<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2004:AP8464</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T14:59:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AP8464</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2004-09-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">00297/04 B</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2004:AP8464" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AP8464</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2004, 468</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2004, 640</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2004:AP8464">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2004:AP8464</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T21:11:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-09-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2004:AP8464 Parket bij de Hoge Raad , 21-09-2004 / 00297/04 B</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2004:AP8464:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Appèlmemorie en ontvankelijkheid in appèl tegen afwijzing vordering verlenging gevangenhouding. De opvatting dat het OM na een tegen een beschikking ingesteld appèl op straffe van niet-ontvankelijkheid een schriftuur houdende zijn grieven moet indienen, vindt geen steun in het recht, met name niet in art. 447.1 Sv.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2004:AP8464:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Griffienr. 00297/04 B </para>
      <para>Mr. Wortel</para>
      <para>Zitting:29 juni 2004</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie inzake:</para>
    <para />
    <para>[verdachte]</para>
    <para />
    <para>Door de advocaat-generaal bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage is cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van dat Hof waarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in diens hoger beroep tegen een beschikking van de Rechtbank te 's-Gravenhage waarbij een vordering tot verlenging van de gevangenhouding van de bovengenoemde persoon is afgewezen. </para>
    <para />
    <para>1. De advocaat-generaal heeft één middel van cassatie voorgesteld.</para>
    <para />
    <para>2. Daarin wordt er over geklaagd dat de na te noemen beslissing in strijd met de wet is, althans zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. De thans bestreden beschikking houdt in:</para>
      <para>"Gezien de akte van de griffier van de arrondissementsrechtbank te Den Haag waarbij de Officier van Justitie, in de zaak tegen </para>
      <para>[verdachte]</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats]</para>
      <para>hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking d.d. 17 december 2003 van de rechtbank te Den Haag houdende afwijzing vordering van de gevangenhouding.</para>
      <para>Gezien de beschikking waarvan beroep.</para>
      <para>Gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door diens raadsvrouw, mr. DAMMAN.</para>
      <para>Overwegende, dat het hof niet in het bezit is van het appelmemorie ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep.</para>
      <para>Beschikkende:</para>
      <para>Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep"</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. In de toelichting op het middel wordt er terecht op gewezen dat art. 447 Sv is gewijzigd bij de Wet van 27 november 1991, houdende enkele wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering en enige ander wetten, in het bijzonder betreffende de bepalingen houdende termijnen, Stb. 1991, 663, in werking getreden op 1 mei 1992, ten gevolge van welke wijziging het Openbaar Ministerie na het instellen van hoger beroep bevoegd doch - anders dan voordien - niet gehouden is een schriftuur in te dienen bevattende grieven tegen de in hoger beroep bestreden beschikking.</para>
    <para />
    <para>5. Blijkens de wetsgeschiedenis is de verplichting van het Openbaar Ministerie om bij het instellen van hoger beroep tegen beschikkingen een appèlmemorie in te dienen afgeschaft omdat die verplichte indiening, ter griffie van het gerecht dat de bestreden beschikking heeft gewezen, onwenselijke vertraging bij het inzenden van de stukken naar de hogere instantie kan opleveren. Daarnaast was er naar het inzicht van de wetgever onvoldoende reden om te blijven vasthouden aan het onderscheid tussen de schriftuur die krachtens art. 410 Sv kan doch niet behoeft te worden overgelegd en de schriftuur die voorheen krachtens art. 447 Sv op straffe van niet-ontvankelijkheid moest worden ingediend. De verplichting tot het indienen van een schriftuur houdende middelen is ten aanzien van de cassatieprocedure gehandhaafd, maar ten aanzien van het hoger beroep gewaagt de Memorie van Toelichting nadrukkelijk van een facultatieve schriftuur. Daarbij nam de minister van Justitie in aanmerking dat de bij het Openbaar Ministerie bestaande bezwaren tegen een beschikking, gelet op art. 23, tweede lid Sv, ook bij de behandeling in hoger beroep naar voren gebracht kunnen worden, terwijl die behandeling in hoger beroep in voldoende mate waarborgt dat de verdachte de zienswijze van het Openbaar Ministerie kan bestrijden, vgl. Kamerstukken II, 1988-1989, 21 241, nr. 3, p. 10 - 13. </para>
    <para />
    <para>6. Voor zover de thans bestreden beschikking aldus begrepen moet worden dat het Hof art. 447, eerste lid Sv, zoals de bepaling sedert 1 mei 1992 luidt, niet heeft miskend maar heeft geoordeeld dat beginselen van een goede procesorde meebrengen dat de officier van justitie gehouden was zijn bezwaren in een appèlmemorie neer te leggen, bij gebreke waarvan de officier van justitie in diens hoger beroep niet ontvangen kan worden, meen ik dat dit oordeel, gelet op de bovengenoemde wetsgeschiedenis, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Daarbij teken ik aan dat met het oog op die wetsgeschiedenis wel heel bijzondere omstandigheden genoemd zouden moeten worden om een dergelijk, aan beginselen van een goede procesorde ontleend, oordeel begrijpelijk te doen zijn.</para>
    <para />
    <para>7. Het middel is terecht voorgesteld. Nu het Hof zich nog geen oordeel heeft gevormd over de in hoger beroep bestreden beschikking komt het mij aangewezen voor om de zaak naar hetzelfde Hof terug te wijzen. </para>
    <para />
    <para>8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat naar aanleiding van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep opnieuw zal worden beslist.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal </para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>