<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2012:BT2184</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T18:52:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BT2184</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2012-01-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10/03844 B</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2012:BT2184" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BT2184</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2012/218</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2012/424</rdf:li>
          <rdf:li>JOW 2012/45</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2012:BT2184">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2012:BT2184</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T08:51:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-01-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2012:BT2184 Parket bij de Hoge Raad , 24-01-2012 / 10/03844 B</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2012:BT2184:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beklag, beslag, art. 94 Sv. Gelet op hetgeen namens klaagster in raadkamer naar voren is gebracht is het oordeel van de Rb dat de strafrechter, later oordelend, de aan klaagster toebehorende onroerende zaken verbeurd zal verklaren zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2012:BT2184:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 10/03844 B</para>
      <para>Mr. Knigge</para>
      <para>Zitting: 13 september 2011</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie inzake:</para>
    <para />
    <para>[Klaagster]</para>
    <para />
    <para>1. De Rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 13 augustus 2010 het beklag van klaagster ex art. 552a Sv ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>2. Tegen deze uitspraak is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.(1)</para>
    <para />
    <para>3. Namens klaagster heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld. </para>
    <para />
    <para>4. Het middel</para>
    <para />
    <para>4.1. Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring door de Rechtbank van het klaagschrift strekkende tot teruggave aan klaagster van de inbeslaggenomen onroerende zaken, te weten het woonhuis met bedrijfspand, de ondergrond en tuin, de berging en verdere aangehorigheden gelegen aan de [a-straat 1] en [a-straat 1a] te 's-Hertogenbosch, en bevat de klacht dat het oordeel van de Rechtbank onbegrijpelijk is. </para>
    <para />
    <para>4.2. Voornoemde onroerende zaken zijn op 26 maart 2010 ten laste van [betrokkene 1] inbeslaggenomen teneinde de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3. De Rechtbank heeft haar beschikking als volgt gemotiveerd: </para>
      <para>"De inleiding </para>
      <para>Het klaagschrift strekt tot opheffing van het op 26 maart 2010 door een gerechtsdeurwaarder onder klaagster gelegde beslag op de aan klaagster toebehorende onroerende zaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechter heeft kennisgenomen van de betrekkelijke stukken met bovenstaand RK-nummer en van hetgeen door klaagster, dier raadsvrouwe en de officier van justitie in openbare raadkamer van 28 mei 2010, 11 juni 2010 en 30 juli 2010 naar voren is gebracht.</para>
    <para />
    <para>Door c.q. namens klaagster is gepersisteerd bij het klaagschrift.</para>
    <para />
    <para>De officier van justitie heeft zich verzet tegen de inwilliging van het klaagschrift.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beoordeling</para>
      <para>Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na de inbeslagneming.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechter is van oordeel dat het belang van strafvordering zich voorshands verzet tegen opheffing van het beslag ten aanzien van de onroerende zaken, te weten het woonhuis met bedrijfspand, de ondergrond en tuin, de berging en verdere aanhorigheden, gelegen aan de [a-straat 1] en [a-straat 1a] te 's-Hertogenbosch (kadastraal bekend onder sectie [A], nummers [001] en [002]). Gelet op de voorhanden zijnde stukken, welke zijn opgemaakt in het kader van het strafrechtelijk onderzoek gericht tegen [betrokkene 1], is het naar het oordeel van de rechter niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen onroerende zaken verbeurd zal verklaren. De door de raadsvrouwe in openbare raadkamer van 30 juli 2010 overgelegde stukken rechtvaardigen geen andere conclusie. Gelet hierop zal de rechter als volgt beslissen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing</para>
      <para>Verklaart het beklag ongegrond ten aanzien van de onroerende zaken, te weten het woonhuis met bedrijfspand, de ondergrond en tuin, de berging en verdere aangehorigheden, gelegen aan de [a-straat 1] en [a-straat 1a] te 's-Hertogenbosch (kadastraal bekend onder sectie [A], nummers [001] en [002])."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.4. De Rechtbank baseert zijn oordeel dat het belang van strafvordering zich voorshands verzet tegen opheffing van het beslag ten aanzien van de onroerende zaken op de omstandigheid dat, gelet op de stukken die zijn opgemaakt in het kader van het strafrechtelijk onderzoek gericht tegen [betrokkene 1], het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen onroerende zaken verbeurd zal verklaren. </para>
    <para />
    <para>4.5. Met deze motivering geeft de Rechtbank in mijn ogen geen enkel inzicht in haar gedachtegang. Verzoekster heeft zowel in haar klaagschrift als in raadkamer onder verwijzing naar stukken aangevoerd dat de in beslag genomen panden aan haar toebehoren, dat [betrokkene 1] slechts huurder is en dat om die reden de panden niet kunnen worden verbeurd verklaard in de strafzaak tegen [betrokkene 1]. Als de Rechtbank heeft geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later zal oordelen dat, zoals de OvJ in raadkamer stelde, de panden - die blijkens het door de deurwaarder opgemaakte proces-verbaal op naam van klaagster staan - in feite in eigendom toebehoren aan van der Kallen, is niet duidelijk waarop zij dat oordeel heeft gebaseerd. (2) Als de Rechtbank het oog heeft gehad op mogelijke toepassing van art. 33a, tweede lid, Sr, dan is haar oordeel ook niet begrijpelijk nu klaagster zelf geen verdachte van witwassen is en zij dus te goede trouw lijkt te zijn wat de misdadige financiering van haar panden betreft.</para>
    <para />
    <para>4.6. Het bestreden oordeel is onvoldoende gemotiveerd. Het middel slaagt dus.</para>
    <para />
    <para>5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>AG</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [klager] (10/03843 B), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.</para>
      <para>2 In het kader van art. 94a Sv kent de Hoge Raad in beginsel doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in het register. Vgl. HR 19 februari 2008, LJN BA7675, NJ 2008, 339 en HR 19 februari 2008, LJN BA7671, NJ 2008, 340 m.nt. Borgers. Ik vermoed dat dit in het kader van art. 94 Sv niet veel anders zal zijn.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>