<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2013:34</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T20:47:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-07-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2013-06-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/02480</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2013:627" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:627, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2013/422</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:34">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:34</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-09-06T14:20:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-09-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2013:34 Parket bij de Hoge Raad , 21-06-2013 / 13/02480</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2013:34:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Arubaanse zaak. Art. 80a lid 1 RO, niet-ontvankelijkheid. Toestaan omgangsregeling vader met minderjarige kinderen na echtscheiding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2013:34:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnr. 13/02480</para>
  <para>					Mr M.H. Wissink</para>
  <para>Zitting van 21 juni 2013	</para>
  <para />
  <para>			Conclusie inzake:</para>
  <para />
  <section>
    <title>
      [de vrouw],</title>
    <parablock>
      <para>wonende op [woonplaats],</para>
      <para>verzoekster tot cassatie, </para>
      <para>(hierna: de vrouw)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [de man], </title>
    <parablock>
      <para>wonende op [woonplaats],</para>
      <para>verweerder,</para>
      <para>(hierna: de man)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.</nr>
      <para>Het bij verzoekschrift van 17 mei 2103 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen de beschikkingen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof) van 14 februari 2012 en van 19 februari (op schrift gesteld op 26 maart) 2013. Hierin heeft het hof een omgangsregeling toegestaan tussen de man en het uit het ontbonden huwelijk van partijen geboren kind van thans vijf jaren oud, waarover de vrouw het gezag heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <parablock>
        <para>De klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. </para>
        <para>	Onderdeel 2.1 richt klachten tegen rov. 3.3-3.5 en het dictum van de tussenbeschikking. <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.1.1</emphasis> bevat geen klacht.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.1.2</emphasis> berust op een verkeerde lezing van de beschikking. De overweging over ‘family life’ ziet op het bestaan van het recht van omgang dat voortvloeit uit art. 1:377a BW. Het hof legt in rov. 3.4.1 uit dat niet of onvoldoende is gebleken dat de gestelde agressie zodanig relevante negatieve invloed heeft op het belang van het kind dat daarmee een van de vier gronden van art. 1:377a lid 3 BW aanwezig is. </para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.1.3</emphasis> bestrijdt dit feitelijke oordeel vergeefs. Het hof heeft in rov. 3.4.1 niet geoordeeld dat de “door de vrouw gestelde (…) heftige spanningen geen effect hebben” op het kind. Daar komt bij dat de klacht zich richt naar de situatie in 2010 terwijl nadien tijd is verstreken, waarop het hof in rov. 3.4.1 wijst. Dit laatste geldt ook voor de klacht van <emphasis role="underline">subonderdeel 2.1.4 </emphasis>voor zover deze ziet op de psychische toestand van de vrouw. Op de enkele stelling van de vrouw met betrekking tot haar vrees voor agressie van de man jegens het kind behoefde het hof gezien zijn overige overwegingen niet nog afzonderlijk in te gaan.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.1.5</emphasis> berust op een onjuiste lezing van de beschikking. Met het recht van de man op omgang in rov. 3.4.1 doelt het hof op het wettelijke uitgangspunt, waarbij het overigens (ook in rov. 3.4.1) toetst aan het belang van het kind (zie rov. 3.3).</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.1.6</emphasis> berust op een onjuiste lezing van de beschikking. Het hof toetst of het belang van het kind zich verzet tegen omgang, waarbij het hof in principe omgang met de biologische/juridische vader in het belang van het kind acht. In dat perspectief weegt het hof de stellingen van de vrouw omtrent haar psychische draagkracht. <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.1.7</emphasis> miskent dat het bij de zojuist bedoelde beoordeling gaat om de betekenis van de stellingen omtrent de psychische draagkracht en niet om het bewijs van de daaraan voorafgaande mishandelingen. Anders dan <emphasis role="underline">subonderdeel 2.1.8</emphasis> aanvoert, heeft het hof geen oordeel gegeven omtrent de medische toestand van de vrouw. Het heeft de verklaringen van de huisarts en psycholoog beoordeeld in verband met de betekenis die in de afweging moet toekomen aan de psychische draagkracht van de vrouw.<footnote-ref linkend="_c3f66873-47c5-424e-b90e-a8aea2e04ae8" /></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 2.2</emphasis> richt klachten tegen de eindbeschikking. Het hof heeft in het rapport van de Voogdijraad van 12 februari 2013 geen aanleiding gezien anders te oordelen dan het in zijn tussenbeschikking had gedaan. Het rapport bevat als bijlagen de brieven van dr. McCollum-Willems van Kem psychology van 13 juni 2013 en 14 november 2012 en reageert daarop op p. 13-14. De Voogdijraad komt tot een aanbeveling die het hof heeft overgenomen. De <emphasis role="underline">klachten onder I</emphasis> falen. Het hof heeft de brieven van dr. McCollum-Willems niet miskend, maar een eigen afweging gemaakt welke gezien de tussenbeschikking en de inhoud van het rapport van de Voogdijraad van 12 februari 2013 voldoende is gemotiveerd. Het hof heeft niet (ook niet in zijn tussenbeschikking) geoordeeld dat de berichten van de behandelaars van de vrouw niet ter zake zijn. </para>
        <para>De voortbouwende <emphasis role="underline">klachten op p. 15, van onderdeel 2.2 onder II en van onderdeel 2.3</emphasis> dienen eveneens te falen. Het hof heeft aan de hand van een juiste maatstaf een voldoende gemotiveerd oordeel gegeven, dat sterk verweven is met waarderingen van feitelijke aard. Voor de Hoge Raad resteert dan verder geen taak.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.</nr>
      <parablock>
        <para>Het cassatieberoep kan met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard worden.</para>
        <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
        <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>A-G</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_c3f66873-47c5-424e-b90e-a8aea2e04ae8" label="1">
    <para> Deze verklaringen maken kennelijk deel uit van het procesdossier, maar ik trof ze niet aan in het dossier dat mij ter beschikking staat. De inhoud ervan wordt in het verzoekschrift tot cassatie geciteerd op p. 13-14 (met de opmerking dat de verklaring van de huisarts dateert van 9 januari 201<emphasis role="underline">2</emphasis>), zonder vermelding van de vindplaats in de stukken van het geding. </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>