<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2006:AY8963</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T14:17:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AY8963</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2006-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02824/05</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2006:AY8963" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AY8963</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2006:AY8963">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2006:AY8963</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T00:33:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-09-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2006:AY8963 Parket bij de Hoge Raad , 07-11-2006 / 02824/05</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2006:AY8963:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>HR: 81 RO. Ambtshalve: verjaring. Blijkens de stukken van het geding is de inleidende dagvaarding op 6-11-2003 betekend. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat gedurende 6 jr daaraan voorafgaand enige daad van vervolging is verricht, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de verjaring van de feiten niet voor 6-11-2003 is gestuit. De in art. 70, aanhef en onder 2° (oud) Sr bepaalde termijn is dus wat betreft de feiten vzv. deze zijn gepleegd in de periode van 2-2-1996 t/m 5-11-1997 vervuld, zodat het recht tot strafvordering in zo-verre is vervallen. De HR zal met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, het OM alsnog n-o verklaren in de vervolging van de onder 1 tenlastegelegde feiten wat betreft deze periode.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2006:AY8963:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Griffienr. 02824/05</para>
      <para>Mr. Wortel</para>
      <para>Zitting:19 september 2006</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie inzake:</para>
    <para />
    <para>[Verdachte]</para>
    <para />
    <para>1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij verzoeker wegens (1) "In strijd met de waarheid enig gegeven verzwijgen, met het oogmerk om aldus voor zichzelf bijstand of hogere bijstand te verkrijgen danwel te behouden, meermalen gepleegd", (2) "In strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking dan wel voor de hoogte of duur van een dergelijke verstrekking" en (3) "In het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals of vervalst is" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met bijkomende beslissingen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen. </para>
    <para />
    <para>2. Namens verzoeker heeft mr R. Veerkamp, advocaat te Utrecht, een schriftuur houdende één cassatiemiddel ingediend. </para>
    <para />
    <para>3. Het middel bevat de klacht dat geen nadrukkelijk gemotiveerde beslissing is gegeven op een verweer, ofschoon het aangevoerde van belang is voor de straftoemeting. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Gedoeld wordt op verzoekers in hoger beroep afgelegde verklaring, voor zover luidende</para>
      <para>"Ik heb problemen met mijn vader en mijn zusjes over het geld dat op de bankrekening stond en dat voor die zusjes bestemd was"</para>
      <para>welke stelling een afzonderlijk gemotiveerde beslissing zou vergen, nu de bewezenverklaring ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde impliceert dat verzoeker een banktegoed heeft verzwegen, en het Hof voor de straftoemeting van belang heeft geacht dat het om een aanzienlijk tegoed ging. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Bedoelde door verzoeker geponeerde stelling is niet een onderbouwd verweer betreffende de gevorderde straf en/of verzoekers ongeschiktheid die te ondergaan dat een nader gemotiveerde beslissing vergt. Dat wordt niet anders in het licht van de stukken die de raadsman voorafgaand aan de zitting aan het Hof zou hebben gestuurd, aangezien de rechter alleen (op straffe van nietigheid) tot een gemotiveerde beslissing gehouden kan zijn in verband met hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting nadrukkelijk is aangevoerd. </para>
    <para />
    <para>6. Het middel faalt en leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.</para>
    <para />
    <para>7. Ambtshalve wijs ik op het volgende. Achter dit 'ambtshalve' gaat in dit geval overigens schuil dat een alerte gerechtsauditeur bij de Hoge Raad op het laatste nippertje nog opmerkte hetgeen mij (evenals kennelijk in twee instanties de feitenrechters) was ontgaan. </para>
    <para />
    <para>8. De tenlastelegging ter zake van feit 1 houdt in dat het feit is begaan in een periode die aanving op 2 februari 1996 en eindigde op 30 juni 2000.</para>
    <para />
    <para>9. Dit feit is strafbaar gesteld in art. 141 (OUD) Algemene Bijstandswet, in welke bepaling een maximale gevangenisstraf was genoemd van twee jaren.</para>
    <para />
    <para>10. Ingevolge art. 70 Sr vervalt het recht tot strafvervolging derhalve na zes jaren. Deze termijn wordt gestuit door een daad van vervolging, doch de eerste daad van vervolging waarvan in deze zaak uit de stukken blijkt is de uitreiking van de inleidende dagvaarding (aan een schriftelijk gemachtigde) op 6 november 2003. </para>
    <para />
    <para>11. Dientengevolge was ten tijde van de berechting in feitelijke aanleg het recht tot strafvervolging ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit ten dele verloren gegaan, namelijk voor zover het feit is begaan in de periode van 2 februari 1996 tot 6 november 1997. In zoverre is het Openbaar Ministerie ten onrechte in deze vervolging ontvankelijk geacht. </para>
    <para />
    <para>12. Het gaat om ongeveer één jaar en negen maanden van een tijdvak dat volgens tenlastelegging en bewezenverklarding ongeveer vier jaar en vijf maanden beslaat. Daarom komt mij voor dat nader bezien zal moeten worden of het partiële verval van het vervolgingsrecht consequenties dient te hebben voor de straftoemeting, mede in het licht van de ernst van hetgeen overigens is bewezenverklaard. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Deze conclusie strekt ertoe dat </para>
      <para>a) de bestreden uitspraak zal worden vernietigd doch uitsluitend </para>
      <para>i) voor zover daarbij het Openbaar Ministerie ontvankelijk is geacht in de vervolging van verzoeker ter zake van het als feit 1 tenlastegelegde feit, voor zover begaan in de periode van 2 februari 1996 tot 6 november 1997, en</para>
      <para>ii) is bewezen verklaard dat het als feit 1 tenlastegelegde feit in het zojuist genoemde tijdvak is begaan, alsmede</para>
      <para>iii) ten aanzien van de strafoplegging;</para>
      <para>b) de Hoge Raad het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van verzoeker ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit voor zover begaan in de periode van 2 februari 1996 tot 6 november 1997;</para>
      <para>c) de Hoge Raad zal verstaan dat het onder 1 tenlastegelegde feit is begaan in de periode van 7 november 1997 tot 1 juli 2000;</para>
      <para>d) de zaak zal worden terug- of verwezen teneinde de straf ter zake van hetgeen aldus als feit 1 alsmede ter zake van de feiten 2 en 3 is bewezen verklaard opnieuw te doen vaststellen, en</para>
      <para>e) het beroep voor het overige zal worden verworpen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal </para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>