<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2012:BY1465</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T04:44:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY1465</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2012-11-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11/03930</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2012:BY1465" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY1465</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2012/1479</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2012/555</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2012:BY1465">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2012:BY1465</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:02:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2012:BY1465 Parket bij de Hoge Raad , 23-11-2012 / 11/03930</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2012:BY1465:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 81 lid 1 RO. Nakoming overeenkomst, wilsovereenstemming.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2012:BY1465:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>11/03930</para>
      <para>mr. J. Spier</para>
      <para>Zitting 28 september 2012 (bij vervroeging)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verkorte Conclusie inzake</para>
    <para />
    <para>[Eiseres]</para>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. [Verweerster 1]</para>
      <para>2. [Verweerder 2]</para>
      <para>3. [Verweerder 3]</para>
      <para>4. [Verweerster 4]</para>
      <para>(hierna [verweerder] c.s.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Waar gaat het om?</para>
    <para />
    <para>1. [Eiseres] vordert in deze procedure, die aanhangig is gemaakt bij dagvaarding van 18 oktober 2005, kort gezegd en na wijziging van eis, primair nakoming van een volgens haar op 20 mei 2005 aangegane overeenkomst en subsidiair nakoming van de overeenkomst volgens productie 6 bij de 'akte houdende overlegging van bescheiden en houdende wijziging van eis met motivering' van 27 juni 2007. </para>
    <para />
    <para>2. De Rechtbank 's Gravenhage heeft de vorderingen in haar vonnis van 26 september 2007 afgewezen. </para>
    <para />
    <para>3. Tegen (onder meer) dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld. Het Hof 's-Gravenhage heeft, na het wijzen van een tussenarrest op 26 mei 2009 waarin [eiseres] werd toegelaten tot het bewijs van haar stellingen, in zijn arrest van 28 december 2010 het vonnis van 26 september 2007 bekrachtigd. </para>
    <para />
    <para>4. [Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep doen bezorgen. [Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. De cassatiebezorger heeft geen dossier ingeleverd.</para>
    <para />
    <para>Ontvankelijkheid</para>
    <para />
    <para>5.1 De cassatiedagvaarding bevat vijf genummerde middelen. Deze zijn nagenoeg geheel onbegrijpelijk. De onbegrijpelijkheid wordt mede in de hand gewerkt door de omstandigheid dat vrijwel geen enkele zin loopt. Aan de klachten is nauwelijks een touw vast te knopen. Bij die stand van zaken zou ik het ervoor willen houden dat geen middel in de zin van art. 407 lid 2 Rv. wordt voorgedragen. Dat leidt tot niet-ontvankelijkheid.</para>
    <para />
    <para>5.2 Ik laat verder maar rusten dat duister is of de steller van de klachten rechts- dan wel en motiveringsklachten op het oog heeft. </para>
    <para />
    <para>Beoordeling van de klachten voor zover nodig en mogelijk</para>
    <para />
    <para>6.1 In zijn eindarrest heeft het Hof in rov. 4 geoordeeld dat partijen in december 2004 wilsovereenstemming hebben bereikt over hetgeen in de laatste alinea van die rov. is vermeld. Dat oordeel wordt niet bestreden.</para>
    <para />
    <para>6.2 In rov. 10 oordeelt het Hof dat in december 2004 is overeengekomen dat "meteen" bij de ondertekening van de koopovereenkomst zou worden betaald. Een begrijpelijke klacht daartegen heb ik niet aangetroffen. Reeds op grond hiervan is het cassatieberoep tot mislukken gedoemd. Volledigheidshalve ga ik nog afzonderlijk op de middelen in.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het eerste middel richt zich tegen rov. 9 en 10 waarin wordt overwogen (volledigheidshalve citeer ik eveneens rov. 8):</para>
      <para>"8. Het hof stelt allereerst vast dat het bedrag van 1,2 miljoen euro (€ 400.000,- per vennoot) dat door [eiseres] bij de in december 2004 gehouden besprekingen als 'netto' koopprijs wordt genoemd, nog niet het door [verweerder] c.s. bij die besprekingen gewenste bedrag van 1 miljoen gulden (€ 453.780,-) netto per persoon oplevert. Ieder van [verweerder] c.s. komt dan € 53.780,- tekort. In de 'concept koopovereenkomst'- waarop de vordering van [eiseres] uitsluitend is geënt - is alleen de koopprijs van € 1,2 miljoen euro opgenomen. Daarin wordt geen melding gemaakt van aanvullende betaling(en) door [eiseres]. Geconstateerd moet dus worden dat de 'concept koopovereenkomst' wanneer deze op zichzelf wordt beschouwd, niet een juiste weergave bevat van de tussen [eiseres] en [verweerder] c.s. in december 2004 bereikte wilsovereenstemming. Indien de 'concept koopovereenkomst' in samenhang zou moeten worden beschouwd met de 'concept huurovereenkomst' dan geldt het volgende. </para>
      <para>9. Op basis van de 'concept huurovereenkomst' zouden [verweerder] c.s. naast het bedrag van 1,2 miljoen euro gezamenlijk ook nog 3 x € 246.000,- (dus € 738.000) aan huur ontvangen. Wanneer van het bedrag van € 738.000,- wordt afgetrokken het bedrag dat [verweerder] c.s. samen tekort komen bij de koopprijs van 1,2 miljoen euro (3 x € 53.780,- = € 161.340,-), dan resteert ongeveer € 576.000,- op welk bedrag in de 'concept huurovereenkomst' klaarblijkelijk de door de vennoten [verweerder] c.s. verschuldigde inkomstenbelasting wegens staking van hun onderneming is begroot. Voorzover die belasting hoger zou zijn, neemt [eiseres] dit voor haar rekening, aldus de 'concept huurovereenkomst'. Aan [eiseres] moet dus worden toegegeven dat [verweerder] c.s. op grond van de 'concept koopovereenkomst' en de 'concept huurovereenkomst', in onderling verband en samenhang bezien, ieder 1 miljoen euro netto zouden ontvangen.</para>
      <para>10. Zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] hebben als getuigen verklaard dat [verweerder] c.s. tijdens de bespreking(en) in december 2004 meermalen hadden gezegd dat zij niet gingen 'verkopen en tegoed houden' en dat zij het geld (de 1 miljoen gulden per persoon) meteen wilden hebben. In punt 20 van hun AMnE hebben [verweerder] c.s. opgemerkt dat 'men direct betaald (wilde) krijgen' en dat zij niet konden instemmen met betaling in termijnen. Op grond van dit een en ander wordt als vaststaand aangenomen dat parijen het er ook over eens waren dat [verweerder] c.s. (in ieder geval) het bedrag van 1 miljoen gulden netto per vennoot 'meteen' bij ondertekening van de koopovereenkomst zouden ontvangen en dat zij dit bedrag niet 'tegoed' zouden houden, ook niet voor een deel. In de 'concept huurovereenkomst' staat dat de eerste huurbetaling door [eiseres] pas hoeft plaats te vinden op 31 december 2005. Zoals blijkt uit de namens [eiseres] op 26 augustus 2005 verzonden sommatiebrief moesten [verweerder] c.s. echter geruime tijd voor 31 december 2005 de koopovereenkomst ondertekenen. Nu zij bij ondertekening slechts 1,2 miljoen euro zouden ontvangen zouden zij ieder een bedrag van € 53.780,- van het overeengekomen bedrag van 1 miljoen gulden netto niet meteen bij verkoop krijgen. In dit opzicht weerspiegelt de 'concept koopovereenkomst', ook wanneer zij in samenhang wordt bezien met de 'concept huurovereenkomst', niet de tussen partijen in december 2004 bereikte wilsovereenstemming. Kortom, weliswaar blijkt uit de getuigenverklaringen dat men voor een deel wilsovereenstemming had bereikt, maar niet op het voor de verkopers essentiële punt van 'boter bij de vis'. Met name de huur zou, aldus [eiseres], achteraf worden betaald, zodat verkopers op het door hen gewenste punt van f. 1.000.000,- per persoon ieder € 53.780,- tekort zouden komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Het middel acht deze rechtsoverwegingen innerlijk tegenstrijdig nu het Hof enerzijds tot de conclusie komt dat [verweerder] c.s. op grond van de twee conceptovereenkomsten (koop en huur) in onderling verband en samenhang bezien ieder een miljoen gulden netto (het middel rept van € 1 mi) zou(den) ontvangen en dat ieder per persoon € 53.780,- "tekort zou komen" en anderzijds dat het bedrag van € 53.780,- "in ieder geval betaald zou worden en derhalve per persoon niemand iets te kort zou komen". </para>
    <para />
    <para>9. De goede zin (if any) van deze klacht is mij niet recht duidelijk. Hoe dat zij: ik kan niets tegenstrijdigs in 's Hofs oordeel ontwaren. </para>
    <para />
    <para>10. Het tweede middel is gericht tegen rov. 11. Het lijkt ervan uit te gaan dat het Hof verduidelijking moet vragen als der partijen stellingen vragen oproepen. Die klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het middel tot uitdrukking probeert te brengen dat niet kan worden uitgegaan van bestaande afspraken als zou zijn afgesproken dat "nadere afspraken" zullen worden gemaakt, is het onbegrijpelijk. Nadere afspraken zetten eerdere immers pas opzij nadat ze zijn gemaakt.</para>
    <para />
    <para>11. Middel III bindt de strijd aan met rov. 12. Het beweert dat "hierboven" een citaat te vinden zou zijn van "hetgeen de notaris als getuige heeft verklaard". De klacht scharniert om dit citaat. Zo'n citaat trof ik "hierboven" niet aan. Daarmee is ook deze klacht onbegrijpelijk.</para>
    <para />
    <para>12. Middel IV komt op tegen rov. 14. In de eerste twee alinea's valt met de beste wil van de wereld geen klacht te lezen. Voor zover het slot van het middel erover bedoelt te klagen dat het Hof had moeten ingaan op de uitschrijving in het handelsregister miskent het dat het Hof daar - m.i. heel overtuigend - aandacht aan heeft besteed aan het slot van rov. 14.</para>
    <para />
    <para>13. Middel V neemt rov. 22 onder vuur. Waarom 's Hofs oordeel innerlijk tegenstrijdig zou zijn, is mij niet duidelijk. Het middel behelst op dit punt niets wat ook maar enigszins begrijpelijk is. </para>
    <para />
    <para>Conclusie</para>
    <para />
    <para>Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] wegens onbegrijpelijkheid van de klachten. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Advocaat-Generaal</para>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>