<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2013:2250</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T08:22:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2013-11-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12/03413</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2014:29" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:29</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:2250">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:2250</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-01-07T15:15:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-01-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2013:2250 Parket bij de Hoge Raad , 05-11-2013 / 12/03413</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2013:2250:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>HR: 81.1 RO. Ambtshalve: strafoplegging art. 197 (oud) Sr  en terugkeerrichtlijn. HR stelt ECLI:NL:HR:2013:BY3151 en ECLI:NL:HR:2013:705 voorop. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het Hof zich ervan heeft vergewist dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen. HR vernietigt het bestreden arrest wat betreft de strafoplegging.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2013:2250:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 12/03413	</para>
  <para>						Mr. Wortel</para>
  <para>Zitting 5 november 2013	</para>
  <para>				conclusie inzake</para>
  <bridgehead role="underline">
    [verdachte]
  </bridgehead>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>1.1	Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 7 februari 2012 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij behoudens de strafoplegging en de motivering daarvan is bevestigd een vonnis van de politierechter in de Rechtbank Amsterdam, waarbij is bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan feiten die zijn gekwalificeerd als (1) “diefstal”,  (2) “poging tot diefstal” en (3) “als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard”. Ter zake van die feiten heeft het Hof de verdachte drie maanden gevangenisstraf opgelegd. </para>
    <para>1.2	Door middel van een als “cassatierekest” aangeduide cassatieschriftuur heeft mr. F. Verkerk, advocaat te Amsterdam, overigens zonder in de schriftuur met zoveel woorden te vermelden dat de verdachte haar tot het indienen daarvan bepaaldelijk heeft gemachtigd (ook in de aanbiedingsbrief is dat niet te vinden), middelen van cassatie voorgesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>2. Het <emphasis role="underline">eerste middel</emphasis>, waarin wordt geklaagd over schending van art. 6 EVRM doordat het Hof niet heeft gemotiveerd waarom het de in eerste aanleg gedane uitspraak ten aanzien van de bewezenverklaring heeft bevestigd, faalt omdat die beslissing, op zichzelf beschouwd, geen nadere of afzonderlijke motivering behoeft. </para>
  <para />
  <para>3. Het <emphasis role="underline">tweede middel</emphasis> faalt omdat daarin de bewezenverklaring ter zake van het onder 1, primair tenlastegelegde wordt bestreden met louter stellingen van feitelijke aard, die in cassatie geen voorwerp van onderzoek kunnen zijn. </para>
  <para />
  <para>4. Het <emphasis role="underline">derde middel</emphasis> faalt om dezelfde reden en voorts omdat het gewag maakt van een (betrouwbaarheids-) verweer waarvan uit de op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken niet blijkt dat het ter terechtzitting in hoger beroep is gevoerd. </para>
  <para />
  <para>5. Het <emphasis role="underline">vierde middel</emphasis> faalt omdat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat aldaar niet méér is aangevoerd, met verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State,  dat de verdachte ter zake van het onder 3 tenlastegelegde van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen op de grond “De verdachte zou niet terug kunnen keren naar Algerije”. Aldus is niet het met concrete feiten en omstandigheden onderbouwde verweer gevoerd dat de verdachte al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om Nederland te verlaten. Tot een nadere motivering van zijn oordeel dat de beslissingen van de eerste rechter kunnen worden bevestigd, ook wat betreft de strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde feit, was het Hof daarom niet gehouden.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>6.1	De middelen lenen zich voor toepassing van art. 81 RO.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>6.2	Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De procureur-generaal </para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>wnd A-G</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>