<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2011:BP4026</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T04:14:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BP4026</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2011-04-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10/04591</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2011:BP4026" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP4026</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2011/466</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2011/181</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2011:BP4026">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2011:BP4026</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:39:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2011:BP4026 Parket bij de Hoge Raad , 01-04-2011 / 10/04591</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2011:BP4026:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei op de voet van art. 350 lid 3, onder c, F. (81 RO)</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2011:BP4026:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>10/04591</para>
      <para>Mr. L. Timmerman</para>
      <para>Parket: 4 februari 2011</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie inzake:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Verzoeker]</para>
      <para>verzoeker tot cassatie</para>
      <para>(hierna: [verzoeker])</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Feiten en procesverloop</para>
    <para />
    <para>1.1 Bij vonnis van 2 september 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, de sinds 25 juni 2007 ten aanzien van [verzoeker] van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling beëindigd met onthouding van de schone lei op grond van haar oordeel dat [verzoeker] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Samengevat heeft de rechtbank daartoe overwogen dat de schuld van € 3.626,15 aan UWV als bovenmatig dient te worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van gronden om deze toerekenbare tekortkoming van [verzoeker] vanwege haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing te laten. </para>
    <para />
    <para>1.2 [Verzoeker] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof te Arnhem (nevenzittingsplaats Leeuwarden). Het hof heeft de zaak ter zitting van 6 oktober 2010 inhoudelijk behandeld. Bij arrest van 14 oktober 2010 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Naar 's hofs oordeel is voldoende aannemelijk geworden dat [verzoeker] tijdens zijn uitkeringsperiode werkzaamheden heeft verricht, waarvoor hij persoonlijk geld heeft ontvangen en waarvan hij geen melding heeft gemaakt, noch aan UWV noch aan de bewindvoerder. Aangezien [verzoeker] zelf verantwoordelijk is voor het verschaffen van alle informatie die van belang kan zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling, derhalve ook het verrichten van werkzaamheden al dan niet tegen een vergoeding, is het hof van oordeel dat het [verzoeker] kan worden toegerekend dat hij betaalde of op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht tijdens de uitkeringsperiode en hier geen melding van heeft gemaakt aan UWV en de bewindvoerder. </para>
    <para />
    <para>1.3 Tegen dit arrest heeft [verzoeker] tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld. </para>
    <para />
    <para>2. Bespreking van het cassatiemiddel</para>
    <para />
    <para>2.1 Het cassatiemiddel (p. 3 van het verzoekschrift, onder 6) bevat een drietal klachten.(2) </para>
    <para />
    <para>2.2 In onderdeel 6.2 wordt aangevoerd dat de omstandigheid dat [verzoeker] een WIA-uitkering ontvangt omdat hij voor 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard, zich verzet tegen de aanname dat [verzoeker] reguliere werkzaamheden heeft verricht.</para>
    <para />
    <para>2.3 De klacht miskent dat de arbeidsongeschiktheidsverklaring niet in de weg staat aan het verrichten van werkzaamheden door [verzoeker] anders dan de maatgevende arbeid van algemeen onderhoudsmedewerker waarvoor de arbeidsongeschiktheidsverklaring geldt. De klacht faalt. </para>
    <para />
    <para>2.4 De klacht van onderdeel 6.3-6.5 komt erop neer dat het hof de beslissing om [verzoeker] de schone lei te onthouden prematuur heeft genomen. De klacht heeft daarbij het oog op het door [verzoeker] ingediende bezwaarschrift tegen de door UWV aangekondigde terugvordering en de opgelegde boete. Naar het hof onderkent in rov. 4 van het bestreden arrest heeft UWV daarop nog niet beslist. Pas op basis van een voltooid bestuursrechtelijk traject wordt duidelijk of [verzoeker] de hem verweten handelingen ook daadwerkelijk heeft gepleegd. Het hof heeft zich bij zijn beoordeling dan ook niet mogen baseren op het onderzoeksrapport dat nog onderwerp vormt van de bestuursrechtelijke procedure. </para>
    <para />
    <para>2.5 De klacht kan niet tot cassatie leiden omdat deze berust op een onjuiste lezing van 's hofs arrest. Het hof heeft de kwestie betreffende het al dan niet verlenen van de schone lei aan [verzoeker] afgedaan op een andere grond dan de rechtbank. De rechtbank heeft de zaak afgedaan op basis van het laten ontstaan van bovenmatige schulden (art. 350 lid 3 onder b Fw), terwijl het hof zich in rov. 6 heeft gebaseerd op het door [verzoeker] niet naar behoren nakomen van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (art. 350 lid 3 onder c Fw). Het hof doelt daarbij op de op [verzoeker] rustende informatieplicht, die in dit geval inhoudt dat [verzoeker] werkzaamheden, die hij al dan niet tegen vergoeding verricht, had moeten melden. Het hof behoefde zich dus niet uit te laten over (het al dan niet vaststaan van) de vordering van UWV op [verzoeker] en heeft dat gezien rov. 5 ook niet gedaan. In die rov. oordeelt het hof aan de hand van het onderzoeksrapport slechts, dat aannemelijk geworden is dat [verzoeker] werkzaamheden heeft verricht, dat hij daarvoor geld heeft ontvangen en dat hij de bewindvoerder en UWV wat dat betreft niet heeft ingelicht. Dat het onderzoeksrapport waarop het hof zijn oordeel heeft gebaseerd wellicht nog aan de orde komt in een bezwaarprocedure doet daaraan niet af. Bovendien volgt uit rov. 4 dat [verzoeker] zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend, zodat nog maar de vraag is of UWV het bezwaar in behandeling zal nemen.</para>
    <para />
    <para>2.6 Onderdeel 6.6-6.7 bevat op de voorgaande klacht voortbouwende klachten. Deze delen het lot van de voorgaande klacht.</para>
    <para />
    <para>3. Conclusie</para>
    <para />
    <para>Ik concludeer tot verwerping.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>A-G </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 22 oktober 2010, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen.</para>
      <para>2 In het cassatieverzoekschrift is een voorbehoud gemaakt tot het aanvullen van de klachten in verband met het niet beschikken over het proces-verbaal van de zitting van het hof. Er is geen aanvullend verzoekschrift ingediend.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>