<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2002:AE7628</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:37:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AE7628</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL6720</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2002-10-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">00190/02 E</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2002:AE7628" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE7628</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002093&amp;artikel=16b&amp;g=2002-10-22">Advocatenwet 16b</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002093&amp;artikel=16e&amp;g=2002-10-22">Advocatenwet 16e</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=437&amp;g=2002-10-22">Wetboek van Strafvordering 437</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=37&amp;g=2002-10-22">Wetboek van Strafvordering 37</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2002, 576</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2002, 618</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2002:AE7628">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2002:AE7628</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T18:03:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-11-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2002:AE7628 Parket bij de Hoge Raad , 22-10-2002 / 00190/02 E</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2002:AE7628:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2002:AE7628:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 00190/02/E</para>
      <para>Mr Fokkens</para>
      <para>Zitting: 3 september 2002</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Conclusie inzake:</para>
      <para>[verdachte]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Verdachte is door het Gerechtshof te Leeuwarden wegens een zestal economische delicten veroordeeld tot evenzoveel geldboetes. </para>
    <para />
    <para>2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen.</para>
    <para />
    <para>3. Namens verdachte heeft Margarida Fernandes Jacinto, advocaat te Santarém, Portugal, de Hoge Raad een brief met bijlagen gezonden, welke op 8 mei 2002 ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen.</para>
    <para />
    <para>4. Op 1 oktober 2000 is de Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie en enkele andere wetten met betrekking tot het beroep in cassatie in strafzaken (uitsluiting beroep in lichte overtredingszaken en invoering verplichte schriftuur van een advocaat) in werking getreden. Voor zaken als de onderhavige, waarin na 1 oktober 2000 cassatieberoep is ingesteld, schrijft sedertdien art. 437, tweede lid, Sv voor, dat de verdachte op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is om binnen twee maanden na betekening van de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging door zijn raadsman een schriftuur bij de Hoge Raad te doen indienen. Blijft indiening van een schriftuur uit, dan wordt de verdachte in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Art 37 Sv luidt:</para>
      <para>"Als raadslieden worden slechts toegelaten in Nederland ingeschreven advocaten, alsmede personen bedoeld in artikel 16b van de Advocatenwet; deze laatsten indien zij samenwerken met een in Nederland ingeschreven advocaat, overeenkomstig het bepaalde in artikel 16e van de Advocatenwet." </para>
      <para>Art 16b Advocatenwet houdt in:</para>
      <para>"Voor de uitoefening in Nederland van werkzaamheden bij wijze van dienstverrichting, worden mede als advocaat aangemerkt, personen die niet als zodanig in Nederland zijn ingeschreven, maar die wel in een andere tot de Europese Economische Gemeenschap behorende staat of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hierna te noemen staat van herkomst, gerechtigd zijn hun beroepswerkzaamheden uit te oefenen onder de benaming advocaat of een daarmede overeenkomstige benaming in de taal of in een der talen van de staat van herkomst."</para>
      <para>en art. 16e, voor zover van belang:</para>
      <para>"1. Bij de uitoefening van werkzaamheden, bij wijze van dienstverrichting, betreffende de vertegenwoordiging en de verdediging van een cliënt in rechte, waarvoor ingevolge de wet de tussenkomst van een advocaat of procureur is voorgeschreven, moet een bezoekende advocaat samenwerken met een in Nederland ingeschreven advocaat, hierna te noemen de samenwerkende advocaat, die bij het betrokken gerecht praktijk uitoefent en die in voorkomend geval verantwoordelijk is tegenover dat gerecht."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Uit de stukken blijkt niet dat aan de in art. 16e gestelde vereisten voor de uitoefening van werkzaamheden door een bezoekende advocaat is voldaan. Dit impliceert dat niet tijdig door een raadsman als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv een schriftuur is ingediend. Reeds daarom kan verdachte in het cassatieberoep niet worden ontvangen (vgl. HR NJ 1985, 910 en HR 20 juni 2000, nr. 01693/99/H). Ten overvloede merk ik op dat de brief van verdachtes Portugese advocaat geen middel bevat dat voldoet aan de daaraan te stellen eisen, zodat ook om die reden het beroep niet-ontvankelijk zou zijn. </para>
    <para />
    <para>7. Ik concludeer dat de Hoge Raad verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het namens hem ingestelde cassatieberoep.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>plv.</para>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>