaats],</para>
      <para>eiser tot cassatie</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Verweerder],</para>
      <para>te [woonplaats],</para>
      <para>verweerder in cassatie</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen de arresten van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 augustus 2012 en 20 december 2011 gewezen tussen eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) als appellant en verweerder (hierna: [verweerder]) als geïntimeerde. De middelen betreffen de overwegingen in het arrest van 20 december 2011 waarin het beroep op verjaring van [verweerder] is aanvaard (middel 1) en, ter zake van een andere vordering van [eiser], de ingangsdatum van de wettelijke rente (middel 2). De middelen kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Middel 1 mist feitelijke grondslag voor zover het klaagt (in het bijzonder in nr. 3.1, onderdeel 1 en onderdeel 3) dat het hof in rov. 4.2.3.2 t/m 4.2.3.4 niet de stuiting van de verjaring op de voet van artikel 3:317 lid 1 BW of door erkenning heeft aangenomen. Op basis van de in cassatie niet bestreden lezing van subgrief Ia door het hof in rov. 4.2.3.1, heeft het hof immers in rov. 4.2.3.2 t/m 4.2.3.6 onderzocht of het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Ook de aanname in onderdeel 1 in nr. 3.3 mist feitelijke grondslag. Zie rov. 4.2.3.4, eerste volzin. </para>
      <para>Middel 1 faalt ook voor zover het klaagt (in onderdeel 2) over het oordeel, dat in casu geen sprake was van onderhandelingen als bedoeld in HR 1 februari 2002, LJN AD5811, NJ 2002/195 en 9 april 2010, LJN BL3866, NJ 2010/214, welke met zich zouden kunnen brengen dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is geenszins onbegrijpelijk en wordt in rov. 4.2.3.3 t/m 4.2.3.5 voldoende gemotiveerd. In het bijzonder kon het hof oordelen dat geen sprake was van 'daadwerkelijke onderhandelingen'. Dat wordt niet anders waar volgens het onderdeel [eiser] aandrong op nakoming van de overeenkomst en [verweerder] nieuwe voorwaarden wilde bedingen (zie met name nrs. 3.9, slot, 3.10 en 3.11). Daaruit blijkt eerder een gebrek aan communicatie, dan dat sprake zou zijn geweest van daadwerkelijke onderhandelingen. </para>
      <para>Dit wordt ook niet anders in het licht van onderdeel 4. Het hof behoefde niet in te gaan op een stelling die [verweerder] bij pleidooi had betrokken en weer had laten vallen. Anders dan het onderdeel veronderstelt (nr. 3.14) heeft het hof niet de feitelijke grondslag van het verweer aangevuld (zie het standpunt van [verweerder] ad grief I op p. 7 van de MvA). </para>
      <para>Voor zover onderdeel 1 in nr. 3.5 nog een afzonderlijke klacht bevat dat het hof een erkenning in de daar bedoelde brieven had behoren te lezen, faalt de klacht nu deze niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen; het middel geeft niet aan, onder vermelding van de vindplaats(en) van die stellingen in de stukken van het geding, dat daarop door [eiser] reeds in feitelijke instanties een beroep is gedaan. Dit geldt ook voor onderdeel 5 dat is gericht tegen rov. 4.2.4.2 t/m 4.2.4.4.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. De klacht in nr. 3.17 van onderdeel 1 van middel 2 faalt, omdat deze geheel voorbijgaat aan de overwegingen van het hof in rov. 4.4.2 over het uitblijven van het transport, waarbij ook de verrekening zou plaatsvinden. Reeds daarom faalt ook de vervolgklacht van nr. 3.18.</para>
      <para>Anders dan onderdeel 2 aanvoert, is het arrest niet innerlijk tegenstrijdig, is rov. 4.4.2 voldoende gemotiveerd en heeft het hof niet de feitelijke grondslag van het verweer van [verweerder] aangevuld. Het hof kon oordelen dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat het aan [verweerder] toerekenbaar was dat de levering geen doorgang heeft gevonden in het licht van hetgeen [verweerder] daartoe had aangevoerd (zie ad grief I op p. 7 van de MvA). Dit oordeel is overigens als feitelijk van aard aan het hof voorbehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie</para>
    <para />
    <para>De conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard kan worden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>A-G</para>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>