<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2004:AO9495</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T14:52:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AO9495</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2004-07-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C03/071HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2004:AO9495" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO9495</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005459&amp;artikel=2&amp;g=2004-07-09">Uitvoeringswet Verdrag betreffende rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=985&amp;g=2004-07-09">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 985</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2004, 397</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2004, 621</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2004/283</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2004:AO9495">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2004:AO9495</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T20:58:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-07-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2004:AO9495 Parket bij de Hoge Raad , 09-07-2004 / C03/071HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2004:AO9495:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>9 juli 2004 Eerste Kamer Nr. C03/071HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. D.Th.J. van der Klei, t e g e n  de vennootschap naar Duits recht DEUTSCHE PARACELSUS SCHULEN FÜR NATURHEILVERFAHREN GMBH, gevestigd te München, Bondsrepubliek Duitsland, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2004:AO9495:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Rolnr. C03/071HR </para>
      <para>Mr L. Strikwerda</para>
      <para>Zt. 14 mei 2004 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>conclusie inzake</para>
    <para />
    <para>[Eiser]</para>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>Deutsche Paracelsus Schulen für Naturheilverfahren GmbH</para>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <para>1. Bij een op 21 juni 2000 ter griffie van de Rechtbank te Alkmaar ingekomen verzoekschrift heeft thans verweerster in cassatie, hierna: DPS, zich gewend tot de President van die Rechtbank en deze verzocht haar op de voet van het EEX-Verdrag (Verdrag van 27 september 1968, Trb. 1969, 101) verlof te verlenen het tussen haar als eiseres en thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], als gedaagde gewezen Versäumnisurteil d.d. 17 april 1998 van het Landgericht te Bielefeld (BRD) in Nederland ten uitvoer te leggen.</para>
    <para />
    <para>2. Bij beschikking van 17 juli 2000 heeft de President DPS het gevraagde verlof verleend.</para>
    <para />
    <para>3. Bij dagvaarding van 8 februari 2001 heeft [eiser] op de voet van art. 36 van het EEX-Verdrag bij de Rechtbank te Alkmaar verzet gedaan tegen voormelde beschikking van de President. DPS heeft het verzet bestreden.</para>
    <para />
    <para>4. Bij vonnis van 31 oktober 2002 heeft de Rechtbank [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat</para>
    <para />
    <para>"de onderhavige beschikking van de President van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar ingevolge het bepaalde in artikel 989 lid 1 (oud) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet vatbaar is voor verzet. Dit betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzet."</para>
    <para />
    <para>5. [Eiser] is tegen het vonnis van de Rechtbank (tijdig; zie art. 5 Uitvoeringswet EEX-Verdrag, Wet van 4 mei 1972, Stb. 240) in cassatie gekomen met één middel. DPS is in cassatie niet verschenen.</para>
    <para />
    <para>6. Het middel klaagt dat de Rechtbank [eiser] ten onrechte, althans zonder voldoende motivering, niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzet tegen de beschikking van de President. Volgens het middel heeft de Rechtbank miskend dat de artt. 985-991 Rv in het onderhavige geval, waarin op de voet van het EEX-Verdrag verlof tot tenuitvoerlegging van een in andere verdragsluitende staat gegeven rechterlijke beslissing wordt gevraagd, niet van toepassing zijn en voorts miskend dat onder de regeling van het EEX-Verdrag ingevolge art. 36 EEX daarvan, indien de tenuitvoerlegging wordt toegestaan, de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd tegen de beslissing verzet kan doen.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtsklacht is gegrond. DPS heeft op de voet van het EEX-Verdrag verlof gevraagd tot tenuitvoerlegging in Nederland van een beslissing gegeven door een Duitse rechter. De President heeft met toepassing van het EEX-Verdrag het gevraagde verlof verleend. De toepasselijkheid van de regeling inzake erkenning en tenuitvoerlegging van het EEX-Verdrag is terecht niet bestreden: de regeling is zowel formeel (zie art. 25 jo. art. 55 EEX-Verdrag), materieel (blijkens de overgelegde expeditie van het Versäumnisurteil heeft de beslissing betrekking op een burgerlijke of handelszaak in de zin van art. 1 EEX-Verdrag) als temporeel (de beslissing waarvan verlof tot tenuitvoerlegging wordt verzocht is gegeven op 17 april 1998, derhalve vóór de datum van inwerkingtreding, 1 maart 2002, van de Verordening (EG) Nr. 44/2001, PbEG 2001, L 012, de zgn. EEX-Verordening; zie art. 66 lid 1 van de verordening) van toepassing. Ingevolge art. 2 lid 1 van de Uitvoeringswet EEX-Verdrag zijn ten aanzien van het verlof tot tenuitvoerlegging bedoeld in art. 31 van het verdrag de artt. 985-991 Rv niet van toepassing. De rechtsgang die leidt tot een exequatur onder het EEX-Verdrag wordt exclusief geregeld door de desbetreffende bepalingen van het EEX-Verdrag (art. 31-45) en van de Uitvoeringswet EEX-Verdrag (art. 2-8). Gelet op art. 94 Gw en art. 992 Rv heeft de Rechtbank derhalve ten onrechte geoordeeld dat de vraag of [eiser] het rechtsmiddel van verzet tegen de beschikking van de President openstaat, beoordeeld dient te worden met toepassing van art. 989 lid 1 Rv. De regeling van art. 36-39 van het EEX-Verdrag jo. art. 4 en 5 van de Uitvoeringswet EEX-Verdrag is van toepassing, welke regeling, meer bepaald art. 36, voorziet in het rechtsmiddel van verzet tegen de beschikking van de President waarbij verlof tot tenuitvoerlegging is verleend.</para>
    <para />
    <para>De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>