<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2010:BM5706</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T14:51:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BM5706</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2010-06-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09/01632</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2010:BM5706" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM5706</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001842&amp;artikel=3&amp;g=2010-06-25">Onteigeningswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2010/810</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2010/375</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2010, 1414</rdf:li>
          <rdf:li>Module Grondzaken 2010/171</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2010:BM5706">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2010:BM5706</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:26:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2010:BM5706 Parket bij de Hoge Raad , 25-06-2010 / 09/01632</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2010:BM5706:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Cassatie. Onteigeningsrecht; procesrecht; voeging; niet-ontvankelijkheid van op art. 3 lid 2 van de Onteigeningswet gebaseerde incidentele verzoeken tot voeging in cassatieprocedure; art. 3 lid 2 van de Onteigeningswet heeft geen betrekking op voeging doch op tussenkomst; in cassatieprocedure is geen plaats voor een verzoek tot tussenkomst (HR 14 maart 2008, LJN BC6692, NJ 2008, 168);  ook als de verzoeken in het incident zouden moeten worden begrepen als verzoeken tot voeging op de voet van art. 217 Rv. zijn verzoekers niet-ontvankelijk, nu uit het stelsel van de Onteigeningswet en uit de aard van het onteigeningsgeding voortvloeit dat daarin voor voeging geen plaats is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2010:BM5706:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>09/01632 </para>
      <para>Mr L. Strikwerda</para>
      <para>Zt. 21 mei 2010 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>conclusie inzake incidentele vordering tot voeging van </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A.1. [Verzoeker 1 = eiser 3] </para>
      <para>A.2. [Verzoekster 2], </para>
      <para>A.3. [Verzoeker 3] </para>
      <para>A.4. [Verzoekster 4]</para>
      <para>en</para>
      <para>B. Latrusco N.V.</para>
      <para>en</para>
      <para>C.1. [Verzoeker 6 = eiser 1] </para>
      <para>C.2. [Verzoekster 7]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>in de hoofdzaak van </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. [Eiser 1]</para>
      <para>2. [Eiseres 2]</para>
      <para>3. [Eiser 3]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>Gemeente Heerlen</para>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <para>1. Thans eisers tot cassatie in de hoofdzaak, hierna: [eiser] c.s., zijn (tijdig) in cassatie gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Maastricht van 25 maart 2009, waarbij op vordering van thans verweerster in cassatie in de hoofdzaak, hierna: de Gemeente, onder meer - kort gezegd - de vervroegde onteigening van enige, in het vonnis nader omschreven percelen is uitgesproken en voorschotten op de schadeloosstellingen zijn bepaald.</para>
    <para />
    <para>2. De Gemeente heeft van antwoord gediend en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.</para>
    <para />
    <para>3. Vervolgens hebben [eiser] c.s. ter rolle op de voet van art. 225 lid 1, aanhef en onder c, Rv schorsing van het geding ingeroepen. Nadat de Gemeente de gestelde schorsing had bestreden, heeft de Hoge Raad bij rolbeschikking van 12 februari 2010, NJ 2010, 98, verstaan dat het geding niet is geschorst en bepaald dat de zaak weer zal worden uitgeroepen ter rolle voor schriftelijke toelichting in de hoofdzaak.</para>
    <para />
    <para>4. Nadat de zaak weer ter rolle was uitgeroepen, hebben verzoekers in het incident bij drie incidentele conclusies "tot voeging inzake vervroegde onteigening ex art. 3 lid 2 Ow" de Hoge Raad verzocht hen toe te staan zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van [eiser] c.s.</para>
    <para />
    <para>5. De Gemeente heeft bij conclusie in de incidenten tot voeging de verzoeken tot voeging bestreden en geconcludeerd tot verwerping van (alle drie) de verzoeken.</para>
    <para />
    <para>6. Vervolgens zijn stukken gefourneerd voor arrest in het incident tot voeging.</para>
    <para />
    <para>7. Blijkens de aanhef van de incidentele conclusies zijn de verzoeken tot voeging gegrond op art. 3 lid 2 Onteigeningswet (Ow). Art. 3 lid 2 Ow heeft niet betrekking op voeging maar op tussenkomst. Voor zover de incidentele conclusies aldus begrepen moeten worden dat deze ertoe strekken dat verzoekers in het incident tussenkomst in de hoofdzaak wordt toegestaan, kunnen verzoekers in het incident in hun verzoeken niet worden ontvangen. In een cassatieprocedure is geen plaats voor een verzoek tot tussenkomst. Vgl. HR 16 juni 2000, NJ 2000, 516, en HR 14 maart 2008, NJ 2008, 168. Zie ook Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), blz. 328; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 22e dr. 2009, blz. 107.</para>
    <para />
    <para>8. Voor zover de incidentele conclusies begrepen moeten worden als een verzoek tot voeging als bedoeld in art. 217 Rv, kunnen verzoekers in het incident op grond van het volgende evenmin in hun verzoek worden ontvangen.</para>
    <para />
    <para>9. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering zijn ingevolge art. 2 Ow op het geding tot onteigening toepasselijk, voor zoveel daarvan bij de Ow niet is afgeweken. De afwijking kan blijken uit een uitdrukkelijke voorziening in de Ow, maar ook voortvloeien uit het stelsel der wet of uit de aard van het onteigeningsgeding. Vgl. de eerder in deze zaak door de Hoge Raad gegeven rolbeschikking van 12 februari 2010 (conlusie A-G onder 5 met gegevens).</para>
    <para />
    <para>10. Ten aanzien van de bepaling inzake voeging van art. 219 Rv treft men in de Ow geen afwijkende voorziening aan. Niettemin moet m.i. worden aangenomen dat uit het stelsel der wet en ook uit de aard van het onteigeningsgeding voortvloeit dat voor toepassing van die bepaling geen plaats is. Al aangenomen dat in een onteigeningsgeding zich belang bij of behoefte aan voeging kan voordoen (vgl. Kluwers Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, losbl., I, §3, sub e), vindt de positie van derden belanghebbenden in het onteigeningsgeding een bijzondere en uitputtende regeling in art. 3 lid 2 Ow, die geen ruimte laat voor toepassing van art. 217 Rv. </para>
    <para />
    <para>De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers in het incident in hun verzoek en tot verwijzing van de hoofdzaak naar de rol voor voortprocederen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>