<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2009:BH3915</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T14:07:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BH3915</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2009-05-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">07/13579</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2009:BH3915" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH3915</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2009, 619</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2009/162</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2009:BH3915">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2009:BH3915</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T04:13:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2009-05-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2009:BH3915 Parket bij de Hoge Raad , 08-05-2009 / 07/13579</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2009:BH3915:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verbintenissenrecht; betaling van openstaande factuur; bewijslevering, partijgetuige (81 RO).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2009:BH3915:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 07/13579</para>
      <para>Mr. D.W.F. Verkade</para>
      <para>Zitting 20 februari 2009 (bij vervroeging)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie inzake:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Eiseres] </para>
      <para>(hierna: [eiseres]) </para>
      <para>advocaat: mr. K.G.W. van Oven </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[Verweerder] </para>
      <para>(hierna: [verweerder]) </para>
      <para>advocaat: mr. H.J.W. Alt </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze zaak leent zich m.i. voor een verkorte conclusie.</para>
    <para />
    <para>1. Feiten en procesverloop</para>
    <para />
    <para>1.1. Samengevat komen de in rov. 4.1-4.3 van het bestreden arrest bedoelde feiten erop neer dat [eiseres] voor diverse leveranties aan [A] BV facturen heeft verzonden die onbetaald zijn gebleven. [Eiseres] heeft daarop [verweerder] (die bestuurder is van Caselli BV, die op haar beurt bestuurder is van [A] BV) tot betaling aangesproken omdat [verweerder] zou hebben toegezegd het betreffende bedrag zo nodig privé te betalen.</para>
    <para />
    <para>1.2. De rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft [eiseres] te bewijzen opgedragen dat [verweerder] heeft toegezegd een bedrag van in totaal € 90.000 uit zijn privé-vermogen aan [eiseres] te betalen. [eiseres] heeft in enquête drie getuigen doen horen: [getuige 1] (statutair directeur van [eiseres]), [getuige 2] (accountmanager bij [eiseres]) en [getuige 3] (tot het faillissement van [A] calculator inkoop voor [A]). [verweerder] heeft in contra-enquête eveneens drie getuigen doen horen: [verweerder] zelf, [betrokkene 1] (vriendin van [verweerder], die voorheen als secretaresse voor [A] werkzaam was) en [betrokkene 2] (voormalig advocaat van [A]). De rechtbank heeft [eiseres] in het haar opgedragen bewijs geslaagd geacht en de vordering bij vonnis van 23 maart 2005 toegewezen. </para>
    <para />
    <para>1.3. Op het hoger beroep van [verweerder] heeft het hof geoordeeld (rov. 4.16) dat [eiseres] het haar opgedragen bewijs niet geleverd heeft. Daartoe heeft het hof overwogen dat naast de verklaring van partijgetuige [getuige 1] geen aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is dat dit de partijgetuigenverklaring van [getuige 1] voldoende geloofwaardig maakt. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verklaring van [getuige 3] onvoldoende met concrete feiten is onderbouwd (rov. 4.14), dat tegenover de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] de verklaring van [verweerder] staat, welke verklaring deels, zij het op ondergeschikte punten wordt ondersteund door de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], dat [getuige 2] als werknemer van [eiseres] belang heeft bij de uitkomst van de procedure en dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] elkaar op verschillende punten tegenspreken. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van [eiseres] afgewezen.</para>
    <para />
    <para>1.4. Namens [eiseres] is tijdig(1) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [Verweerder] heeft in cassatie verweer gevoerd. </para>
    <para />
    <para>2. Bespreking van het cassatiemiddel</para>
    <para />
    <para>2.1. Het middel komt met motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof dat de verklaring van [getuige 3] onvoldoende met concrete feiten is onderbouwd en het oordeel dat naast de verklaring van [getuige 1] geen aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is dat dit de partijgetuigenverklaring van [getuige 1] voldoende geloofwaardig maakt.</para>
    <para />
    <para>2.2 Het middel faalt. De in cassatie bestreden oordelen betreffen de waardering door het hof van het bewijs. Die waardering is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, waarbij de rechter een grote vrijheid en een beperkte motiveringsplicht heeft.(2) Tegen die achtergrond is 's hofs bewijswaardering - gelet op de motivering daarvan in rov. 4.14 t/m 4.16 - begrijpelijk. Dat geldt ook 's hofs (in het cassatiemiddel nadrukkelijk bestreden) waardering dat de verklaring van de getuige [getuige 3] onvoldoende met concrete feiten is onderbouwd om te kunnen aannemen dat de volgens die verklaring door [verweerder] toegezegde privé-betalingen betrekking zouden hebben op de in rov. 4.14 bedoelde cellenbeton dakplaten voor een bepaald project te Amsterdam. 's Hofs bewijswaardering behoefde ook geen nadere motivering in het licht van HR 14 november 2003, NJ 2005, 269, waarin de Hoge Raad oordeelde dat van de appelrechter die de getuigen niet zelf gehoord heeft (waarvan in casu sprake is) en die tot een andere waardering van het bewijs komt dan de eerste rechter, mag worden verwacht dat deze voldoende inzicht geeft in de gedachtegang die ertoe heeft geleid dat hij tot een ander oordeel komt dan de eerste rechter. Het hof heeft met de in rov. 4.14 t/m 4.16 gegeven motivering voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang, die heeft geleid tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. </para>
    <para />
    <para>3. Conclusie</para>
    <para />
    <para>Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>A-G </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1 Arrest van 28 augustus 2007; de cassatiedagvaarding is uitgebracht op 27 november 2007. </para>
      <para>2 HR 5 december 2003, NJ 2004, 74.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>