<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2013:866</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T05:46:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-10-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2013-08-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/02805</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2013:860" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:860, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2013/479</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:866">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:866</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-10-04T15:49:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2013:866 Parket bij de Hoge Raad , 09-08-2013 / 13/02805</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2013:866:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek schuldenaar tot bevel aan schuldeiser in te stemmen met aangeboden schuldregeling, art. 287a lid 1 Fw. Geen rechtsmiddel tegen afwijzing verzoek, niet-ontvankelijkheid (HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0966, NJ 2013/43).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2013:866:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>13/02805</para>
          </entry>
          <entry>
            <para>Mr. L. Timmerman</para>
          </entry>
        </row>
        <row>
          <entry>
            <para>Zitting 9 augustus  2013</para>
          </entry>
          <entry>
            <para />
          </entry>
        </row>
        <row>
          <entry>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>Conclusie inzake:</para>
          </entry>
        </row>
        <row>
          <entry>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para />
          </entry>
        </row>
        <row>
          <entry>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              [verzoekster],</para>
          </entry>
        </row>
        <row>
          <entry>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>verzoekster tot cassatie</para>
            <para />
            <para>tegen</para>
            <para />
            <para>Obvion N.V.,</para>
            <para>verweerster in cassatie</para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">1. 	Feiten</emphasis>
    <footnote-ref linkend="_75fd1264-53d2-4e21-988f-b9e73f1b3e2c" />
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.1	[verzoekster] is, samen met haar ex-partner [betrokkene 1] voor de onverdeelde helft eigenaar van een woning aan de [a-straat 1] te [plaats]. Deze woning is thans onbewoond en staat te koop.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.2	[betrokkene 1] is in mei 2011 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Deze regeling is in november 2011 geëindigd door homologatie van een aangeboden akkoord.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.3	[betrokkene 1] en [verzoekster] hebben geen relatie meer. Na het verbreken van de relatie heeft [verzoekster], in september 2010, als eerste de woning verlaten. Toen ook [betrokkene 1] de woning verliet, heeft [verzoekster] Obvion in kennis gesteld van het feit dat de woning leeg stond.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.4	[verzoekster] had ten tijde van het inleidend verzoekschrift twee schuldeisers: een – nog niet opeisbare – schuld aan [betrokkene 2] (op grond van een lening uit 2012) van € 1.600 en een hypothecaire lening bij Obvion uit 2007 van € 187.256 (per februari 2013 groot € 194.182,65). [verzoekster] heeft inkomen uit een full time dienstverband. Haar salaris bedraagt circa € 1.308 netto per maand, inclusief vakantietoeslag. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.5	Obvion heeft op 23 november 2012 executoriaal beslag gelegd op het inkomen van [verzoekster], waarbij geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet. Hierdoor kwam [verzoekster] direct in de problemen met het voldoen van haar vaste lasten. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat er naast de vorderingen van Obvion en [betrokkene 2] twee nieuwe vorderingen bestaan, waaronder een opeisbare vordering ten aanzien van de premie ziektekostenverzekering.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="bold">2.	Procesverloop</emphasis>
    <footnote-ref linkend="_0fc63924-75bb-40be-92ae-51b5b7af8502" />
  </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.1	Bij inleidend verzoekschrift van 25 januari 2013 heeft [verzoekster] de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, primair verzocht om Obvion te bevelen in te stemmen met de door haar aangeboden schuldregeling, een en ander als bedoeld in art. 287a Fw. Subsidiair verzocht zij te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.2	Obvion voerde verweer. Zij stelde dat [verzoekster] in strijd met haar jegens Obvion na te leven zorgplicht nalatig is geweest in het onderhouden van de woning. Inmiddels is de woning op een zeer laag bedrag getaxeerd, waardoor Obvion na verkoop geconfronteerd wordt met een grotere restschuld. Ten tweede stelt Obvion zich op het standpunt dat in het persoonlijke relaas van [verzoekster] staat vermeld dat zij ervoor heeft gezorgd dat haar ex-partner niet strafrechtelijk werd veroordeeld. Obvion is van mening dat er sprake is van benadeling van Obvion, want indien haar ex-partner wel was veroordeeld, zou er ook geen hypotheek zijn afgesloten. Tot slot betwist Obvion dat er sprake is van een problematische schuldensituatie. Door het door Obvion op het inkomen van [verzoekster] gelegde beslag is er volgens Obvion geen sprake van een situatie waarin [verzoekster] is opgehouden te betalen. Evenmin konden er volgens Obvion door het gelegde beslag nieuwe schulden ontstaan, omdat er bij de beslaglegging rekening zou worden gehouden met de beslagvrije voet.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.3	De rechtbank heeft het primaire verzoek van [verzoekster] bij vonnis van 14 maart 2013 toegewezen. De rechtbank was van oordeel dat Obvion in redelijkheid niet had kunnen weigeren in te stemmen met de aangeboden regeling, nu Obvion er geen belang bij heeft indien [verzoekster] zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling als het gaat om de uitkering die Obvion tegemoet kan zien na verkoop van de woning, mede gelet op de restschuld. Obvion betwist niet dat het aangeboden voorstel (1,60% van de vordering) in financiële zin gunstiger uitpakt dan de vermoedelijke uitkering bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (1,26% van de vordering). De rechtbank merkte daarbij op dat zij de toelating van [verzoekster] tot genoemde regeling aannemelijk acht, gelet op haar problematische schuldensituatie. </para>
    <para>Het verwijt van Obvion dat de woning aanzienlijk in waarde is gedaald door diefstal en vernielingen door [betrokkene 1] is op zichzelf juist, maar dit kan niet op het conto van [verzoekster] worden geschreven. [verzoekster] heeft zelf aan Obvion gemeld dat de woning leeg stond en Obvion heeft niet gereageerd op haar voorstel om de woning – tegen een vergoeding – te verhuren; [verzoekster] heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar gevergd kon worden, terwijl Obvion kennelijk geen aanleiding heeft gezien om maatregelen te nemen om de waarde van de woning te behouden.</para>
    <para>Voorts merkte de rechtbank op dat de hypothecaire lening een feit is. Dat Obvion de hypothecaire lening mogelijk niet zou hebben verstrekt wanneer zij op de hoogte was geweest  van mogelijk strafbare feiten van [betrokkene 1] jegens [verzoekster], deed er in het kader van de beoordeling van het verzoek tot het dwangakkoord niet meer toe, aldus de rechtbank.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.4	Obvion is onder aanvoering van drie grieven van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden. [verzoekster] voerde verweer. Primair verzocht zij het hof om Obvion niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep en om het bestreden vonnis te bekrachtigen; subsidiair verzocht zij toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.5	Bij arrest van 30 mei 2013 heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en het primaire verzoek van [verzoekster] alsnog afgewezen. Het subsidiaire verzoek van [verzoekster] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wees het hof toe.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.6	[verzoekster] is tijdig<footnote-ref linkend="_e83c0c9e-8b9b-493a-8a24-d12b9dbc5ba6" /> in cassatie gekomen van de afwijzing van haar primaire verzoek.</para>
    <para>Obvion voerde verweer.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <bridgehead role="bold">3.	Beoordeling van het cassatiemiddel</bridgehead>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.1	Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen, bestaand uit meerdere ongenummerde alinea’s. Onderdeel III bevat geen klacht, maar slechts de verduidelijking dat het cassatieberoep zich niet richt tegen de toewijzing van het subsidiaire verzoek, dat als subsidiair kan blijven gelden voor het geval het primaire verzoek wordt afgewezen. Onderdeel II verwijst naar hetgeen gesteld wordt bij Onderdeel I. Het cassatiemiddel richt rechts- en motiveringsklachten tegen rechtsoverwegingen 3.7 tot en met 3.11. Het betoogt op bladzijden 3 tot en met 5 – verkort weergegeven – dat het hof er ten onrechte van uitgaat dat één crediteur, met één opeisbare vordering, niet gedwongen kan worden akkoord te gaan met een schuldregeling. Het dwangakkoord van art. 287a Fw zou de “eerlijke” schuldenaar onder omstandigheden de mogelijkheid moeten bieden bevrijd te worden van een onoverkomelijke schuldenlast; de wetgever beoogde met de gedwongen schuldregeling de toepassing van de schuldsaneringsregeling zoveel mogelijk te voorkomen. </para>
    <para>Het middel stelt op bladzijde 5 dat niet betoogd kan worden dat één crediteur als het ware een vetorecht verkrijgt bij de totstandkoming van een dwangakkoord, hetgeen het resultaat zou zijn van aanvaarding van het standpunt van het hof nu dit standpunt alsdan een categorie crediteuren zou scheppen met een soort super bevoorrechte rechten en positie, welke categorie over geen enkele basis beschikt, noch in de wet, noch in het recht, noch anderszins. Ook zou het hof een te grote betekenis hebben toegekend aan het niet-opeisbaar zijn van de vordering van [betrokkene 2].</para>
    <para>Het middel betoogt tot slot op bladzijden 5 en 6 dat het hof ten onrechte verwijst naar het Payroll-arrest, nu dit arrest is achterhaald door art. 287a Fw en bovendien ziet op een kort geding, terwijl onderhavig geding een bodemprocedure betreft.</para>
    <para>Bij de afweging van de belangen in het kader van de rechterlijke toets die in dit kader moet plaatshebben, dient volgens het middel de hoegrootheid van het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast, en de vraag of de weigerende schuldeiser alleen staat naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeisers, met uiterste terughouding, te worden getoetst, waarbij echter vastgehouden dient te worden aan de uiteindelijke bedoeling en opzet van de wetgever: zorgen dat er een mogelijkheid bestaat om, buiten faillissement en wettelijke schuldsaneringsregeling een mogelijkheid te scheppen tot uitkomst uit een uitzichtloze financiële situatie.  </para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>3.2  In haar verweerschrift heeft Obvion zich op grond van art. 292 lid 5 Fw op niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] beroepen. Ik meen dat de Hoge Raad dit beroep dient te honoreren. Ik verwijs hiervoor naar rov. 3.6.5 van het arrest van 14 december 2012<footnote-ref linkend="_4d3297c3-8878-4e24-85b0-1f0bff514fc3" />.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Conclusie</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De conclusie strekt tot niet ontvankelijkheid. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>								De Procureur-Generaal bij de</para>
    <para>								Hoge Raad der Nederlanden	</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>								A-G</para>
  </parablock>
  <footnote id="_75fd1264-53d2-4e21-988f-b9e73f1b3e2c" label="1">
    <para> Voor zover in cassatie relevant; zie het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 30 mei 2013, r.o. 3.1 en 3.15.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0fc63924-75bb-40be-92ae-51b5b7af8502" label="2">
    <para> Voor zover in cassatie relevant; zie het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 14 maart 2013; het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 30 mei 2013 en het p-v van de daaraan voorafgaande mondelinge behandeling van 22 mei 2013. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e83c0c9e-8b9b-493a-8a24-d12b9dbc5ba6" label="3">
    <para> Verzoekschrift per fax ingekomen bij de griffie van de Hoge Raad op 7 juni 2013.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4d3297c3-8878-4e24-85b0-1f0bff514fc3" label="4">
    <para>    NJ 2013, 43 en JOR 2013, 123.  </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>