<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2005:AT5545</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T23:19:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AT5545</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2005-09-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C04/241HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2005:AT5545" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT5545</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001830&amp;artikel=81&amp;g=2005-09-16">Wet op de rechterlijke organisatie 81</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2005, 480</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2005/304</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2005:AT5545">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2005:AT5545</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T22:18:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-09-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2005:AT5545 Parket bij de Hoge Raad , 16-09-2005 / C04/241HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2005:AT5545:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>16 september 2005 Eerste Kamer Nr. C04/241HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. J.C. Meijroos, t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ORANGE NEDERLAND B.V., gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instantie...</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2005:AT5545:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Rolnr. C04/241HR </para>
      <para>Mr L. Strikwerda</para>
      <para>Zt. 13 mei 2005 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>conclusie inzake</para>
    <para />
    <para>[eiser]</para>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>Orange Nederland B.V.</para>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <para>1. Thans verweerster in cassatie, hierna: Orange, heeft bij exploit van 31 maart 2003 thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], gedagvaard voor de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Amersfoort, tot betaling van - na vermindering van eis bij repliek - Euro 438,55 met rente en kosten. Ten grondslag aan haar vordering heeft Orange gelegd dat zij op grond van een met [eiser] gesloten overeenkomst mobiele telefoondiensten en daarmee verband houdende diensten aan [eiser] heeft geleverd en dat [eiser] in gebreke is gebleven met de voldoening van de door Orange te dier zake aan hem gezonden facturen.</para>
    <para />
    <para>2. [Eiser] heeft verweer gevoerd tegen de vordering en daartoe - voor zover thans in cassatie van belang - aangevoerd dat hij een aantal van de door Orange overgelegde facturen reeds heeft voldaan. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft [eiser] bij conclusie van dupliek een aantal betalingsbewijzen overgelegd.</para>
    <para />
    <para>3. Orange heeft bij akte uitlating producties aangevoerd dat [eiser] in totaal een bedrag van Euro 244,17 per automatische incasso heeft betaald, doch dat de bank deze bedragen heeft gestorneerd.</para>
    <para />
    <para>4. Bij antwoordakte heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld niet bekend te zijn met de stornering van de bedragen en Orange verzocht de stelling dat van stornering sprake zou zijn gedocumenteerd te onderbouwen.</para>
    <para />
    <para>5. Na een tweetal tussenvonnissen heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 14 april 2004 de vordering van Orange, zoals verminderd, toegewezen en daartoe onder meer het volgende overwogen:</para>
    <para />
    <para>"[Eiser] stelt niet bekend te zijn met de stornering en verzoekt die stelling gedocumenteerd te onderbouwen.</para>
    <para />
    <para>Anders dan [eiser] stelt is het niet aan Orange doch aan hem, nu hij zich op het rechtsgevolg van zijn stelling beroept, te bewijzen dat hij heeft betaald. [Eiser] heeft geen behoorlijk onderbouwd en gemotiveerd bewijsaanbod gedaan, reden waarom de kantonrechter [eiser] niet in de gelegenheid zal stellen zijn stelling te bewijzen. Ten processe staat aldus vast dat [eiser] de vordering niet heeft betaald."</para>
    <para />
    <para>6. [Eiser] is tegen het eindvonnis van de kantonrechter (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. Orange is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.</para>
    <para />
    <para>7. Het middel neemt stelling tegen de zojuist aangehaalde overweging van de kantonrechter en betoogt - kort gezegd - dat de kantonrechter ten onrechte de bewijslast ten aanzien van de vraag of de door [eiser] betaalde bedragen door de bank al dan niet zijn gestorneerd, op [eiser] heeft gelegd, althans dit oordeel niet (voldoende) heeft gemotiveerd. Daartoe voert het middel aan dat, nu door de erkenning door Orange vaststaat dat [eiser] heeft betaald, het vervolgens aan Orange is om haar door [eiser] betwiste stelling te bewijzen dat de betaalde bedragen door de bank zijn gestorneerd. </para>
    <para />
    <para>8. Het middel faalt. Nog daargelaten dat de kantonrechter niet heeft vastgesteld dat [eiser] heeft betaald, doch heeft geoordeeld dat het aan [eiser] is te bewijzen dat hij heeft betaald, zodat het middel reeds strandt op gebrek aan feitelijke grondslag, stuit de klacht dat het oordeel van de kantonrechter met betrekking tot de bewijslastverdeling onjuist is, af op art. 80 RO, dat geen rechtsklachten tegen vonnissen van kantonrechters toelaat, terwijl de (subsidiaire) motiveringsklacht geen doel kan treffen omdat deze klacht niet kan worden beoordeeld zonder daarbij mede de juistheid van de rechtsopvatting van de kantonrechter met betrekking tot de bewijslastverdeling te betrekken. Zie bijv. HR 11 december 1987, NJ 1988, 338 nt. WHH. </para>
    <para />
    <para>9. Overigens verliest het middel uit het oog - zo teken ik ten overvloede aan - dat uit de hoofdregel van art. 150 Rv dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten, de bewijslast daarvan draagt, niet kan worden afgeleid dat de wederpartij de feiten moet bewijzen die zij stelt ter motivering van haar betwisting van de eerder bedoelde feiten. Zie bijv. HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 813.</para>
    <para />
    <para>De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>