<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2012:BW5356</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T07:00:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BW5356</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2012-06-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11/04537</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2012:BW5356" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW5356</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2012/892</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2012/320</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2012:BW5356">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2012:BW5356</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T10:09:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2012:BW5356 Parket bij de Hoge Raad , 22-06-2012 / 11/04537</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2012:BW5356:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 81 RO. Verzoek tot ondertoezichtstelling minderjarige; art. 1:254 BW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2012:BW5356:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Zaaknr. 11/04537</para>
      <para>Mr. Huydecoper</para>
      <para>Zitting van 4 mei 2012 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie inzake</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[De moeder]</para>
      <para>verzoekster tot cassatie</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Noord- en Zuidoost Brabant</para>
      <para>verweerder in cassatie</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze zaak betreft de ondertoezichtstelling van het kind van de verzoekster tot cassatie, [de moeder], dat in de in cassatie bestreden beschikking met zijn voornaam [voornaam kind] wordt aangeduid. [de moeder] heeft zich in de eerste aanleg en in hoger beroep tevergeefs tegen die ondertoezicht-stelling verzet.</para>
      <para> Er is tijdig(1) en regelmatig cassatieberoep ingesteld. De cassatieklachten kunnen echter volgens mij niet tot cassatie leiden. Zij stellen geen vragen aan de orde die in verband met de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling beantwoording behoeven; en zij zijn ook overigens van dien aard dat ik denk dat met een verkorte conclusie kan worden volstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De ondertoezichtstelling waartegen het cassatieberoep gericht is, is inmiddels geëindigd door het verstrijken van de duur waarvoor die werd uitgesproken(2). Men zou daarom de vraag kunnen opwerpen of [de moeder] bij het onderhavige cassatieberoep voldoende belang heeft. Volgens mij is dat wel het geval, zie bijvoorbeeld HR 20 april 2012, rechtspraak.nl LJN BV 6484, rov. 3.3. In die zaak ging het weliswaar om uithuisplaatsing en niet om ondertoezichtstelling zonder uithuisplaatsing - zoals die in deze zaak aan de orde is -, maar ik denk dat de inbreuk op art. 8 EVRM die in beide gevallen kan intreden, niet dusdanig verschillend mag worden gewaardeerd dat dat tot een andere beoordeling van de ontvankelijkheid zou mogen leiden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Het middel klaagt dat het hof de maatstaven heeft miskend die in HR 13 april 2001, NJ 2002, 4 en 5 m.nt. De Boer, rov. 3.3 en 3.4 zijn geformuleerd, en gaat er daarbij van uit dat het hof in deze zaak "eigenlijk" een zogenaamde omgangs-ondertoezichtstelling zou hebben bevolen.</para>
      <para> Uit rov. 3.8.2 van de beschikking van het hof blijkt echter dat het zich heeft geörienteerd op de in het middel aangewezen maatstaven. De klacht dat dat niet zou zijn gebeurd is daarom ondeugdelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Het hof heeft in dit geval ondertoezichtstelling geboden geoordeeld om een gemengd samenstel van redenen: uit een patroon van aantrekken en afstoten van hulpverlening wordt afgeleid dat hulpverlening buiten het kader van ondertoezichtstelling problematisch is. Hulpverlening, speciaal in de vorm van een onderzoek van [betrokkene 1], wordt in het belang van [het kind] noodzakelijk geoordeeld. Die hulpverlening kan niet aanvangen voor er rust in de situatie rondom [het kind] is, waarbij het contact tussen [het kind] en zijn vader genormaliseerd moet zijn. (Vooral) het feit dat [het kind] bij gebreke van ondertoezichtstelling de hulpverlening zou worden onthouden die het hof noodzakelijk oordeelt, wordt als de bij art. 1:254 lid 1 BW bedoelde bedreiging van [het kind]s belangen aangemerkt (rov. 3.8.4).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. De behoefte aan (regelmatig) contact tussen [het kind] en zijn vader vormt dus niet het zwaartepunt van de redenen die het hof tot zijn oordeel hebben gebracht, maar is één van de elementen die moeten bijdragen tot het verwezenlijken van de als noodzakelijk beoordeelde hulpverlening.</para>
      <para> Volgens mij heeft het hof daarmee voldoende, en wat mij betreft overtuigend, gemotiveerd waarom in dit geval tot ondertoezichtstelling moest worden besloten. De door het hof gebezigde gronden laten zien dat het hier niet een daadwerkelijke omgangs-ondertoezichtstelling betreft. Ik denk daarom dat de enigszins aangescherpte motiveringseis die in de in alinea 2 aangehaalde rechtspraak werd omschreven, hier niet geldt; maar zelfs als die hier wel zou gelden, lijkt mij dat de overwegingen van het hof aan die motiveringseis beantwoorden(3).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie</para>
    <para />
    <para>Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1 De beschikking van het hof is van 12 juli 2011. Het cassatierekest is op 12 oktober 2011 ingekomen.</para>
      <para>2  De ondertoezichtstelling werd verleend voor de duur van een jaar, ingaande 1 april 2011. Ik heb overigens laten navragen of de ondertoezichtstelling is verlengd. Dat blijkt inderdaad te zijn gebeurd.</para>
      <para>3  Vgl. Hof Arnhem 9 november 2004, rechtspraak.nl LJN AR8756.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>