<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2010:BL5448</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T01:11:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BL5448</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2010-04-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09/01039</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2010:BL5448" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL5448</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001830&amp;artikel=81&amp;g=2010-04-16">Wet op de rechterlijke organisatie 81</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2010, 545</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2010/155</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2010:BL5448">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2010:BL5448</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T05:59:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-04-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2010:BL5448 Parket bij de Hoge Raad , 16-04-2010 / 09/01039</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2010:BL5448:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Huurrecht. Huurovereenkomst. Bewijswaardering. Getuigenverklaring. (art. 81 RO).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2010:BL5448:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>09/01039 </para>
      <para>Mr L. Strikwerda </para>
      <para>Zt. 19 febr. 2010 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>conclusie inzake</para>
    <para />
    <para>[Eiseres]</para>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>de Gemeente Wormerland</para>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College, </para>
    <para />
    <para>1. Het tijdig door eiseres tot cassatie, hierna: [eiseres], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een tussenarrest van 14 juni 2007 en een eindarrest van 9 december 2008 van het gerechtshof te Amsterdam. Bij het eindarrest heeft het hof op het hoger beroep van [eiseres] bekrachtigd het vonnis van de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Zaandam, van 24 juli 2003, waarbij de door [eiseres] bij de inleidende dagvaarding tegen thans verweerster in cassatie, hierna: de Gemeente, ingestelde vordering tot een verklaring voor recht omtrent de inhoud van een tussen partijen gesloten huurovereenkomst werd afgewezen.</para>
    <para />
    <para>2. Het cassatieberoep berust op een uit zeven onderdelen opgebouwd middel, dat door de Gemeente is bestreden met conclusie tot verwerping.</para>
    <para />
    <para>3. Het middel, dat zich keert tegen bewijswaardering door het hof, kan naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.</para>
    <para />
    <para>4. Onderdeel I van het middel beklaagt zich over het oordeel van het hof - in r.o. 2.6 van het tussenarrest - dat hetgeen [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen hebben verklaard niet als volledig bewijs kan gelden voor de door [eiseres] te bewijzen stelling. Volgens de klacht is dit oordeel onbegrijpelijk, aangezien de omstandigheid dat de getuigen bepaalde informatie omtrent zaken die buiten het probandum liggen niet hebben kunnen verstrekken, niet relevant is voor de waardering van hetgeen was te bewijzen.</para>
    <para />
    <para>5. De klacht faalt. De waardering van bewijs is ingevolge art. 152 lid 2 Rv aan het oordeel van de rechter overgelaten. De rechter heeft daarbij een grote mate van vrijheid. Vgl. HR 5 december 2003, NJ 2004, 74. Deze vrijheid brengt mee dat de rechter bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een getuigenverklaring ook rekening mag houden met hetgeen de getuige zich al dan niet kan herinneren van feiten en omstandigheden die niet rechtstreeks betrekking hebben op het probandum. </para>
    <para />
    <para>6. Voorts klaagt onderdeel I dat het hof onbegrijpelijk heeft beslist door de getuigenverklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] in voor [eiseres] negatieve zin uit te leggen, nu deze verklaringen in strijd zijn met de stellingen die de Gemeente zelf in feitelijke instantie heeft ingenomen. </para>
    <para />
    <para>7. De klacht kan geen doel treffen. De enkele omstandigheid dat waardering door het hof van de getuigenverklaringen niet strookt met stellingen die de Gemeente zou hebben ingenomen, maakt die waardering nog niet onbegrijpelijk.</para>
    <para />
    <para>8. Onderdeel II, dat zich met een motiveringsklacht richt tegen hetgeen het hof in r.o. 2.7.3 van het eindarrest heeft geoordeeld omtrent de verklaring van de getuige [getuige 5], maakt het hof hetzelfde verwijt als de eerste klacht van onderdeel I. Het onderdeel moet derhalve, nu dit verwijt, gelet op de grote mate van vrijheid die de rechter heeft bij de waardering van het bewijs, ongegrond is, het lot van de eerste klacht van onderdeel I delen.</para>
    <para />
    <para>9. Onderdeel III, dat met een motiveringsklacht opkomt tegen het oordeel van het hof in r.o. 2.7.1 van het eindarrest omtrent de verklaring van [eiseres] als partij-getuige, faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag: het hof heeft niet geoordeeld dat die verklaring niet tot het bewijs kan bijdragen, maar dat die verklaring slechts aanvullend bewijs oplevert. </para>
    <para />
    <para>10. Onderdeel IV keert zich met enkele klachten tegen het oordeel van het hof - in r.o. 2.7.4 van het eindarrest - dat de verstrengeling van de belangen van [eiseres] en haar vader maakt dat hun verklaringen in wezen zijn te beschouwen als één partij-getuigenverklaring.</para>
    <para />
    <para>11. Het onderdeel kan geen doel treffen. Gelet op hetgeen het hof heeft overwogen in r.o. 2.7.1 van het eindarrest (de vader is "formeel geen partij-getuige", maar zijn verklaring beziet het hof toch "met behoedzaamheid"), heeft het hof met zijn bestreden oordeel kennelijk slechts tot uitdrukking willen brengen dat het bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaring van de vader rekening houdt met de familieband en ook met de bemoeienis die de vader met de onderhavige zaak van zijn dochter heeft gehad. Dat stond het hof vrij, gelet op de grote mate van vrijheid die de rechter heeft bij de waardering van het bewijs.</para>
    <para />
    <para>12. Onderdeel V bestrijdt het oordeel van het hof - in r.o. 2.7.7 van het eindarrest - dat het voor vader [eiseres] duidelijk was dat niet [getuige 5], maar [getuige 3] namens de gemeente de onderhandelingen voerde. Volgens het onderdeel blijkt dit nergens uit en is het oordeel van het hof daarom onbegrijpelijk.</para>
    <para />
    <para>13. Het onderdeel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de getuigenverklaring van vader [eiseres] zelf, zoals door het hof weergegeven in r.o. 2.5 van het eindarrest, blijkt dat het voor vader [eiseres] duidelijk was dat niet [getuige 5], maar [getuige 3] namens de gemeente de onderhandelingen voerde. </para>
    <para />
    <para>14. Onderdeel VI klaagt dat, anders dan het hof in r.o. 2.7.8 van het eindarrest heeft geoordeeld, nergens uit blijkt dat de Gemeente kort na de verzending van de brief van 20 oktober 1999 aan [betrokkene] zich van de inhoud van de brief heeft gedistantieerd.</para>
    <para />
    <para>15. Ook dit onderdeel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn bestreden oordeel kennelijk ontleend aan hetgeen de Gemeente heeft aangevoerd in haar conclusie van dupliek onder 2.12 (laatste gedachtestreepje), haar pleitnota van 15 januari 2003 onder 11, en haar memorie van antwoord onder 2.3.</para>
    <para />
    <para>16. Ten slotte verwijt onderdeel VII het hof ten onrechte niet in zijn bewijswaardering te hebben betrokken de - volgens het onderdeel - essentiële stelling van [eiseres] dat in de koopovereenkomst en in de transportakte die betrekking heeft op een zogenaamd silo-erf een erfdienstbaarheid ten behoeve van [eiseres] is gevestigd. Hierin zou volgens het onderdeel een argument ten faveure van de stellingname van [eiseres] omtrent de omvang van het gehuurde te lezen zijn, omdat de erfdienstbaarheid zinledig zou zijn als het silo-erf niet direct aan het gehuurde zou grenzen.</para>
    <para />
    <para>17. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld omdat, anders dan het onderdeel aanvoert, de bedoelde stelling niet kan worden aangemerkt als een essentiële stelling. De stelling is door [eiseres] alleen in eerste aanleg (terloops) naar voren gebracht en is hoger beroep niet, ook niet op door het onderdeel genoemde plaats in de memorie van grieven, aan de orde gesteld. De Gemeente heeft de erfdienstbaarheid niet betwist (zie o.m. conclusie van antwoord onder 1.4), maar daaraan andere gevolgtrekkingen verbonden dan [eiseres]. Het lag daarom op de weg van [eiseres] om, zo zij van mening is dat het hier gaat om een essentieel gezichtspunt voor de beoordeling van de omvang van het gehuurde, dit in hoger beroep nader uit te werken. Vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 122.</para>
    <para />
    <para>De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>