<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2010:BM9401</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-02-25T11:53:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BM9401</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2010-09-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09/00199</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2010:BM9401" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM9401</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2010:BM9401">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2010:BM9401</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-02-25T11:53:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2010:BM9401 Parket bij de Hoge Raad , 21-09-2010 / 09/00199</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2010:BM9401:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2010:BM9401:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. 09/00199</para>
    <para>Mr. Vellinga</para>
    <para>Zitting: 15 juni 2010</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Conclusie inzake:</para>
  <para />
  <para>
    [verdachte]
  </para>
  <para />
  <para>1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 550,--, subsidiair 11 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.</para>
  <para />
  <para>2. Namens verdachte heeft mr. B.G.M.C. Peters, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld. </para>
  <para />
  <para>3. Het middel komt op tegen 's Hofs motivering van de verwerping van een door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer houdende - kort gezegd - een beroep op vrijheid van godsdienst.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:</para>
    <para>"hij op 15 juni 2006 te Amsterdam opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat] een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal zijnde hennep."</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5. Het in het middel bedoelde verweer is door het Hof als volgt samengevat en verworpen:</para>
    <para>"Ter zitting gevoerde verweren</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>(...)</para>
  <para />
  <para>De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte lid is van "Our Church" en dat het gebruik van cannabis, hennep of marihuana een onderdeel is van het belijden van zijn godsdienst. In de zaak tegen de verdachte moet het in artikel 3 van de Opiumwet voorziene verbod buiten toepassing blijven omdat dit verbod moet worden aangemerkt als een beperking op de aan verdachte toekomende vrijheid van godsdienst ex artikel 9 van het EVRM.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt: </para>
    <para>De onder de verdachte inbeslaggenomen planten bevatten hennep. Hennep is vermeld op lijst 2 behorende bij de Opiumwet. Het gebruik van hennep kan schade opleveren voor de gezondheid van gebruikers daarvan. Het doel van de Opiumwet is het voorkomen van schade aan de gezondheid van de mens en schade voor de samenleving. Op grond van voornoemd doel kan de verbodsbepaling van artikel 3 van de Opiumwet worden aangemerkt als een beperking die in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de gezondheid in de zin van artikel 9 EVRM. Het hof is van oordeel dat deze beperking, in relatie tot de vrijheid van verdachte om zijn godsdienst te belijden, niet als onevenredig kan worden aangemerkt."</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>6. Alvorens ik tot de bespreking van het middel overga merk ik op dat het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer volgens het Hof ziet op het voor religieuze doeleinden gebruiken van hennep, terwijl het Hof ten laste van verdachte heeft bewezenverklaard het opzettelijk telen van hennep. Het Hof heeft daarin geen aanleiding gezien het verweer reeds op die grond te verwerpen. </para>
  <para />
  <para>7. In de toelichting op het middel wordt opgekomen tegen 's Hofs overweging dat het gebruik van hennep schade kan opleveren voor de volksgezondheid. Volgens de steller van het middel had het Hof moeten motiveren waarom in onderhavig geval het religieuze gebruik van hennep door verdachte dermate ernstige schade voor de volksgezondheid oplevert, dat een beperking van zijn godsdienstvrijheid gerechtvaardigd is.</para>
  <para />
  <para>8. Het Hof heeft blijkens het bestreden arrest vastgesteld dat de onder verdachte inbeslaggenomen planten hennep bevatten. Hennep staat vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II. Uit doel en stelsel van de Opiumwet, zoals daarvan mede blijkt uit de wetsgeschiedenis, volgt dat op de bij de Opiumwet behorende lijsten middelen staan vermeld die, onder meer ter uitvoering van internationale verdragsverplichtingen, zijn aangemerkt als middelen waarvan is gebleken dat zij het bewustzijn van de mens beïnvloeden en bij aanwending bij de mens zowel tot schade voor zijn eigen gezondheid als tot schade voor de samenleving kunnen leiden.(1) De op lijst I vermelde middelen worden beschouwd als drugs waarvan het gebruik een onaanvaardbaar risico oplevert, terwijl aan het gebruik van de op lijst II vermelde middelen eveneens een niet te verwaarlozen risico voor de samenleving is verbonden.(2) De in art. 3 Opiumwet vervatte verboden strekken dus mede ter bescherming van de volksgezondheid.</para>
  <para />
  <para>9. Gelet op het voorgaande getuigt 's Hofs oordeel, voor zover inhoudende dat het gebruik van hennep schade kan opleveren voor de gezondheid van de gebruikers daarvan, het doel van de Opiumwet gelegen is in het voorkomen van schade aan de gezondheid van de mens en de samenleving, en de verbodsbepaling van art. 3 Opiumwet gelet op dit doel kan worden aangemerkt als een beperking die in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de gezondheid in de zin van art. 9 EVRM, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.(3) </para>
  <para />
  <para>10. Anders dan het middel wil, behoefde het Hof zijn oordeel niet nader te motiveren. Immers, de omstandigheid dat het concrete gebruik dat verdachte van het middel maakt geen gevaar voor de (volks)gezondheid oplevert, kan er niet toe leiden dat het verbod van art. 3 Opiumwet buiten toepassing moet worden gelaten of niet als een noodzakelijke beperking in de zin van art. 9 EVRM kan gelden.(4)</para>
  <para />
  <para>11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.</para>
  <para />
  <para>12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
  <para> </para>
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>AG</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>1 HR 9 januari 2007, LJN AZ2497 en Kamerstukken II, 1974-1975, 13 407, nrs. 1-3, p. 15.</para>
    <para>2 Kamerstukken II, 1974-1975, 13 407, nrs. 1-3, p. 16.</para>
    <para>3 Vgl. HR 24 mei 2005, nr. 01834/04 (niet gepubliceerd; telen en aanwezig hebben van hennep; beroep op vrijheid van godsdienst met verwijzing naar art. 9 lid 2 EVRM door Hof verworpen; HR: 81 RO), HR 9 januari 2007, LJN AZ2497, Johan Vande Lanotte en Yves Haeck, Handboek EVRM, Deel II (Volume I), p. 818-835, i.h.b. p. 823-825 en 832-835 en Van Dijk en Van Hoof, Theory and practice of the European Convention on Human Rights, vierde druk, p. 759-764 en 768-770.</para>
    <para>4 Vgl. HR 9 januari 2007, LJN AZ2497.</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>