<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2013:BZ1449</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-09-15T09:50:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ1449</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2013-02-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12/03165</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2013:BZ1449" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ1449</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:BZ1449">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:BZ1449</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T12:47:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2013:BZ1449 Parket bij de Hoge Raad , 19-02-2013 / 12/03165</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2013:BZ1449:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Redelijke termijn. Art. 6 EVRM. Voortvarende behandeling. De omstandigheid dat het Hof heeft verzuimd i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn a.b.i. art. 6 EVRM de straf expliciet te verminderen, behoeft niet tot cassatie te leiden nu de HR de zaak binnen 9 mnd in cassatie afdoet. Conclusie AG: anders.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2013:BZ1449:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 12/03165</para>
      <para>Mr. Vellinga</para>
      <para>Zitting: 29 januari 2013</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie inzake:</para>
    <para />
    <para>[Verdachte]</para>
    <para />
    <para>1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1 primair en 2 primair "telkens: medeplegen van oplichting" en 3. "medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld. </para>
    <para />
    <para>2. Namens verdachte heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    <para />
    <para>3. Het eerste middel klaagt over de verwerping van een beroep op ernstige schending van de beginselen van behoorlijke opsporing.</para>
    <para />
    <para>4. Hetgeen het Hof te dier zake heeft overwogen geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De door de raadsman genoemde omstandigheid, dat de medeverdachte door de verbalisanten is geconfronteerd met het feit dat hij verdachte kennelijk kende, dwingt immers niet tot de conclusie dat, zoals de raadsman in zijn verweer heeft verwoord, de verbalisanten door middel van een tangverlossing de waarheid uit de medeverdachte hebben proberen te krijgen.</para>
    <para />
    <para>5. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.</para>
    <para />
    <para>6. Het tweede middel klaagt terecht dat het Hof heeft verzuimd aan te geven tot welke vermindering van straf de door het Hof geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn diende te leiden.(1)</para>
    <para />
    <para>7. Het middel is terecht voorgedragen. </para>
    <para />
    <para>8. Ik heb mij afgevraagd of de Hoge Raad het geconstateerde gebrek zelf kan herstellen door te bepalen in hoeverre de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep is verminderd. Weliswaar overweegt het Hof bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf het tijdsverloop in aanmerking te hebben genomen, maar aanknopingspunt voor de hoogte van de straf die afgezien van het tijdsverloop diende te worden opgelegd biedt het arrest van het Hof niet. Daarom beantwoord ik deze vraag ontkennend.</para>
    <para />
    <para>9. Een andere vraag is of de overschrijding van de redelijke termijn door de behandeling in cassatie kan worden gecompenseerd. In het onderhavige geval is het cassatieberoep ingesteld op 21 mei 2012. Wanneer de Hoge Raad op de gebruikelijke termijn van acht weken uitspraak doet, is de zaak in cassatie in ongeveer 10 maanden afgerond. Daarmee kan de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, die blijkens de overwegingen van het Hof circa vijf maanden bedraagt, gecompenseerd worden geacht.</para>
    <para />
    <para>10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.</para>
    <para />
    <para>11. Deze conclusie strekt primair dat verwerping van het beroep, en subsidiair tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde vrijheidsstraf en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>AG</para>
    <para />
    <para>1 Vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, r.o. 3.7 en 3.24 en HR 13 juli 2010, LJN BM0912, NJ 2010, 459, r.o. 2.3.</para>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>