<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2010:BM8912</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T16:28:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BM8912</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2010-09-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09/02578</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2010:BM8912" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM8912</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001830&amp;artikel=81&amp;g=2010-09-17">Wet op de rechterlijke organisatie 81</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2010/1063</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2010/357</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2010:BM8912">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2010:BM8912</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:35:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-09-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2010:BM8912 Parket bij de Hoge Raad , 17-09-2010 / 09/02578</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2010:BM8912:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verbintenissenrecht. Uitvoering leaseovereenkomst; tekortkoming in de nakoming? (81 RO)</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2010:BM8912:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>09/02578 </para>
      <para>Mr L. Strikwerda</para>
      <para>Zt. 18 juni 2010 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>conclusie inzake</para>
    <para />
    <para>[Eiseres]</para>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>[Verweerster]</para>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <para>1. Het tijdig door eiseres tot cassatie, hierna: [eiseres], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 17 maart 2009. Bij dit arrest heeft het hof op het principaal hoger beroep van [eiseres] het vonnis van de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht, van 28 juni 2006, voor zover daarbij de vordering in conventie van [eiseres] tegen thans verweerster in cassatie, hierna: [verweerster], werd afgewezen, bekrachtigd, en op het incidenteel beroep van [verweerster] dat vonnis, voor zover daarbij de vordering in reconventie van [verweerster] tegen [eiseres] werd afgewezen, (deels) vernietigd en, opnieuw recht doende, deze vordering alsnog gedeeltelijk toegewezen. </para>
    <para />
    <para>2. Het cassatieberoep berust op een uit drie onderdelen opgebouwd middel. [Verweerster] is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.</para>
    <para />
    <para>3. De in het middel aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtsontwikkeling of de rechtseenheid, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.</para>
    <para />
    <para>4. Onderdeel I van het middel berust op de stelling dat de tussen partijen gesloten overeenkomst nooit enige rechtsgeldigheid heeft gekend, nu geen der partijen de overeenkomst heeft nageleefd en klaagt dat het hof, door ervan uit te gaan dat met de uitvoering van de overeenkomst een begin is gemaakt, een onjuiste rechtsopvatting heeft gehuldigd.</para>
    <para />
    <para>5. Het onderdeel faalt. Nog daargelaten dat het standpunt dat tussen partijen geen rechtsgeldige overeenkomst is totstandgekomen, niet te rijmen valt met de grondslag waarop [eiseres] haar vordering in conventie heeft gebaseerd, berust het onderdeel op de onjuiste rechtsopvatting dat eerst sprake is van een rechtsgeldige overeenkomst, indien door de contractspartijen (of door één van hen) aan de daaruit voortspruitende verbintenissen gevolg is gegeven.</para>
    <para />
    <para>6. Onderdeel II van het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat slechts [eiseres] de overeenkomst diende na te komen, en dat [verweerster] van haar kant haar contractuele verplichtingen niet behoefde na te komen.</para>
    <para />
    <para>7. Het onderdeel kan geen doel treffen, omdat het feitelijke grondslag mist. Het hof heeft niet geoordeeld dat [verweerster] haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet diende na te komen, doch heeft geoordeeld dat onvoldoende is gesteld om een toerekenbare tekortkoming van [verweerster] in de nakoming van die verplichtingen te kunnen aannemen. Het hof heeft immers geoordeeld dat [eiseres] weliswaar heeft gesteld dat [verweerster] met betrekking tot de leaseovereenkomst tekort is geschoten in de nakoming van de uit die overeenkomst voor [verweerster] voortvloeiende verplichtingen, maar dat [eiseres] dit op geen enkele wijze heeft onderbouwd (r.o. 4.5). </para>
    <para />
    <para>8. Onderdeel III van het middel bestrijdt als onjuist het oordeel van het hof dat de leaseovereenkomst thans nog existeert (r.o. 4.10). Het onderdeel stelt dat uit de leaseovereenkomst volgt dat deze op 31 juli 2005 is geëxpireerd.</para>
    <para />
    <para>9. Ook dit onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Het oordeel van het hof is feitelijke van aard en kan in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Bovendien berust het onderdeel op een ontoelaatbaar feitelijk novum in cassatie, aangezien uit de gedingstukken niet blijkt (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat [eiseres] ter afwering van de door [verweerster] ingestelde reconventionele vordering heeft gesteld dat de leaseovereenkomst ingevolge een desbetreffende bepaling in de overeenkomst reeds op 31 juli 2005 is geëindigd. </para>
    <para />
    <para>De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>