<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2013:BZ0966</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T21:08:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ0966</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2013-02-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12/04737</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2013:BZ0966" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ0966</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2013/271</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2013/61</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:BZ0966">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:BZ0966</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:30:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-02-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2013:BZ0966 Parket bij de Hoge Raad , 08-02-2013 / 12/04737</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2013:BZ0966:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 80a lid 1 RO. Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Vordering tot nietigverklaring/vernietiging van schenkingen en van testament erflater.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2013:BZ0966:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>12/04737</para>
      <para>mr. De Vries Lentsch-Kostense</para>
      <para>Zitting 14 december 2012</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Conclusie inzake art. 80a RO</para>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>[Eiser]</para>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. [Verweerder 1]</para>
      <para>2. [Verweerster 2]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser tot cassatie is (tijdig) in cassatie gekomen van het tussen partijen gewezen eindarrest van het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 10 juli 2012 (in de cassatiedagvaarding wordt kennelijk abusievelijk vermeld dat het gaat om een arrest van het hof 's-Gravenhage), naar ik begrijp in samenhang met het arrest van het hof Amsterdam van 16 november 2000. Tegen verweerders in cassatie is verstek verleend. De cassatiedagvaarding bevat drie klachten. Deze klachten kunnen naar mijn oordeel klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Ik volsta hier met een korte toelichting.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De eerste cassatieklacht faalt. Daarbij stel ik voorop dat het hof in rov. 5.2 van zijn eindarrest van 10 juli 2012 terecht heeft geoordeeld dat het tweede beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank van 8 januari 1997 niet-ontvankelijk is nu door eiser tot cassatie reeds tussentijds beroep is ingesteld tegen dit tussenvonnis en het hof Amsterdam dit tussenvonnis heeft bekrachtigd in zijn arrest van 16 november 2000. De partij die tussentijds beroep instelt, is gehouden daarin al zijn bezwaren tegen de tot dan toe gewezen tussenvonnissen aan te voeren en verliest de mogelijkheid dat bij een latere gelegenheid in appel te doen (HR 30 maart 2012, LJN BU3160, NJ 2012/582 m.nt. H.B. Krans; H.J. Snijders, Civiel Appel 2009, nr. 58). </para>
      <para>De cassatieklacht die kennelijk is gericht tegen het arrest van 16 november 2000, waarin het hof tussentijds cassatieberoep heeft uitgesloten, voldoet niet aan de door art. 407 lid 2 Rv aan een cassatiemiddel te stellen eisen van voldoende bepaaldheid en precisie (HR 5 november 2010, LJN BN6196, RvdW 2010/1328) nu het middel volstaat met de klacht dat het hof (in zijn arrest van 16 november 2000) ten onrechte heeft geoordeeld dat de rechtbank op goede gronden talrijke producties van eiser tot cassatie buiten beschouwing heeft gelaten. Ten overvloede merk ik op dat het hof in dat arrest (evenals de rechtbank) terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat een partij die zich op bepaalde feiten en omstandigheden wil beroepen dit op zodanige wijze behoort te doen dat voor de rechter duidelijk is wat hem als grondslag voor de beoordeling van de vordering wordt voorgelegd, en voor de wederpartij waarop zij haar reactie dient af te stemmen. Het volstaat aldus niet om producties in het geding te brengen zonder dat in de processtukken duidelijk wordt gemaakt wat de zin of de bedoeling van die producties is (Asser Procesrecht/Van Schaick 2, nr. 98; M.J.A.M. Ashmann, De weg naar het civiele vonnis 2011, p. 73). Ik teken ten slotte nog aan dat het cassatiemiddel niet duidelijk maakt welke specifieke producties in aanmerking genomen hadden moeten worden en wat de relevantie daarvan is voor de uitkomst in de onderhavige procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De tweede klacht voldoet evenmin aan de door art. 407 lid 2 Rv aan een cassatiemiddel te stellen eisen van voldoende bepaaldheid en precisie nu het middel volstaat met een verwijzing naar een grief (kennelijk grief 2, welke grief het hof in rov. 5.4 van zijn eindarrest verwerpt). De door het cassatiemiddel bestreden tweede alinea van rov. 5.4 betreft bovendien een overweging ten overvloede nu de eerste alinea van de rechtsoverweging het oordeel van het hof reeds draagt, zodat de klacht ook reeds moet falen bij gebrek aan belang.</para>
    <para />
    <para>4. Ook de derde klacht voldoet niet aan de door art. 407 lid 2 Rv aan een cassatiemiddel te stellen eisen van voldoende bepaaldheid en precisie nu de klacht niet aangeeft welke feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan zou zijn aangewezen de huidige boedelnotaris te (laten) vervangen. </para>
    <para />
    <para>5. Nu de cassatieklachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden kan uw Raad - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie - het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>