<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2008:BD5511</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T03:57:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BD5511</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2008-09-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C07/092HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2008:BD5511" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD5511</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001830&amp;artikel=81&amp;g=2008-09-05">Wet op de rechterlijke organisatie 81</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2008, 636</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2008, 817</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2008/343</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2008:BD5511">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2008:BD5511</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T02:55:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2008-09-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2008:BD5511 Parket bij de Hoge Raad , 05-09-2008 / C07/092HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2008:BD5511:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Procesrecht. Onvoldoende gespecificeerd aanbod tot het leveren van nader bewijs (81 RO).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2008:BD5511:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Rolnr. C07/092HR </para>
      <para>Mr L. Strikwerda</para>
      <para>Zt. 20 juni 2008 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>conclusie inzake</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[De vrouw]</para>
      <para>ook wel genaamd:</para>
      <para>[de vrouw]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[De man]</para>
      <para>ook wel genaamd:</para>
      <para>[de man]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <para>1. Het tijdig door eiseres tot cassatie, hierna: de vrouw, ingestelde cassatieberoep tegen het tussen verweerder in cassatie, hierna: de man, als appellant en de vrouw als gentimeerde gewezen arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 14 december 2006 berust op één middel. Dit middel kan naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat de Hoge Raad het middel kan verwerpen met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.</para>
    <para />
    <para>2. Het middel klaagt dat het hof, door in r.o. 2.5 van het bestreden arrest het aldaar bedoelde bewijsaanbod van de vrouw te verwerpen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat het bewijsaanbod van de vrouw dient te worden gekwalificeerd als tegenbewijs tegen het in eerste aanleg en in hoger beroep door de man bijgebrachte bewijs dat de man de Egyptische nationaliteit heeft behouden/herkregen, zodat het hof ingevolge art. 151 lid 2 Rv dit bewijsaanbod niet had mogen passeren.</para>
    <para />
    <para>3. Het middel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De door het middel betrokken stelling dat het bedoelde bewijsaanbod van de vrouw gekwalificeerd dient te worden als een aanbod tot het leveren van tegenbewijs, vindt geen steun in het bestreden arrest. In eerste aanleg heeft de rechtbank, blijkens r.o. 4.9 van haar tussenvonnis van 18 juni 2003, geoordeeld dat op de vrouw de bewijslast rust van haar door de man bestreden stelling dat de man afstand heeft gedaan van zijn Egyptische nationaliteit. De rechtbank overweegt immers dat zij de desbetreffende stelling van de vrouw voorshands bewezen acht en dat de man zal worden toegelaten tot tegenbewijs. Bij haar eindvonnis van 26 november 2003 heeft de rechtbank geoordeeld dat de man niet is geslaagd in het tegenbewijs waartoe hij bij het tussenvonnis was toegelaten (r.o. 2.6). In hoger beroep heeft de man grieven aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat hij in het tegenbewijs niet is geslaagd. Tegen het oordeel van de rechtbank inzake de bewijslastverdeling zijn in hoger beroep geen grieven aangevoerd, zodat het hof aan dat oordeel was gebonden. Dit betekent dat het door de vrouw bedoelde bewijsaanbod niet kan worden gekwalificeerd als een aanbod tot het leveren van tegenbewijs, doch aangemerkt dient te worden - zoals het hof kennelijk ook heeft gedaan door aan het bewijsaanbod van de vrouw de eis te stellen dat het voldoende gespecificeerd is - als een aanbod tot het leveren van nader bewijs. Daarop is art. 151 lid 2 Rv niet van toepassing.</para>
    <para />
    <para>De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>