<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2009:BK3076</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T21:59:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BK3076</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2009-12-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09/02513</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2009:BK3076" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BK3076</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001830&amp;artikel=81&amp;g=2009-12-22">Wet op de rechterlijke organisatie 81</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2010, 67</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2009/511</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2009:BK3076">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2009:BK3076</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T05:28:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2009-12-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2009:BK3076 Parket bij de Hoge Raad , 22-12-2009 / 09/02513</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2009:BK3076:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verbintenissenrecht. Borgersbrief buiten termijn art. 44 lid 3 Rv. ingediend en daarom niet in beoorde-ling betrokken. Is tussen partijen een overeenkomst totstandgekomen? (81 RO).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2009:BK3076:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>09/02513</para>
      <para>mr. Keus</para>
      <para>Zitting 6 november 2009</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie inzake:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Eiser]</para>
      <para>(hierna: [eiser])</para>
      <para>eiser tot cassatie </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Verweerder]</para>
      <para>(hierna: [verweerder])</para>
      <para>verweerder in cassatie</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. In deze zaak, die verband houdt met HR 26 april 2002, C00/316HR, LJN: AD9135, en waarin aan de orde is of tussen [eiser] enerzijds en [verweerder] in privé anderzijds een overeenkomst tot stand is gekomen, kunnen de klachten niet tot cassatie leiden en nopen zij evenmin tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Ik volsta daarom met een verkorte conclusie.</para>
    <para />
    <para>2. Het cassatieberoep is tijdig ingesteld. [Verweerder] heeft (gemotiveerd) tot verwerping geconcludeerd, waarna partijen van schriftelijke toelichting hebben afgezien, maar [eiser] nog wel bij conclusie van repliek op de conclusie van antwoord heeft gereageerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Bij arrest van 27 januari 2009 heeft het hof 's-Hertogenbosch onder meer geoordeeld dat [eiser] een door hem gestelde en reeds op 26 mei 1985 tussen hem en [verweerder] in privé tot stand gekomen overeenkomst onvoldoende heeft onderbouwd en geen bewijs op dit punt heeft aangeboden (rov. 4.5.1). Het eerste middel van [eiser] komt hiertegen tevergeefs op, omdat</para>
      <para>a) aan het bestreden oordeel niet afdoet dat - zoals de onderdelen 1.1 en 1.2 insisteren - [eiser] bewijs heeft geproduceerd waaruit niet zou blijken dat [verweerder] zich jegens hem als statutair directeur van Het Bastion B.V. zou hebben gepresenteerd en dat genoemde vennootschap, zoals gepresenteerd op het briefpapier van [verweerder], nimmer in het handelsregister ingeschreven zou hebben gestaan, en</para>
      <para>b) ook de klacht van onderdeel 1.3 over een onjuiste bewijslastverdeling, wat daarvan overigens zij, het bestreden oordeel van een onvoldoende onderbouwing niet aantast, waar dit oordeel impliceert dat aan bewijsvoering überhaupt niet wordt toegekomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Het tweede middel klaagt over rov. 4.5.2. Daarin heeft het hof geoordeeld dat de omstandigheid dat [eiser] in de eerste procedure [verweerder] naast Het Bastion B.V. als tweede gedaagde heeft willen dagvaarden (hetgeen toen overigens niet is gelukt), niet afdoet ("maakt dit niet anders") aan het door het hof onderschreven oordeel van de rechtbank dat uit de dagvaarding van Het Bastion B.V. valt af te leiden dat ook [eiser] van mening was dat Het Bastion B.V. partij bij de overeenkomst was. Voor zover het middel zich teweer stelt tegen de opvatting dat de beoogde dagvaarding van [verweerder] slechts op diens hoedanigheid van bestuurder van Het Bastion B.V. betrekking zou hebben gehad, mist het feitelijke grondslag; het hof is ervan uitgegaan dat [eiser], blijkens de inhoud van de dagvaarding, "ook [verweerder] in privé (als gedaagde sub 2, en bestuurder van Het Bastion B.V.) in die procedure heeft willen betrekken". Ook de beschouwingen van het middel over de moeilijkheden, beweerdelijk ondervonden bij het uitbrengen van de dagvaarding aan [verweerder] (welke moeilijkheden door [eiser] worden toegeschreven aan "kunstgrepen (van [verweerder]) ter voorkoming van privé-aansprakelijkheid") doen niet af aan het bestreden oordeel; het hof heeft zich immers terdege rekenschap gegeven van althans de wil van [eiser] om [verweerder] destijds mede te doen dagvaarden, waarbij het hof (kennelijk ten overvloede, rechtens niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk) heeft aangetekend dat niet valt in te zien waarom het onmogelijk zou zijn geweest het exploot aan [verweerder] te doen betekenen.</para>
    <para />
    <para>5. Het derde middel klaagt dat het arrest en het proces-verbaal van de zitting van 11 november 2008 niet zijn ondertekend, hetgeen volgens het middel nietigheid van het arrest en het proces-verbaal meebrengt. Die opvatting is reeds in het licht van HR 11 november 1977, LJN: AC2186, NJ 1978, 503, onjuist.</para>
    <para />
    <para>6. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Advocaat-Generaal</para>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>