<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2001:ZC8118</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T16:51:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZC8118</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2001-12-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">36277</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2001:ZC8118" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZC8118</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2002/114 met annotatie van B.G. van Zadelhoff</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2002/14</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 2002/47</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2001/66.15</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:ZC8118">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:ZC8118</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T14:31:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-12-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2001:ZC8118 Parket bij de Hoge Raad , 14-12-2001 / 36277</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2001:ZC8118:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2001:ZC8118:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 36.277</para>
      <para>Mr Van den Berge</para>
      <para>Derde Kamer A</para>
      <para>OB 1997/98</para>
      <para>Parket, 29 maart 2001</para>
      <para>Conclusie inzake:</para>
      <para>de gemeente X</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de staatssecretaris van Financiën</para>
      <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
      <para>1. Feiten en procesverloop.</para>
      <para>1.1. Het beroep in cassatie is gericht tegen de uitspraak van het</para>
      <para>gerechtshof te Amsterdam (het Hof) van 5 juni 2000, nr. P99/2651.&amp;lt;(1) Infobulletin 2000/594. Het cassatieberoep is vermeld in V-N 2001/12.1.2.</para>
      <para>&amp;gt; Het is</para>
      <para>ingesteld door de belanghebbende.</para>
      <para>1.2. De belanghebbende exploiteert onder meer een sportpark,</para>
      <para>bestaande uit een aantal sportvelden die aan sportverenigingen</para>
      <para>worden verhuurd. Eén van die velden, verhuurd aan de Club A, is in</para>
      <para>1990/91 omgevormd van een natuurgrasveld tot een kunstgrasveld. De</para>
      <para>vrijstelling van omzetbelasting is met betrekking tot de verhuur van</para>
      <para>dit veld in de periode 1992-1995 op de voet van art. 11, lid 1,</para>
      <para>onderdeel b, 5e van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968)</para>
      <para>buiten toepassing gebleven.</para>
      <para>1.3. Ter zake van de aanleg van het kunstgrasveld is aan de</para>
      <para>belanghebbende ƒ 433.000 in rekening gebracht, vermeerderd met</para>
      <para>ƒ 79.800 aan omzetbelasting. De omzetbelasting is door de</para>
      <para>belanghebbende in aftrek gebracht.</para>
      <para>1.4. Het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen P (hierna: de</para>
      <para>Inspecteur), heeft aan de belanghebbende voor de jaren 1997 en 1998</para>
      <para>een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd tot een bedrag aan</para>
      <para>enkelvoudige belasting van ƒ 15.960 (20% van ƒ 79.800), en ƒ 381 aan</para>
      <para>heffingsrente. De naheffingsaanslag steunt op de opvatting dat de</para>
      <para>aanleg van het kunstgrasveld een levering in de zin van art. 3, lid</para>
      <para>1, onderdeel c van de Wet OB 1968 (tekst 1990/91) vormde en dat de</para>
      <para>vooraftrek op grond van art. 13 Uitvoeringsbeschikking</para>
      <para>omzetbelasting 1968 (Uitv. besch. OB 1968) vanaf 1 januari 1996 moet</para>
      <para>&amp;lt;</para>
      <para>?</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>worden herzien, omdat het veld door de bij Wet van 18 december 1995</para>
      <para>Stb. 1995/659 (de Wet Stb. 95/659) aangebrachte wijzigingen in de</para>
      <para>voorwaarden voor belaste verhuur, vanaf die datum niet meer belast</para>
      <para>kan worden verhuurd.</para>
      <para>1.5. De naheffingsaanslag is na bezwaar gehandhaafd.</para>
      <para>1.6. De belanghebbende heeft vervolgens tegen de uitspraak van de</para>
      <para>Inspecteur waarbij haar bezwaren werden afgewezen beroep ingesteld bij het</para>
      <para>Hof. Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard.</para>
      <para>1.7. In zijn beroepschrift in cassatie bestrijdt de belanghebbende</para>
      <para>de uitspraak van het Hof met drie middelen.</para>
      <para>1.8. De staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) heeft</para>
      <para>de middelen in zijn verweerschrift bestreden.</para>
      <para>2. Vervaardiging van een goed.</para>
      <para>2.1. Art. 3, lid 1, aanhef en onderdeel c van de Wet OB 1968 (tekst tot 11</para>
      <para>juli 1997&amp;lt;(2) Gewijzigd bij Wet van 19 juni 1978, Stb. 277.</para>
      <para>&amp;gt;) luidde:</para>
      <para>"(1.) Leveringen van goederen zijn (?) (c.) de oplevering van</para>
      <para>goederen door degene die de goederen heeft vervaardigd".</para>
      <para>2.2. in art. 5, lid 5 van de Zesde richtlijn (tekst 1990/91) was bepaald:</para>
      <para>"Als een levering in de zin van lid 1, kunnen de Lid-Staten</para>
      <para>beschouwen:</para>
      <para>a. de oplevering van een werk in roerende staat, dat wil zeggen de</para>
      <para>afgifte door de opdrachtnemer aan de opdrachtgever van een roerend</para>
      <para>goed dat hij heeft vervaardigd of samengesteld, met behulp van</para>
      <para>stoffen en voorwerpen die daartoe door de opdrachtgever aan de</para>
      <para>opdrachtnemer zijn verstrekt, ongeacht of de opdrachtnemer al dan</para>
      <para>niet een deel van de gebruikte materialen heeft verschaft;</para>
      <para>b. de oplevering van een werk in onroerende staat."</para>
      <para>2.3. Een met art. 5, lid 5 onderdeel a Zesde richtlijn overeenkomende</para>
      <para>bepaling was al opgenomen in de Tweede richtlijn (art. 5, lid 2 onderdeel</para>
      <para>d).</para>
      <para>2.4. Volgens HvJ EG 14 mei 1985, zaak nr. 139/84 (Van Dijk's Boekhuis),</para>
      <para>Jurispr. 1985, blz. 1405, BNB 1985/335 m.nt. L.F. Ploeger, o. 20, moet het</para>
      <para>in die bepalingen gebruikte begrip 'vervaardigen' worden uitgelegd aan de</para>
      <para>hand van het spraakgebruik. Het HvJ EG overwoog verder:</para>
      <para>"20. (?) Volgens het spraakgebruik nu houdt vervaardiging in het</para>
      <para>voortbrengen van een goed dat tevoren niet bestond.</para>
      <para>(?.)</para>
      <para>22. Er is een nieuw goed wanneer door het werk van de opdrachtnemer</para>
      <para>een goed ontstaat waarvan de functie volgens de in het</para>
      <para>maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilt van de functie</para>
      <para>die de verstrekte materialen hadden. Het staat aan de nationale</para>
      <para>rechter om, gelet op het gebruik dat van het goed kan worden gemaakt,</para>
      <para>te beoordelen of er een nieuw goed is.</para>
      <para>23. Hieruit volgt, dat onderhouds- en reparatiewerkzaamheden die, hoe</para>
      <para>ingrijpend ook, aan het verstrekte goed uitsluitend de functie</para>
      <para>teruggeven die het voordien had, zonder dat een nieuw goed ontstaat,</para>
      <para>niet het vervaardigen van een werk in roerende staat is.</para>
      <para>24. Bijgevolg (?) (is) er slechts sprake (?) van het vervaardigen van</para>
      <para>een werk in roerende staat in de zin van artikel 5, lid 2, sub d, van</para>
      <para>de Tweede richtlijn en artikel 5, lid 5, sub a, van de Zesde</para>
      <para>richtlijn, indien een opdrachtnemer een nieuw goed maakt uit</para>
      <para>materialen die de opdrachtgever hem heeft verstrekt, en (is er) een</para>
      <para>nieuw goed (?) wanneer door het werk van de opdrachtnemer een goed</para>
      <para>ontstaat waarvan de functie volgens de in het maatschappelijk verkeer</para>
      <para>gangbare opvattingen verschilt van de functie die de verstrekte</para>
      <para>materialen hadden."</para>
      <para>2.4. Uw Raad overwoog vervolgens (HR 2 oktober 1985, BNB 1985/336, m.nt.</para>
      <para>Ploeger), dat</para>
      <para>"moet worden aangenomen dat de Nederlandse wetgever bij</para>
      <para>totstandkoming van (de Wet OB 1968) aan de term "vervaardigd"</para>
      <para>in (art. 3, lid 1, onderdeel c Wet OB 1968) geen andere</para>
      <para>betekenis heeft willen toekennen dan die welke toekomt aan het</para>
      <para>begrip vervaardigen zoals gehanteerd in artikel 5, lid 2,</para>
      <para>letter d, van de Tweede richtlijn en voorts bij de aanpassing</para>
      <para>van (de Wet OB 1968) aan de Zesde richtlijn aan de gehandhaafde</para>
      <para>term "vervaardigd" dezelfde draagwijdte heeft willen geven als</para>
      <para>wordt uitgedrukt door de zinsnede "vervaardigd of samengesteld"</para>
      <para>in artikel 5, lid 5, letter a, van de Zesde richtlijn."</para>
      <para>2.5. Nu art. 3, lid 1, aanhef en onderdeel c van de Wet OB 1968</para>
      <para>(tekst tot 11 juli 1997) geen onderscheid maakte tussen de</para>
      <para>oplevering van roerende en onroerende goederen&amp;lt;(3) Ik gebruik de term 'goederen' in de toenmalige betekenis (d.i. in</para>
      <para>1990/91).</para>
      <para>&amp;gt;, moet ervan worden</para>
      <para>uitgegaan dat bij de vraag of sprake was van de vervaardiging van</para>
      <para>een onroerend goed dezelfde toets moest worden aangelegd, zie o.a.</para>
      <para>HR 17 december 1986, BNB 1987/59 en de andere jurisprudentie,</para>
      <para>vermeld in par. 3.1.2. van de conclusie van mijn ambtgenoot</para>
      <para>Moltmaker voor HR 7 december 1994, BNB 1995/87 m.nt. J.M.F.</para>
      <para>Finkensieper. 2.6. Van de oplevering van een onroerend goed resp.</para>
      <para>een onroerende zaak in de zin van art. 3, lid 1, onderdeel c, Wet OB</para>
      <para>1968 (tekst tot 1998) was derhalve sprake indien de functie van het</para>
      <para>(nieuwe) onroerende goed/onroerende zaak volgens de in het</para>
      <para>maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilde van de</para>
      <para>functie die het onroerende goed had.</para>
      <para>3. De bestreden uitspraak.</para>
      <para>3.1. Het Hof heeft, uitgaande van de overwegingen van het HvJ EG in de zaak</para>
      <para>Van Dijk's Boekhuis, geoordeeld dat de aanleg van een kunstgrasveld is aan</para>
      <para>te merken als het voortbrengen van een goed dat tevoren niet bestond. Het</para>
      <para>Hof heeft dit oordeel gestoeld op de aard en constructie van het</para>
      <para>kunstgrasveld en op de functie daarvan. Die functie onderscheidt zich</para>
      <para>volgens het Hof (o. 5.4) van de functie van een natuurgrasveld door de</para>
      <para>omstandigheden dat, zoals door de Inspecteur onweersproken is gesteld, 'een</para>
      <para>kunstgrasveld</para>
      <para>vrijwel vlak is, onder alle weersomstandigheden kan worden gebruikt, circa</para>
      <para>viermaal zoveel bespeelbare uren heeft als een grasveld en noodzakelijk is</para>
      <para>om hockeywedstrijden in competitieverband te kunnen spelen.'</para>
      <para>3.2. De stelling van de belanghebbende dat een kunstgrasveld als zodanig</para>
      <para>niet als een goed kan worden aangemerkt heeft het Hof verworpen. De</para>
      <para>omstandigheid dat het veld deel uitmaakte van een sportpark achtte het Hof</para>
      <para>daartoe onvoldoende, te minder nu het veld als zodanig werd verhuurd.</para>
      <para>4. De middelen 1 en 2.</para>
      <para>4.1. Met het eerste en tweede cassatiemiddel bestrijdt de belanghebbende,</para>
      <para>met respectievelijk een rechtsklacht en een motiveringsklacht, het oordeel</para>
      <para>van het Hof dat de aanleg van het kunstgrasveld de vervaardiging van een</para>
      <para>goed in de zin van art. 3, lid 1, onderdeel c, Wet OB 1968 inhoudt.</para>
      <para>4.2. In de toelichting op de middelen werkt de belanghebbende de klachten</para>
      <para>uit. Haar betoog komt er op neer dat doorslaggevend is of het feitelijk</para>
      <para>gebruik van het kunstgrasveld afwijkt van het feitelijk gebruik van het</para>
      <para>natuurgrasveld, en dat uit het voortgezette gebruik als hockeyveld blijkt</para>
      <para>dat van een zodanige afwijking geen sprake is.</para>
      <para>4.3. Terecht bestrijdt het middel niet de opvatting van het Hof dat een</para>
      <para>goed is vervaardigd in de zin van art. 3, lid 1, onderdeel c Wet OB 1968</para>
      <para>indien een goed is voortgebracht dat tevoren niet bestond (o. 5.4.). Deze</para>
      <para>rechtsopvatting is immers juist (zie hetgeen ik in par. 2 opmerkte).</para>
      <para>4.4. Voor zover het eerste middel ten betoge strekt dat het Hof ter</para>
      <para>beoordeling van die vraag ten onrechte geen acht heeft geslagen op het</para>
      <para>gebruik van het kunstgrasveld, mist het feitelijke grondslag. Blijkens o.</para>
      <para>5.4. heeft het Hof immers - terecht - als criterium aangelegd wat de</para>
      <para>functie van het goed is volgens maatschappelijke opvattingen.</para>
      <para>4.5. Ook overigens geeft het oordeel niet blijk van een onjuiste</para>
      <para>rechtsopvatting, zodat het eerste middel faalt.</para>
      <para>4.6. Het tweede middel houdt een motiveringsklacht in. Daarover het</para>
      <para>volgende. Het staat ter beoordeling van het Hof in hoeverre de functie van</para>
      <para>het veld is gewijzigd. De omstandigheid dat de functie van het veld in</para>
      <para>zoverre gelijk is gebleven dat het kunstgrasveld evenals het natuurgrasveld</para>
      <para>ertoe dient om de hockeysport te bedrijven, dwingt niet tot de conclusie</para>
      <para>dat de functies daarmee naar maatschappelijke opvattingen identiek zijn.&amp;lt;(4) Ter vergelijking: indien een woning wordt verbouwd, is de woonfunctie</para>
      <para>gebleven. Dat betekent nog niet dat naar maatschappelijke opvattingen de</para>
      <para>functie van het pand ongewijzigd is. Zo zal van een nieuw goed sprake</para>
      <para>kunnen zijn indien een eenvoudige woning wordt verbouwd tot een luxe</para>
      <para>appartement.</para>
      <para>&amp;gt; De</para>
      <para>door het Hof in de voorlaatste zin van o. 5.4. opgesomde omstandigheden</para>
      <para>kunnen invloed hebben op de functie van het veld. Het Hof heeft aan die</para>
      <para>omstandigheden dan ook betekenis mogen toekennen, zodat het oordeel van het</para>
      <para>Hof voldoende met redenen is omkleed.</para>
      <para>4.7. Ook het tweede middel faalt derhalve.</para>
      <para>5. Het derde middel.</para>
      <para>5.1. In het derde middel wordt betoogd dat de omstandigheid, dat de regels</para>
      <para>voor belaste verhuur van een onroerende zaak bij Wet Stb. 95/659 zijn</para>
      <para>gewijzigd, geen recht geeft om de vooraftrek die de belanghebbende in de</para>
      <para>jaren 1990/1991 ter zake van de vervaardiging van het kunstgrasveld heeft</para>
      <para>genoten, met ingang van 1996 te herzien. De belanghebbende beroept zich</para>
      <para>daarbij op het arrest HvJ EG 8 juni 2000, C- 396/98 (Schloßstraße), V-N</para>
      <para>2000/44.21, blz. 4034 e.v.</para>
      <para>5.2. Het arrest Schloßstraße heb ik besproken in par. 3.3. en 7 van de</para>
      <para>bijlage bij deze conclusie. Zoals ik in par. 7.3. t/m 7.6 uiteen heb gezet,</para>
      <para>kan uit het arrest niet met zekerheid worden afgeleid of het HvJ EG van</para>
      <para>oordeel is dat een eenmaal verleende vooraftrek in geval van wetswijziging</para>
      <para>op de voet van art. 20 Zesde richtlijn - in de Nederlandse wetgeving</para>
      <para>uitgewerkt in art. 15, leden 4 en 6 Wet OB 1968 en in art. 13 Uitv. besch.</para>
      <para>OB 1968 - in latere jaren kan worden herzien.</para>
      <para>5.3. Aangezien het hier gaat om een kwestie van uitleg van Europees recht,</para>
      <para>zal deze kwestie moeten worden voorgelegd aan het HvJEG.</para>
      <para>6. Conclusie.</para>
      <para>Bevindend, dat op het beroep niet kan worden beslist zonder beantwoording</para>
      <para>van een vraag van Europees recht, concludeer ik tot het voorleggen van die</para>
      <para>vraag aan het HvJ EG.</para>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
      <para>(a-g)</para>
      <para>Bijlage bij conclusies in de zaken nrs. 35.977 (X BV), 36.072</para>
      <para>(X B.V.), 36.122 (Stichting X), 36.236 (Stichting X) en 36.277</para>
      <para>(Gemeente X)</para>
      <para>1. Zesde richtlijn.</para>
      <para>1.1. Art. 4 Zesde richtlijn houdt in:</para>
      <para>"1. Als belastingplichtige wordt beschouwd ieder die, (...)</para>
      <para>zelfstandig (...) economische activiteiten verricht (...).</para>
      <para>2. (...) als economische activiteit wordt (...) beschouwd de</para>
      <para>exploitatie van een lichamelijke (...) zaak om er duurzaam</para>
      <para>opbrengst uit te verkrijgen.</para>
      <para>(...)."</para>
      <para>1.2. Art. 17, lid 2 van de Zesde richtlijn bepaalt onder welke</para>
      <para>voorwaarden de belastingplichtige in rekening gebrachte</para>
      <para>omzetbelasting kan aftrekken. De aanhef en onderdeel a van dit lid</para>
      <para>luiden:</para>
      <para>"Voor zover de goederen en de diensten worden gebruikt voor</para>
      <para>belaste handelingen, mag de belastingplichtige van de door hem</para>
      <para>verschuldigde belasting aftrekken:</para>
      <para>a. de belasting over de toegevoegde waarde welke verschuldigd</para>
      <para>of voldaan is voor de hem door een andere belastingplichtige</para>
      <para>(?) geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen</para>
      <para>behoeve door een andere tot voldoening van belasting gehouden</para>
      <para>belastingplichtige (?) verrichte of te verrichten diensten."</para>
      <para>1.3. HvJ EG 8 juni 2000, C-400/98 (Breitsohl), V-N 2000/43.17, blz.</para>
      <para>3945, overwoog:</para>
      <para>"(o. 34) (Er) zij (...) aan herinnerd, dat degene die het door</para>
      <para>objectieve gegevens ondersteunde voornemen heeft, zelfstandig</para>
      <para>een economische activiteit (...) aan te vangen en hiertoe (...)</para>
      <para>investeringsuitgaven doet, als belastingplichtige moet worden</para>
      <para>beschouwd. Als zodanig is hij (...) gerechtigd de verschuldigde</para>
      <para>of voldane BTW ter zake van investeringsuitgaven ten behoeve</para>
      <para>van de handelingen die hij voornemens is te gaan verrichtenen</para>
      <para>die recht geven op aftrek, onmiddellijk af te trekken (...).&amp;lt;(5) Volgt verwijzing naar HvJ EG 15 januari 1998, C-37/95 (Ghent Coal</para>
      <para>Terminal), Jurispr. 1998 blz. I-0001, punt 17; V-N 1998/29.14, blz. 2476 en</para>
      <para>HvJ EG 21 maart 2000, C-110/98-C-147/98 (Gabalfrisa e.a.), V-N 2000/22.12,</para>
      <para>punt 47.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>(...)</para>
      <para>(o. 41) Wanneer er geen sprake is van fraude of misbruik,&amp;lt;(6) Een voorbehoud dat al eerder werd gemaakt, zie op btw-gebied HvJ EG 29</para>
      <para>februari 1996, C-110/94 (INZO), Jurispr. 1996, blz. I-857, o. 24.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>verlangt het beginsel van de neutraliteit van de BTW, (...),</para>
      <para>behoudens eventuele herzieningen overeenkomstig de voorwaarden</para>
      <para>van artikel 20 van de Zesde richtlijn, dat het recht op aftrek,</para>
      <para>zodra het eenmaal is ontstaan, behouden blijft, ook wanneer het</para>
      <para>de belastingadministratie reeds bij het opleggen van de eerste</para>
      <para>aanslag bekend is, dat de voorgenomen economische activiteit</para>
      <para>(...) niet zal worden uitgeoefend."</para>
      <para>1.4. In art. 13, onderdeel B en C, Zesde Richtlijn is bepaald:</para>
      <para>(B) "(...) de Lid-Staten (verlenen) vrijstelling voor</para>
      <para>onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij</para>
      <para>vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de</para>
      <para>betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude,</para>
      <para>ontwijking en misbruik te voorkomen:</para>
      <para>(...)</para>
      <para>b. (...) verhuur van onroerende goederen, met uitzondering van:</para>
      <para>(?)</para>
      <para>(C.) De Lid-Staten kunnen aan de belastingplichtigen het recht</para>
      <para>verlenen om voor belastingheffing te kiezen in geval van:</para>
      <para>a. verhuur (...) van onroerende goederen;</para>
      <para>(...)</para>
      <para>De Lid-Staten kunnen de omvang van dit keuzerecht beperken; zij</para>
      <para>stellen de bepalingen voor de uitoefening ervan vast."</para>
      <para>1.5. Art. 20 Zesde richtlijn luidt:</para>
      <para>"1. De oorspronkelijk toegepaste aftrek wordt op de door</para>
      <para>Lid-Staten vastgestelde wijze herzien, met name:</para>
      <para>a. indien de aftrek hoger of lager is dan die welke de</para>
      <para>belastingplichtige gerechtigd was toe te passen;</para>
      <para>b. indien zich na de aangifte wijzigingen hebben voorgedaan in</para>
      <para>de elementen die in aanmerking zijn genomen voor het bepalen</para>
      <para>van het bedrag van de aftrek (...).</para>
      <para>2. Voor investeringsgoederen wordt de herziening gespreid over</para>
      <para>een periode van vijf jaar, het jaar van verkrijging of</para>
      <para>vervaardiging der goederen daaronder begrepen. Voor elk jaar</para>
      <para>heeft deze herziening slechts betrekking op een vijfde gedeelte</para>
      <para>van de op de goederen drukkende belasting. De herziening</para>
      <para>geschiedt op basis van de wijzigingen in het recht op aftrek in</para>
      <para>de loop van de volgende jaren ten opzichte van het jaar van</para>
      <para>verkrijging of vervaardiging der goederen.</para>
      <para>In afwijking van de voorgaande alinea kunnen de Lid-Staten de</para>
      <para>herziening baseren op een periode van vijf volle jaren te</para>
      <para>rekenen vanaf de ingebruikneming van de goederen.</para>
      <para>Voor onroerende investeringsgoederen kan de herzieningsperiode</para>
      <para>tot maximaal 20 jaar worden verlengd.&amp;lt;(7) De termijn van 20 jaar is ingevoerd door Richtlijn 95/7/EG van de Raad van</para>
      <para>10 april 1995, PB nr. L102, blz. 18. Daarvoor bedroeg de termijn 10 jaar.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>(?)".</para>
      <para>1.6. In de toelichting bij het in 1973 ingediende ontwerp voor de</para>
      <para>Zesde richtlijn (dat ten aanzien van de regeling voor de herziening</para>
      <para>van de aftrek niet wezenlijk afwijkt van de definitieve tekst) werd</para>
      <para>ten aanzien van art. 20, lid 1 onderdeel a opgemerkt&amp;lt;(8) V-N 1973, blz. 762.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"De reeds toegepaste aftrek moet worden herzien, indien blijkt</para>
      <para>dat zij ten tijde van de aangifte niet op de juiste wijze werd</para>
      <para>uitgevoerd of indien de oorspronkelijke situatie een wijziging</para>
      <para>heeft ondergaan door een latere gebeurtenis. Gelet op de</para>
      <para>financiële gevolgen van een herziening van de aftrek is het</para>
      <para>noodzakelijk voor dit gebied gemeenschappelijke regels uit te</para>
      <para>vaardigen. Te dien einde is de herziening van de aftrek als</para>
      <para>volgt geregeld:</para>
      <para>ad a wanneer de oorspronkelijke aftrek hoger of lager blijkt te</para>
      <para>zijn dan de aftrek welke de belastingplichtige ten tijde van de</para>
      <para>aangifte mocht toepassen; hetzij door een vergissing, hetzij</para>
      <para>als gevolg van een te hoge of te lage schatting van het</para>
      <para>percentage van de aftrek dat op de belaste activiteiten wordt</para>
      <para>toegepast (voor goederen en diensten die zowel voor belaste als</para>
      <para>voor niet-belaste bedrijfswerkzaamheden gebezigd worden);</para>
      <para>hetzij in geval van een herziening van de voor de verschillende</para>
      <para>bedrijfssectoren van de belastingplichtige overeenkomstig</para>
      <para>artikel 17, lid 5, sub a, bepaalde verhoudingsgetallen (...)."</para>
      <para>Die herziening van de bedoelde verhoudingsgetallen betreft de</para>
      <para>herziening van de zgn. voorlopige pro rata-aftrek op basis van het</para>
      <para>in het volgende jaar vastgestelde pro rata (zie art. 19, lid 3 Zesde</para>
      <para>richtlijn).</para>
      <para>2. Het communautaire vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel,</para>
      <para>algemeen.</para>
      <para>2.1. Het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel maken deel uit</para>
      <para>van de communautaire rechtsorde; de lidstaten moeten deze</para>
      <para>beginselen, bij de uitoefening van de aan hen door</para>
      <para>gemeenschapsrichtlijnen verleende bevoegdheden, naleven.&amp;lt;(9) HvJ EG 3 december 1998, C-381/97 (Belgocodex), Jurispr. I-8153, BNB</para>
      <para>1999/29, m.nt. M.E. Van Hilten, FED 1999/559 m.nt. S.J. Verver, V-N</para>
      <para>1999/14.25, r.o. 26 en HvJ EG 8 juni 2000, C-396/98, (Schloßstraße), V-N</para>
      <para>2000/44.21 blz. 4034, r.o. 44. Zie, voor een bespreking van deze beginselen</para>
      <para>o.a. T. Heukels, Intertemporales Gemeinschaftsrecht, Rückwirkung,</para>
      <para>Sofortwirkung und Rechtsschutz in der Rechtsprechung des Gerichtshofes der</para>
      <para>EG, 1990 (die vooral de ontwikkeling van die beginselen in de rechtspraak</para>
      <para>van het HvJ EG beschrijft), T. Tridimas, The General Principles of EC Law,</para>
      <para>1999, blz. 163 t/m 197 en J. Temple Lang, in U. Bernitz en J. Nergelius</para>
      <para>(eds.), General Principles of European Community Law , 2000, blz. 163 e.v.</para>
      <para>die instructieve beschouwingen geven.</para>
      <para>&amp;gt; Voorzover</para>
      <para>een in een wet in formele zin opgenomen regeling op een dergelijke</para>
      <para>bevoegdheid berust, kan die regeling aan die beginselen worden</para>
      <para>getoetst.&amp;lt;(10) Zie J.H. Jans, R. de Lange, S. Prechal en R.J.G.M. Widdershoven, Inleiding</para>
      <para>tot het Europees bestuursrecht, 1999, blz. 151, aangehaald in par. 7.3. van</para>
      <para>de conclusie van mijn ambtgenoot Wattel voor HR 28 februari 2001, nr.</para>
      <para>35.151, V-N 2000/38.16.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>2.2. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EG biedt het vertrouwensbeginsel</para>
      <para>tot op zekere hoogte bescherming tegen wijziging van bij verordeningen</para>
      <para>vastgestelde regels met terugwerkende kracht (zie hierna, par. 2.8. e.v.)</para>
      <para>of met onmiddellijke ingang (zie hierna, par. 2.13. e.v.), maar kan [HvJ EG</para>
      <para>16 mei 1979, C 84/78 (Tomadini), Jurispr. 1979, blz. 1801, 0.21] aan dat</para>
      <para>communautaire vertrouwensbeginsel</para>
      <para>" (?) niet (?) een dusdanig ruime draagwijdte (worden gegeven)</para>
      <para>dat een nieuwe regeling nooit van toepassing zou kunnen zijn op</para>
      <para>de toekomstige gevolgen van situaties die onder de oude</para>
      <para>regeling zijn ontstaan."</para>
      <para>2.3. Dat geldt volgens dat arrest (o.22)</para>
      <para>"met name (?) op een gebied als dat van de gemeenschappelijke</para>
      <para>marktordeningen, die juist een voortdurende aanpassing mogelijk</para>
      <para>moeten maken, afhankelijk van de wijzigingen van de economische</para>
      <para>situatie in de verschillende landbouwsectoren." &amp;lt;(11) Voor latere rechtspraak zie de jurisprudentie, door Temple Lang vermeld</para>
      <para>blz. 172, noot 33 en op blz. 170,  noot 25 en, meer recent, HvJ EG 14</para>
      <para>oktober 1999, C-104/97 (Atlanta), Jur. I-6983.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>2.4. De beperking geldt echter ook op andere gebieden, zie o.a. het door</para>
      <para>Heukels in zijn studie over deze rechtspraak&amp;lt;(12) Heukels, Intertemporales Gemeinschaftsrecht, blz. 166.</para>
      <para>&amp;gt; aangehaalde arrest HvJ EG 14</para>
      <para>juni 1988, zaak 33/87 (Christianos), Jurispr. 1988, blz. 2995 in een</para>
      <para>ambtenarenzaak.</para>
      <para>2.5. Temple Lang&amp;lt;(13) J. Temple Lang, t.a.p., blz. 172.</para>
      <para>&amp;gt; stelt het wat absoluut :</para>
      <para>"There is never a right to be exempt from future general, non</para>
      <para>selective legislative changes or other general measures."</para>
      <para>2.6. Heukels, de jurisprudentie van het HvJ EG op dit punt samenvattend,</para>
      <para>drukt zich wat genuanceerder uit&amp;lt;(14) SEW 1993, blz. 173. Idem Heukels, Intertemporales Recht, blz. 165.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"De toepassing van een nieuwe gemeenschapsregeling op de toekomstige</para>
      <para>gevolgen van situaties die onder de vigeur van de oude regeling zijn</para>
      <para>ontstaan (onmiddellijke werking) is normaliter toegestaan, tenzij het</para>
      <para>vertrouwensbeginsel zich daartegen in specifieke omstandigheden</para>
      <para>verzet."</para>
      <para>2.7. Voor toepassing van het vertrouwensbeginsel in een individueel geval</para>
      <para>is volgens Heukels vereist&amp;lt;(15) Intertemporales Gemeneinschaftsrecht, blz. 167/8.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"1) (...) eines genügend verfestigten Vertrauenstatbestandes (...)</para>
      <para>2) (...) (Un-)Vorhersehbarkeit der fraglichen Rechtsänderung (...) en</para>
      <para>3) (het ontbreken van) eines entgegenstehenden übergeordneten</para>
      <para>Gemeinwohlinteresses."&amp;lt;(16) Zie ook Temple Lang, t.a.p. blz. 171: "Legitimate expectations can arise</para>
      <para>(...) as a result of a clear indication in a regulation or other general</para>
      <para>measure (...)" en blz. 172: "The principle of legitimate expectations is</para>
      <para>not applicable: if it would defeat the purpose of EC measures, or if there</para>
      <para>is an overriding general interest (...)."</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>2.8. Het beginsel biedt verder overigens nooit meer dan een tijdelijke</para>
      <para>bescherming, bij voorbeeld gedurende een bepaalde periode. Het is, zoals</para>
      <para>Temple Lang stelt&amp;lt;(17)  Temple Lang, t.a.p. blz. 171 en Heukels, a.w. blz. 157.</para>
      <para>&amp;gt;,</para>
      <para>"not a guarantee that the status quo will be permanent."</para>
      <para>2.9. Volgens vaste jurisprudentie van het HvJ EG&amp;lt;(18) HvJ EG 25 Januari 1979, Zaak nr. 98/78 (Racke), Jurispr. 1979, blz. 69,</para>
      <para>punt 20; HvJ EG 25 januari 1979, zaak nr. 99/78 (Decker), Jurispr. 1979,</para>
      <para>blz. 101, r.o. 8. In gelijke zin HvJ EG 9 Januari 1990, Zaak 337/88 (Safa),</para>
      <para>Jurispr. 1990, blz. I-0001, punt 13; HvJ EG 21 Februari 1991, gevoegde</para>
      <para>zaken C-143/88 en C-92/89 (Zuckerfabrik Suederdithmarschen/Soest), Jurispr.</para>
      <para>1991 blz. I-0415, punt 49 en HvJ EG 11 juli 1991, C-368/89 (Crispoltoni),</para>
      <para>Jurispr. blz. I-3695, punt 17; ook gepubliceerd in SEW 1993/170 met noot T.</para>
      <para>Heukels. Zie over deze arresten tevens de in noot 5 genoemde literatuur.</para>
      <para>&amp;gt; verzet het beginsel van de</para>
      <para>rechtszekerheid zich in het algemeen tegen terugwerkende kracht van</para>
      <para>gemeenschaps-besluiten, maar geldt een uitzondering op die regel</para>
      <para>"indien dit voor het te bereiken doel noodzakelijk is en het</para>
      <para>rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht is</para>
      <para>genomen".&amp;lt;(19) R. Barents en L.J. Brinkhorst, Grondlijnen van Europees Recht, 9e dr.</para>
      <para>1999, blz. 194 menen dat onmiddellijke inwerkingtreding of inwerkingtreding</para>
      <para>met terugwerkende kracht alleen mogelijk is als 'dit strikt noodzakelijk</para>
      <para>is'. Die eis valt echte m.i. uit de jurisprudentie niet af te leiden.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>2.10. Zo werd in de arresten Racke&amp;lt;(20) HvJ EG 25 Januari 1979, Zaak nr. 98/78, Jurispr. 1979 blz. 69.</para>
      <para>&amp;gt; en Decker&amp;lt;(21) HvJ EG 25 januari 1979, zaak nr. 99/78, Jurispr. 1979 blz. 101.</para>
      <para>&amp;gt; overwogen (o. 20 en 8):</para>
      <para>"(...) het bij Verordening Nr 974/71 ingevoerde stelsel [van</para>
      <para>monetaire compenserende bedragen voor landbouwproducten] (houdt) in</para>
      <para>beginsel in, dat de voorziene maatregelen van kracht worden op het</para>
      <para>moment waarop de gebeurtenissen die er de aanleiding toe vormen, zich</para>
      <para>voordoen. Willen deze maatregelen werkelijk effect hebben, dan kan</para>
      <para>het dus noodzakelijk zijnde gewijzigde monetaire compenserende</para>
      <para>bedragen van toepassing te verklaren op feiten en handelingen die</para>
      <para>hebben plaatsgevonden gedurende een korte periode voor de</para>
      <para>bekendmaking van de betrokken Verordening in het Publicatieblad. Het</para>
      <para>is inherent aan het stelsel der monetair compenserende bedragen, dat</para>
      <para>de handelaars erop bedacht moeten zijn dat elke belangrijke wijziging</para>
      <para>in de monetaire situatie kan leiden tot uitbreiding van het stelsel</para>
      <para>tot nieuwe groepen produkten en tot vaststelling van nieuwe bedragen.</para>
      <para>In het onderhavige geval heeft de Commissie reeds op de dag waarop de</para>
      <para>nieuwe bedragen van toepassing zouden worden, bijzondere maatregelen</para>
      <para>getroffen om deze bedragen ter kennis van het betrokken bedrijfsleven</para>
      <para>te brengen. De toepassing van Verordening Nr. 649/73 op feiten die</para>
      <para>zich vanaf [die datum] (...) hebben voorgedaan, kon derhalve geen</para>
      <para>schending zijn van een gewettigd vertrouwen."</para>
      <para>2.11. In het arrest Safa&amp;lt;(22) HvJ EG 9 Januari 1990, Zaak C-337/88, Jurispr. 1990 blz. I-0001.</para>
      <para>&amp;gt; accepteerde het HvJ EG terugwerkende kracht van</para>
      <para>een verordening die erin voorzag dat goederen die uit Griekenland waren</para>
      <para>uitgevoerd vóór de toetreding van dat land tot de EG, en in de EG werden</para>
      <para>ingevoerd na toetreding, onder het oude regime vielen. Daartoe overwoog het</para>
      <para>HvJ EG (o. 14 t/m 17) dat vaststelling, bekendmaking en het beschikbaar</para>
      <para>hebben van de voorschriften op de dag van toetreding onmogelijk was en dat</para>
      <para>het in het algemeen belang na te streven doel van de maatregel -</para>
      <para>vergemakkelijking van de overgang naar een nieuw systeem en voorkoming van</para>
      <para>speculatief verkeer in landbouwproducten - het noodzakelijk maakte om</para>
      <para>terugwerkende kracht toe te kennen. Ten aanzien van een eventuele schending</para>
      <para>van gewettigd vertrouwen werd volstaan met de opmerking dat de</para>
      <para>marktdeelnemers niet konden verwachten dat het nieuwe regime (afschaffing</para>
      <para>van de communautaire heffing) zou gelden voor goederen waarvoor in</para>
      <para>Griekenland uitvoerrestituties waren betaald, nu die heffing tot doel had</para>
      <para>dergelijke uitvoerrestituties te neutraliseren.</para>
      <para>2.12. In de arresten Zuckerfabrik Suederdithmarschen en Soest&amp;lt;(23) HvJ EG 21 Februari 1991, gevoegde zaken C-143/88 en C-92/89, Jurispr. 1991</para>
      <para>blz. I-0415.</para>
      <para>&amp;gt; werd</para>
      <para>terugwerkende kracht geaccepteerd van een bij verordening ingestelde</para>
      <para>speciale compensatieheffing in de sector suiker voor het inmiddels</para>
      <para>geëindigde verkoopseizoen. Er hadden zich uitzonderlijke gebeurtenissen</para>
      <para>voorgedaan (een plotselinge val van de dollar en het instorten van de</para>
      <para>suikerprijzen op de wereldmarkt) waarvan de invloed op het tijdstip van de</para>
      <para>vaststelling van de oorspronkelijke heffingen niet met voldoende</para>
      <para>nauwkeurigheid kon worden voorzien. Gegeven het beginsel, dat de kosten van</para>
      <para>de marktordening door de sector zelf zouden worden gefinancierd, achtte het</para>
      <para>HvJ EG de speciale (na)heffing terecht. Er was geen sprake van gewettigd</para>
      <para>vertrouwen van de suikerfabrikanten, o.a. omdat - ruim vóór het einde van</para>
      <para>het verkoopseizoen - in het Publikatieblad bekend was gemaakt dat de</para>
      <para>Commissie een voorstel had ingediend voor instelling van de speciale</para>
      <para>compensatieheffing.</para>
      <para>2.13. In de zaak Crispoltoni&amp;lt;(24) HvJ EG 11 juli 1991, C-368/89, Jurispr. 1991 blz. I-3695, SEW 1993/170 met</para>
      <para>instructieve noot van Heukels.</para>
      <para>&amp;gt; waren verordeningen aan de orde waarbij werd</para>
      <para>voorzien in een gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de tabaksoogst van</para>
      <para>een bepaalde soort, nadat de telers hun keuze voor de productie van het</para>
      <para>lopende jaar hadden gemaakt, respectievelijk nadat zij aan hun beslissing</para>
      <para>uitvoering hadden gegeven. Door het tijdstip waarop de verordeningen werden</para>
      <para>gepubliceerd was het niet meer mogelijk om de aanplant over het</para>
      <para>desbetreffende jaar te beïnvloeden, zodat het doel van die verordeningen</para>
      <para>niet kon worden bereikt. Terugwerkende kracht was daarom onaanvaardbaar.</para>
      <para>Daar kwam nog bij dat het gewettigd vertrouwen van de telers was</para>
      <para>geschonden. Weliswaar moesten zij rekening houden met de mogelijkheid dat</para>
      <para>maatregelen zouden worden genomen om de productie te beperken, maar zij</para>
      <para>mochten erop vertrouwen dat die maatregelen aan hen tijdig ter kennis</para>
      <para>zouden worden gebracht.</para>
      <para>2.14. Dat is beoogd regelingen te laten terugwerken tot vóór het moment van</para>
      <para>bekendmaking moet volgens het HvJ EG worden beoordeeld aan de hand van de</para>
      <para>algemeen erkende uitleggingsbeginselen, met inachtneming van bewoordingen,</para>
      <para>doelstelling en opzet van de regeling.&amp;lt;(25) HvJ 12 november 1981, zaken 212-217/80 (Salumi e.a.), Jurispr. 1981 blz.</para>
      <para>2735, r.o. 9; HvJ EG 10 februari 1982, 21/81 (Bout), Jur EG 1982 blz. 0381,</para>
      <para>r.o. 13; HvJ EG 27 mei 1982, 113/81 (Reichelt), Jur EG 1982 blz. 1957, r.o.</para>
      <para>14-15; HvJ EG 6 november 1997, C-261/96 (Conserchimica), Jur EG 1997 blz.</para>
      <para>I-6177      , r.o. 16. Zie verder Tridimas, a.w., blz. 185 en Heukels, SEW</para>
      <para>1993, blz. 175.</para>
      <para>&amp;gt; Ik leid daaruit af dat het HvJ EG</para>
      <para>het begrip terugwerkende kracht niet in louter formele zin opvat. Dat</para>
      <para>blijkt ook uit de hiervoor besproken arresten Crispoltoni en Zuckerfabrik</para>
      <para>Suederdithmarschen en Soest, waarin de bestreden verordeningen niet in</para>
      <para>werking waren getreden vóór hun bekendmaking. Het gaat het HvJ EG er</para>
      <para>kennelijk om, dat, zoals Heukels opmerkt:&amp;lt;(26) SEW 1993, blz. 174.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>"(aan) faits accomplis (?) ex post facto ongunstige rechtsgevolgen</para>
      <para>worden verbonden."</para>
      <para>Als dat het geval is, dan dient de regeling, zo maak ik met Heukels uit het</para>
      <para>arrest Crispoltoni op, te voldoen aan de vereisten, geformuleerd in het</para>
      <para>Racke-arrest.</para>
      <para>2.15. (Wijzigings)verordeningen kunnen in het algemeen onmiddellijk</para>
      <para>in werking treden, als daarvoor bijzondere redenen bestaan.&amp;lt;(27) Heukels, SEW, 1993, blz. 173.</para>
      <para>&amp;gt; Als een</para>
      <para>dergelijke bijzondere reden beschouwde het HvJ EG 13 december 1967,</para>
      <para>zaak 17/67 (Neumann) Jurispr. 1967, blz. 556 de omstandigheid (blz.</para>
      <para>576):</para>
      <para>"dat (?) ieder tijdsverloop tussen bekendmaking</para>
      <para>inwerkingtreding aan de belangen der Gemeenschap afbreuk had</para>
      <para>kunnen doen;</para>
      <para>dat zodanig tijdsverloop namelijk zeer wel tot het overhaast</para>
      <para>afsluiten van een groot aantal transacties zou kunnen leiden,</para>
      <para>hetgeen (?) toepassing van (een bepaling van gemeenschapsrecht)</para>
      <para>zou hebben bemoeilijkt."</para>
      <para>2.16. Ook kan (HvJ EG 17 juli 1997, zaak C-183/95 (Affish), jurispr.</para>
      <para>1997, blz. I - 4315, o. 57) een dwingend algemeen belang, zoals de</para>
      <para>bescherming van de volksgezondheid,</para>
      <para>"zich (?) verzetten tegen de vaststelling van</para>
      <para>overgangsmaatregelen voor situaties die vóór de</para>
      <para>inwerkingtreding van de nieuwe regeling zijn ontstaan, doch die</para>
      <para>in hun ontwikkeling nog niet zijn voltooid (?)."</para>
      <para>2.17. Anderzijds: als aanpassing van een regeling lang uitblijft,</para>
      <para>dan kan dat, mede gelet op de gevolgen van de aanpassing voor de</para>
      <para>betrokkenen, reden zijn voor het treffen van een overgangsregeling.&amp;lt;(28) Zie voor een geval waarin het HvJ EG de getroffen overgangsregeling zelfs</para>
      <para>verlengde HvJ EG 11 maart 1982, 127/80 (Grogan), Jurispr. 1982, blz. 869.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>3. De arresten Belgocodex en Schloßstraße.</para>
      <para>3.1. In de arresten Belgocodex&amp;lt;(29) HvJ EG 3 december 1998, C-381/97, BNB 1999/29, m.nt. M.E. Van Hilten, FED</para>
      <para>1999/559 m.nt. S.J. Verver; V-N 1999/14.25.</para>
      <para>&amp;gt; en Schloßstraße&amp;lt;(30) HvJ EG 8 juni 2000, C-396/98, V-N 2000/44.21, blz. 4034.</para>
      <para>&amp;gt; was de vraag aan de</para>
      <para>orde of een belastingplichtige die van plan is een onroerende zaak</para>
      <para>te gaan verhuren, zich kan beroepen op het recht op aftrek van in</para>
      <para>rekening gebrachte omzet belasting, ondanks de omstandigheid dat dit</para>
      <para>recht na het tijdstip waarop de belasting aan hem in rekening was</para>
      <para>gebracht, met terugwerkende kracht is ingetrokken.</para>
      <para>3.2. Het arrest Belgocodex</para>
      <para>3.2.1. Belgocodex verwierf in 1990 in onverdeeldheid 25 % van een</para>
      <para>terrein met gebouwen. De gebouwen werden in de jaren van 1990 tot</para>
      <para>1993 gerenoveerd. Terzake daarvan werd aan haar omzetbelasting in</para>
      <para>rekening gebracht. Belgocodex verhuurde het gerenoveerde</para>
      <para>gebouwencomplex aan een belastingplichtige die het gebruikte in het</para>
      <para>kader van zijn onderneming, en trok de aan haar in rekening</para>
      <para>gebrachte omzetbelasting af op de voet van art. 44, § 3, sub 2, c,</para>
      <para>van het Belgische BTW-wetboek.</para>
      <para>3.2.2. Krachtens die bepaling, die bij Wet van 28 december 1992 was</para>
      <para>ingevoegd, was aan omzetbelasting onderworpen</para>
      <para>"de verhuur van (...) gebouwen (...) aan een belastingplichtige</para>
      <para>voor de behoeften van zijn economische activiteit, wanneer de</para>
      <para>verhuurder kennis heeft gegeven van zijn bedoeling het</para>
      <para>onroerend goed met voldoening van de belasting te verhuren; de</para>
      <para>Koning bepaalt de vorm van de keuze, de wijze waarop ze moet</para>
      <para>worden uitgeoefend, evenals de voorwaarden waaraan het</para>
      <para>verhuurcontract moet voldoen".</para>
      <para>3.2.3. De bepaling was op 1 januari 1993 in werking getreden, maar</para>
      <para>bij Wet van 6 juli 1994 weer met terugwerkende kracht tot 1 januari</para>
      <para>1993 ingetrokken. De in de bepaling voorziene uitvoeringsbesluiten</para>
      <para>waren nooit vastgesteld.</para>
      <para>3.2.4. In geschil was mede of het vertrouwens- en het</para>
      <para>rechtszekerheidsbeginsel in de weg stonden aan de intrekking met</para>
      <para>terugwerkende kracht van de bepaling. Het HvJ EG overwoog:</para>
      <para>"(26.) (...) (Er) zij (...) aan herinnerd, dat het vertrouwens-</para>
      <para>het rechtszekerheidsbeginsel deel uitmaken van de communautaire</para>
      <para>rechtsorde en door de lidstaten in de uitoefening van de hun door de</para>
      <para>gemeenschapsrichtlijnen verleende bevoegdheden moeten worden</para>
      <para>nageleefd. Onder de gegeven omstandigheden staat het evenwel niet aan</para>
      <para>het Hof, maar wel aan de nationale rechter om uit te maken of deze</para>
      <para>beginselen zijn geschonden door de intrekking met terugwerkende</para>
      <para>kracht van een wet waarvan het uitvoeringsbesluit nooit is</para>
      <para>vastgesteld.</para>
      <para>(27.) Mitsdien moet (?) worden geantwoord, dat artikel 2 van de</para>
      <para>Eerste richtlijn er niet aan in de weg staat, dat een lidstaat</para>
      <para>die van de in artikel 13, C, van de Zesde richtlijn bedoelde</para>
      <para>mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, en aldus aan zijn</para>
      <para>belastingplichtigen het recht heeft verleend om voor</para>
      <para>belastingheffing over bepaalde vormen van verhuur van</para>
      <para>onroerende goederen te kiezen, bij een wet van latere datum dit</para>
      <para>keuzerecht afschaft en zo de vrijstelling opnieuw invoert.</para>
      <para>Het staat aan de nationale rechter om uit te maken, of het</para>
      <para>vertrouwens- of het rechtszekerheidsbeginsel zijn geschonden</para>
      <para>door de intrekking met terugwerkende kracht van een wet waarvan</para>
      <para>het uitvoeringsbesluit nooit is vastgesteld."</para>
      <para>3.2.5. In het arrest Schloßstraße (zie hierna, par. 3.3.) overwoog</para>
      <para>het HvJ EG:</para>
      <para>(45.) "In de bijzondere omstandigheden waarin het arrest</para>
      <para>Belgocodex (?) is gewezen, heeft het Hof in punt 26 ervan</para>
      <para>vastgesteld, dat het aan de nationale rechter staat om uit te</para>
      <para>maken, of (het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel)</para>
      <para>zijn geschonden door de intrekking met terugwerkende kracht van</para>
      <para>de wet die het keuzerecht had ingevoerd. Daar de</para>
      <para>uitvoeringsbepalingen van deze wet nooit werden vastgesteld,</para>
      <para>stelde het Hof zich op het standpunt dat het niet kon uitmaken,</para>
      <para>of de bepalingen van deze wet bij de belastingplichtige een</para>
      <para>gewettigd vertrouwen hadden kunnen wekken dat moest worden</para>
      <para>beschermd."</para>
      <para>3.2.6. Het arrest Belgocodex, in het bijzonder overweging 26, moet</para>
      <para>dan ook aldus worden begrepen, dat het alleen dan aan de nationale</para>
      <para>rechter is om te bepalen of het vertrouwens- of</para>
      <para>rechtszekerheidsbeginsel is geschonden, als het HvJ EG niet in staat</para>
      <para>is om te bepalen of de nationale wet een gewettigd vertrouwen op het</para>
      <para>recht op aftrek heeft kunnen wekken. Dit is te verklaren uit de</para>
      <para>beperking van de bevoegdheid van het HvJ EG in die zin, dat het</para>
      <para>slechts bevoegd is het gemeenschapsrecht uit te leggen, en niet het</para>
      <para>nationale recht.&amp;lt;(31) Art. 220 (voorheen: 164) EG-Verdrag.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>3.3. Het arrest Schloßstraße</para>
      <para>3.3.1. Het arrest Schloßstraße&amp;lt;(32) HvJ EG 8 juni 2000, C- 396/98, V-N 2000/44.21, blz. 4034.</para>
      <para>&amp;gt; betrof een wijziging van de Duitse</para>
      <para>omzetbelastingwetgeving. Bij Wet van 21 december 1993 was het recht</para>
      <para>om te opteren voor belaste verhuur van stukken grond met ingang van</para>
      <para>1 januari 1994 beperkt tot de situatie dat de grond uitsluitend zou</para>
      <para>worden gebruikt voor handelingen waarvoor de aftrek van</para>
      <para>voorbelasting niet is uitgesloten. Krachtens een overgangsregeling</para>
      <para>gold de beperking niet:</para>
      <para>"(?) wanneer het op het stuk grond opgerichte gebouw</para>
      <para>1. voor bewoning dient of bestemd is en vóór 1 april 1985 is</para>
      <para>voltooid;</para>
      <para>2. voor een ander niet-bedrijfsmatig gebruik dient of bestemd</para>
      <para>is en vóór 1 januari 1986 is voltooid;</para>
      <para>3. voor andere dan de in de punten 1 en 2 genoemde doeleinden</para>
      <para>(bewoning of andere doeleinden die geen verband houden met een</para>
      <para>bedrijfsactiviteit) dient of bestemd is en vóór 1 januari 1998</para>
      <para>is voltooid;</para>
      <para>en wanneer met de oprichting van het gebouw in de (...) in punt</para>
      <para>3 bedoelde gevallen vóór 11 november 1993 is aangevangen."</para>
      <para>3.3.2. Schloßstraße had op 8 maart 1991 de erfpacht van een terrein</para>
      <para>verworven. Op 16 maart 1991 had zij een bouwvergunning aangevraagd,</para>
      <para>die op 27 mei 1993 was verleend. Op 10 oktober 1993 sloot</para>
      <para>Schloßstraße een contract met een architect inzake de oprichting van</para>
      <para>een gebouw. Het gebouw kwam in 1994 gereed en werd vervolgens</para>
      <para>verhuurd. Aangezien eerst in januari 1994 met de bouw was begonnen,</para>
      <para>kon Schloßstraße geen gebruik maken van de hierboven weergegeven</para>
      <para>overgangsregeling. De door Schloßstraße in haar BTW-aangiften voor</para>
      <para>de jaren 1992 tot en met 1994 geclaimde vooraftrek werd haar</para>
      <para>aanvankelijk, onder voorbehoud van controle achteraf, verleend. Na</para>
      <para>een dergelijke controle werd de vooraftrek deels gecorrigeerd.</para>
      <para>3.3.3. Het Bundesfinanzhof stelde in twee prejudiciële vragen aan de</para>
      <para>orde of een wetswijziging het recht op vooraftrek kan ontnemen en of</para>
      <para>dat ook geldt als de belasting is vastgesteld onder het voorbehoud</para>
      <para>van controles achteraf. Die vragen betroffen slechts de vooraftrek,</para>
      <para>verleend over de jaren 1992 en 1993, dus voorafgaand aan de</para>
      <para>wetswijziging.</para>
      <para>3.3.4. Het HvJ EG herhaalde in o. 34 hetgeen het in o. 27 van het</para>
      <para>arrest Belgocodex had overwogen. Daarna overwoog het Hof:</para>
      <para>"(42.) Wanneer er geen sprake is van fraude of misbruikt,</para>
      <para>blijft het recht op aftrek, als het eenmaal is ontstaan,</para>
      <para>verworven, behoudens eventuele herzieningen overeenkomstig de</para>
      <para>voorwaarden van artikel 20 van de Zesde richtlijn, ook wanneer</para>
      <para>de belastingplichtige de goederen of diensten die tot die</para>
      <para>aftrek hebben geleid, wegens omstandigheden buiten zijn wil</para>
      <para>niet voor belastbare handelingen heeft kunnen gebruiken (...).</para>
      <para>(43.) Een wetswijziging die (...) tot stand kwam tussen de</para>
      <para>datum waarop met het oog op het verrichten van bepaalde</para>
      <para>economische handelingen goederen zijn geleverd of diensten zijn</para>
      <para>verricht, en de datum waarop met deze handelingen is</para>
      <para>aangevangen, en de belastingplichtige met terugwerkende kracht</para>
      <para>het recht ontneemt om af te zien van BTW-vrijstelling voor deze</para>
      <para>handelingen, is een omstandigheid buiten de wil van de</para>
      <para>belastingplichtige.</para>
      <para>(...)</para>
      <para>(47.) Wanneer de nationale rechter (?) vaststelt, dat het voornemen</para>
      <para>om een aanvang te maken met economische activiteiten die tot belaste</para>
      <para>handelingen zullen leiden, te goeder trouw kenbaar is gemaakt en dit</para>
      <para>voornemen wordt ondersteund door objectieve elementen, geniet de</para>
      <para>belastingplichtige het recht om onmiddellijk de BTW af te trekken die</para>
      <para>verschuldigd of voldaan is voor goederen of diensten die hij heeft</para>
      <para>ontvangen met het oog op voorgenomen economische activiteiten, en</para>
      <para>verzetten het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel er zich</para>
      <para>tegen, dat een wetswijziging die tot stand komt nadat deze goederen</para>
      <para>zijn geleverd of deze diensten zijn verricht, hem met terugwerkende</para>
      <para>kracht dit recht ontneemt.</para>
      <para>(?)</para>
      <para>(50.) (De mogelijkheid voor de belastingadministraties om</para>
      <para>controles te verrichten en voorlopige aanslagen te wijzigen)</para>
      <para>biedt de belastingadministratie (?) de mogelijkheid met</para>
      <para>terugwerkende kracht de terugbetaling van afgetrokken bedragen</para>
      <para>te vorderen, wanneer in geval van fraude of misbruik de</para>
      <para>betrokkene heeft voorgewend een economische activiteit te</para>
      <para>willen verrichten, doch in werkelijkheid  goederen (?) in zijn</para>
      <para>privé-vermogen heeft pogen op te nemen.</para>
      <para>(51.) Een vaststelling van de BTW onder voorbehoud van controle</para>
      <para>achteraf maakt overeenkomstig de voorwaarden van artikel 20 van</para>
      <para>de Zesde richtlijn ook een herziening mogelijk van de BTW-</para>
      <para>bedragen die de belastingplichtige bij de verkrijging van</para>
      <para>investeringsgoederen heeft afgetrokken, onder meer wanneer</para>
      <para>laatstgenoemde het voorgenomen gebruik van het onroerend goed</para>
      <para>wijzigt, bijvoorbeeld door een groter deel ervan voor bewoning</para>
      <para>te bestemmen.</para>
      <para>(52.) Buiten de in de vorige twee punten genoemde gevallen kan</para>
      <para>de belastingadministratie door de BTW-vaststelling onder</para>
      <para>voorbehoud van controle achteraf een belastingplichtige evenwel</para>
      <para>niet het recht op aftrek van voorbelasting ontnemen dat hij (?)</para>
      <para>overeenkomstig artikel 17 van de Zesde richtlijn heeft</para>
      <para>verworven."</para>
      <para>3.3.5. Het HvJ EG verklaarde vervolgens, dat</para>
      <para>"(Art.) 17 van de Zesde richtlijn (?) aldus (moet) worden</para>
      <para>uitgelegd, dat het recht van een belastingplichtige om de (btw)</para>
      <para>af te trekken, die hij heeft voldaan voor goederen die aan hem</para>
      <para>zijn geleverd of diensten die voor hem zijn verricht met het</para>
      <para>oog op bepaalde handelingen van verhuur, verworven blijft,</para>
      <para>wanneer deze belastingplichtige ten gevolge van wetswijziging</para>
      <para>na de levering van deze goederen of het verrichten van deze</para>
      <para>diensten, doch vóór de aanvang van deze handelingen niet meer</para>
      <para>het recht heeft om voor deze handelingen van de vrijstelling af</para>
      <para>te zien (?)."</para>
      <para>4. Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968).</para>
      <para>4.1. Aftrek van in rekening gebrachte belasting</para>
      <para>4.1.1. Ingevolge art. 2 en 15, lid 1 Wet OB 1968 kan een ondernemer</para>
      <para>de omzetbelasting die hem in rekening wordt gebracht, aftrekken als</para>
      <para>hij de afgenomen goederen of diensten bezigt in het kader van zijn</para>
      <para>onderneming. Art. 15, lid 2 Wet OB 1968 maakt daarop een</para>
      <para>uitzondering voor zover die goederen worden gebruikt voor het</para>
      <para>verrichten van vrijgestelde prestaties.</para>
      <para>4.1.2. Art. 15, lid 4 Wet OB 1968 houdt in:</para>
      <para>"De aftrek van belasting vindt plaats overeenkomstig</para>
      <para>bestemming van de goederen en diensten op het tijdstip waarop</para>
      <para>de belasting aan de ondernemer in rekening is gebracht (...).</para>
      <para>Indien op het tijdstip waarop de ondernemer goederen en</para>
      <para>diensten gaat bezigen, blijkt dat de belasting ter zake voor</para>
      <para>een groter of kleiner gedeelte in aftrek is gebracht dan</para>
      <para>waartoe de ondernemer op grond van het gebruik is gerechtigd,</para>
      <para>wordt hij de te veel afgetrokken belasting op dat tijdstip</para>
      <para>verschuldigd. (...)."</para>
      <para>4.1.3. In art. 12, lid 2 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968</para>
      <para>(Uitv. besch. OB 1968) wordt deze regeling 'herrekening' genoemd.</para>
      <para>Daarnaast staat een regeling voor herziening van de aftrek van</para>
      <para>voorbelasting (art. 11 -13 Uitv. besch. OB 1968) zie hierna, par.</para>
      <para>4.1.5.</para>
      <para>4.1.4. Aan de herrekening bij ingebruikneming als bedoeld in art.</para>
      <para>15, lid 4 Wet OB 1968 is geen limiet gesteld; het is irrelevant</para>
      <para>hoeveel jaren zijn verstreken sinds het tijdstip waarop de</para>
      <para>omzetbelasting in aftrek is gebracht.&amp;lt;(33) Vgl. D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend</para>
      <para>goed, 1990, blz. 307.</para>
      <para>&amp;gt; Aan het einde van het boekjaar</para>
      <para>van ingebruikneming vindt opnieuw een herrekening plaats, op basis</para>
      <para>van de voor het gehele boekjaar geldende gegevens (art. 15, lid 6</para>
      <para>Wet OB 1968 j° art. 12, lid 3 Uitv.besch. OB 1968).&amp;lt;(34) Vgl. B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over toegevoegde</para>
      <para>waarde, 1992, blz. 300.</para>
      <para>&amp;gt; Herrekening</para>
      <para>geschiedt - anders dan herziening - voor het volle bedrag.&amp;lt;(35) Van Zadelhoff, a.w., blz. 300-301.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>4.1.5. De - eventueel herrekende - aftrek wordt in elk van de negen</para>
      <para>boekjaren volgende op het jaar van ingebruikname voor 1/10 herzien</para>
      <para>(art. 15, leden 4 en 6 Wet OB 1968 j° art. 13, lid 2, Uitv. besch.</para>
      <para>OB 1968).&amp;lt;(36)  Strikt genomen geeft art. 15, lid 6 Wet OB 1968 slechts een machtiging om</para>
      <para>bij Ministeriële regeling nadere regels te geven voor het geval een goed of</para>
      <para>dienst mede voor vrijgestelde prestaties wordt gebruikt. De regeling van</para>
      <para>art. 13 Uitv. besch. OB 1968 wordt echter ook toegepast als op een volledig</para>
      <para>belast gebruik een volledig vrijgesteld gebruik volgt.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>4.2. Verhuur van onroerende zaken; tot 31 maart 1995, 18.00 uur</para>
      <para>4.2.1.Tot de inwerkingtreding van de Wet van 18 december 1995, Stb.</para>
      <para>1995, 659&amp;lt;(37) Wet houdende wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op</para>
      <para>belastingen van rechtsverkeer en enkele andere belastingwetten in verband</para>
      <para>met de bestrijding van constructies met betrekking tot onroerende zaken.</para>
      <para>&amp;gt; (hierna: Wet Stb. 95/659) bevatte de Wet OB 1968 een</para>
      <para>vrijstelling voor (art. 11, lid 1 Wet OB 1968):</para>
      <para>"b. De verhuur (...) van onroerende zaken, met uitzondering</para>
      <para>van:</para>
      <para>(?)</para>
      <para>5°. de verhuur van onroerende zaken, andere dan gebouwen en</para>
      <para>gedeelten daarvan welke als woning worden gebruikt, mits de</para>
      <para>verhuurder en de huurder gezamenlijk een verzoek daartoe aan de</para>
      <para>inspecteur hebben gedaan (...)."</para>
      <para>4.2.2. Irrelevant was of de huurder de onroerende zaken gebruikte</para>
      <para>voor belaste of voor onbelaste prestaties.</para>
      <para>4.3. Idem, vanaf 31 maart 1995, 18.00 uur</para>
      <para>4.3.1. Op 21 december 1994 deed de staatssecretaris van Financiën -</para>
      <para>Vermeend - de toezegging dat hij btw-constructies met onroerende</para>
      <para>zaken op de kortst mogelijke termijn aan zou pakken. Zijn voorganger</para>
      <para>Van Amelsvoort had zich al eerder in die zin uitgelaten.&amp;lt;(38) Brief aan de Tweede Kamer van 11 december 1992, nr. 92-494/I, V-N</para>
      <para>1992/3784, punt 2: (taakstellende voornemens voor het kalenderjaar 1993)</para>
      <para>"Reparatiewetgeving omzetbelasting ter zake onroerende goederen</para>
      <para>vrijgestelde ondernemers (zo spoedig mogelijk)".</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>Op 21 maart 1995 liet staatssecretaris Vermeend in antwoord op</para>
      <para>Kamervragen weten dat reparatiewetgeving in voorbereiding was.&amp;lt;(39) V-N 1995, blz. 1250, antwoord op vragen 4 en 5.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>4.3.2. Een op 31 maart 1995 om 16.15 uur door het ministerie van</para>
      <para>Financiën uitgegeven persbericht&amp;lt;(40) V-N 1995, blz. 1336, pt. 26.</para>
      <para>&amp;gt; hield in:</para>
      <para>"De ministerraad is akkoord gegaan met een wetsvoorstel van</para>
      <para>staatssecretaris Vermeend van Financiën tot wijziging van de</para>
      <para>Wet op de omzetbelasting 1968 (...). Dit wetsvoorstel heeft</para>
      <para>(onder andere als) (...) doel (...) het bestrijden van BTW-</para>
      <para>constructies met onroerende zaken, zoals "stadhuisconstructies"</para>
      <para>en constructies met woningen (...).</para>
      <para>Met de BTW-constructies wordt door van BTW vrijgestelde</para>
      <para>ondernemers (zoals banken, verzekeringsmaatschappijen,</para>
      <para>onderwijsinstellingen en ziekenhuizen) en publiekrechtelijke</para>
      <para>lichamen (zoals gemeenten) oneigenlijk gebruik gemaakt van</para>
      <para>voorzieningen in de BTW die in het leven zijn geroepen om</para>
      <para>cumulatie van BTW bij ondernemers, belast met BTW, te</para>
      <para>voorkomen.</para>
      <para>Het wetsvoorstel omvat voor de heffing van de omzetbelasting de</para>
      <para>volgende maatregelen:</para>
      <para>1. de optieregeling voor belaste verhuur en belaste levering</para>
      <para>beperken tot afnemers die de onroerende zaak voor 90% of meer</para>
      <para>gebruiken voor aftrekgerechtigde prestaties;</para>
      <para>2. beperkte rechten aangaande onroerende zaken met verhuur</para>
      <para>gelijkstellen;</para>
      <para>3. de fiscale eenheid in de BTW uitbreiden met ondernemers die</para>
      <para>onroerende zaken niet bedrijfsmatig verhuren.</para>
      <para>(?)</para>
      <para>Gezien het risico dat in de tussentijd op grote schaal nog</para>
      <para>constructies in het leven worden geroepen (...), wordt</para>
      <para>voorgesteld de maatregelen onmiddellijk feitelijk van kracht te</para>
      <para>doen zijn. Dit betekent, dat na de inwerkingtreding van de wet</para>
      <para>uitgangspunt is, dat de (Wet OB 1968) (...) met onmiddellijke</para>
      <para>ingang hebben geluid zoals ze worden gewijzigd bij deze wet. In</para>
      <para>verband daarmee zullen nog nadere regels bij ministeriële</para>
      <para>regeling worden vastgesteld. Deze zullen onder meer zien op de</para>
      <para>formaliteiten inzake (de correctie van) de heffing van BTW</para>
      <para>(...) vanaf het moment van van kracht zijn tot de datum van</para>
      <para>inwerkingtreding, voor zover in die periode</para>
      <para>toch de handelingen worden verricht die het wetsvoorstel beoogt</para>
      <para>te treffen. (...)."</para>
      <para>4.3.3. Naar aanleiding van vragen werd bij persbericht van 3 april</para>
      <para>1995 meegedeeld&amp;lt;(41) V-N 1995, blz. 1338.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"Conform het besluit van de Ministerraad van 31 maart jl.</para>
      <para>ingangsdatum van het wetsvoorstel (...) bestrijding van BTW-</para>
      <para>constructies vastgesteld op 31 maart. Voor de feitelijke</para>
      <para>inwerkingtreding wordt het tijdstip van bekendmaking</para>
      <para>gehanteerd, te weten (...) 31 maart 18.00 uur (...)."</para>
      <para>4.3.4. Het aldus aangekondigde wetsontwerp werd op 24 mei 1995</para>
      <para>ingediend.&amp;lt;(42) Kamerstukken II, vergaderjaar 1994-1995, 24 172.</para>
      <para>&amp;gt; Het leidde op 18 december van dat jaar tot de in par.</para>
      <para>4.2. genoemde Wet Stb. 95/659, die op 29 december 1995 in werking</para>
      <para>trad en terugwerkte tot 31 maart 1995, 18.00 uur (zie hierna, par.</para>
      <para>4.4.).</para>
      <para>4.3.5. Het bij die Wet gewijzigde art. 11, lid 1 Wet OB 1968 kwam te</para>
      <para>luiden (ik cursiveer de wijzigingen):</para>
      <para>"(vrijgesteld is)</para>
      <para>b. de verhuur (de verpachting daaronder begrepen) van</para>
      <para>onroerende zaken, met uitzondering van:</para>
      <para>5°. de verhuur van onroerende zaken, andere dan gebouwen en</para>
      <para>gedeelten daarvan welke als woning worden gebruikt, aan</para>
      <para>personen die de onroerende zaak gebruiken voor doeleinden</para>
      <para>waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van</para>
      <para>de belasting op de voet van artikel 15 bestaat, mits de</para>
      <para>verhuurder en de huurder gezamenlijk een verzoek daartoe aan de</para>
      <para>inspecteur hebben gedaan en overigens voldoen aan bij</para>
      <para>ministeriële regeling te stellen voorwaarden; onder verhuur van</para>
      <para>onroerende zaken wordt mede verstaan iedere andere vorm waarin</para>
      <para>onroerende zaken voor gebruik, anders dan als levering, ter</para>
      <para>beschikking worden gesteld."</para>
      <para>4.3.6. Art. 6a, leden 5 en 6 Uitv.besch. OB 1968, bij Beschikking</para>
      <para>van 4 juni 1996, nr. WV96/217M, Stcrt. 107 gewijzigd met</para>
      <para>terugwerkende kracht tot 29 december 1995, luiden:</para>
      <para>"5. Voor elk boekjaar geldt dat aan de in artikel 11, eerste</para>
      <para>lid, onderdeel b, onder 5°, van de wet bedoelde voorwaarde dat</para>
      <para>de huurder de onroerende zaak gebruikt voor doeleinden waarvoor</para>
      <para>een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting</para>
      <para>op de voet van artikel 15 van de wet bestaat, is voldaan,</para>
      <para>wanneer de onroerende zaak over het desbetreffende boekjaar</para>
      <para>voor de hiervoor vermelde doeleinden is gebruikt. De voorwaarde</para>
      <para>wordt voor de eerste keer beoordeeld over het boekjaar waarin</para>
      <para>de huurder de onroerende zaak, met toepassing van het</para>
      <para>keuzerecht voor belasting, is gaan huren.</para>
      <para>6. Ingeval de onroerende zaak niet vóór het einde van het</para>
      <para>boekjaar waarin de huurder de onroerende zaak, met toepassing</para>
      <para>van het keuzerecht voor belasting, is gaan huren, door de</para>
      <para>huurder in gebruik is genomen, is niet voldaan aan de in het</para>
      <para>vijfde lid bedoelde voorwaarde."</para>
      <para>4.4. De overgangsregeling</para>
      <para>4.4.1. Als hoofdregel staat voorop dat de getroffen maatregelen</para>
      <para>terugwerken tot en met 31 maart 1995, 18.00 uur (art. V, lid 1 Wet</para>
      <para>Stb. 95/659), zulks vanwege de daarmee gemoeide budgettaire</para>
      <para>belangen, de mogelijk optredende marktverstoringen en ter voorkoming</para>
      <para>van zgn. 'aankondigingseffecten'.&amp;lt;(43) Memorie van toelichting (M.v.T.), Kamerstukken II, 1994/5, 24 172, nr. 3,</para>
      <para>blz. 2 en 3 alsmede blz. 28 e.v. Zie verder de Memorie van antwoord aan de</para>
      <para>Eerste Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 172, nr. 20b, blz. 14 waar wordt</para>
      <para>opgemerkt: "(bij de beslissing om voor te stellen, de wijzigingen te laten</para>
      <para>ingaan met terugwerkende kracht) speelde (...) met name een rol dat zeer</para>
      <para>aanzienlijke aankondigingseffecten verwacht moesten worden als aan het</para>
      <para>wetsvoorstel geen terugwerkende kracht zou zijn verleend. Dit komt mede</para>
      <para>doordat een aantal omstandigheden (...) tot een snelle toeneming van het</para>
      <para>aantal ongewenste transacties heeft geleid. Dit was mede het geval door</para>
      <para>(...) de manier waarop de belastingbesparende constructies onder de</para>
      <para>aandacht van geïnteresseerde partijen werden gebracht (...)."</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>4.4.2. De bewindsman ging er aanvankelijk vanuit, dat de wettelijke</para>
      <para>maatregelen ook gevolgen zouden hebben voor de zgn. 'lopende</para>
      <para>contracten', in die zin dat in de door de Wet Stb. 95/659 bestreken</para>
      <para>gevallen belaste verhuur niet langer mogelijk zou zijn en dat in</para>
      <para>beginsel ook herziening zou dienen plaats te vinden van de door de</para>
      <para>verhuurder afgetrokken voorbelasting.&amp;lt;(44) M.v.T. blz. 5 t/m 7 alsmede blz. 30 en 31.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>4.4.3. In art. V, lid 5 Wet Stb. 95/659 is de terugwerkende kracht</para>
      <para>voor lopende contracten teruggenomen. De overgang van het belaste</para>
      <para>naar het vrijgestelde régime - en de noodzaak tot herziening van de</para>
      <para>afgetrokken voorbelasting - ging daardoor pas in op het moment dat</para>
      <para>de Wet Stb. 95/659 in werking trad, dus op 29 december 1995. In art.</para>
      <para>V, leden 6 en 7 van de Wet Stb. 95/659 is verder bepaald dat de</para>
      <para>herziening van de vooraftrek niet in een keer behoeft plaats te</para>
      <para>vinden, maar kan worden gespreid over een periode van tien jaar.&amp;lt;(45) M.v.T.  blz. 30-31 en 40. Zie ook Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken</para>
      <para>II, 1994/5, 24 172, nr. 5, blz. 2 en 13 en het Verslag van een schriftelijk</para>
      <para>overleg, Kamerstukken II, 1994/5, 24 172, nr. 8, blz. 14.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>4.4.4. Voor de toepassing van die regeling gelden een aantal</para>
      <para>voorwaarden. Zo moet men een schriftelijke huurovereenkomst kunnen</para>
      <para>overleggen die dateert van voor 31 maart 1995, 18.00 uur, moet de</para>
      <para>huurder het gehuurde voor 29 december 1995 in gebruik hebben genomen</para>
      <para>en - voor toepassing van de regeling van de leden 6 en 7 - moet de</para>
      <para>huurovereenkomst binnen vier weken na die laatste datum zijn</para>
      <para>aangemeld bij de inspecteur.</para>
      <para>4.4.5. Art. V, lid 9 Wet Stb. 95/659 voorziet in eerbiedigende</para>
      <para>werking van de bestaande optiemogelijkheid tot het tiende boekjaar</para>
      <para>volgende op het boekjaar waarin de verhuurder de onroerende zaak is</para>
      <para>gaan bezigen. Ook daarbij gelden een aantal voorwaarden, te weten:</para>
      <para>a. een schriftelijke huurovereenkomst, gesloten voor 31 maart 1995,</para>
      <para>18.00 uur;</para>
      <para>b. ingebruikneming van het gehuurde door de huurder voor 1 april</para>
      <para>1996;</para>
      <para>c. een bepaalde minimumhuur, nader uitgewekt in art. III van de</para>
      <para>Ministeriële regeling van 22 december 1995, WV 95/891 M, Stcrt.</para>
      <para>1995, 250 V-N 1996/318, pt. 33 en</para>
      <para>d. aanmelding van de overeenkomst binnen vier weken na 29 december</para>
      <para>1995 bij de inspecteur.&amp;lt;(46) Zie de Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II, 1994/5, 24 172, nr. 5,</para>
      <para>blz. 2 en 13 en het Verslag van een schriftelijk overleg, Kamerstukken II,</para>
      <para>1994/5, 24 172, nr. 8, blz. 14. Voor een kritische reactie op deze</para>
      <para>beslissing zie o.a. K.M. Braun, WFR 1995/6154, blz. 816 e.v. en B.G. van</para>
      <para>Zadelhoff, WFR 1995/6155, blz. 841 e.v.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>4.4.6. HR 24 augustus 1999, BNB 1999/439 m.nt. B.G. van Zadelhoff&amp;lt;(47) V-N 1999/46.20.</para>
      <para>&amp;gt; -</para>
      <para>dus gewezen vóór het arrest Schloßstraße - betrof het beroep in</para>
      <para>cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof te Arnhem dat had</para>
      <para>geoordeeld:</para>
      <para>"b. dat de terugwerkende kracht van de Wet van 18 december</para>
      <para>1995, Stb. 659, niet in strijd is met enige bepaling van de</para>
      <para>(Zesde richtlijn) en dat zulks in het bijzonder niet volgt uit</para>
      <para>het arrest (HvJEG) 20 oktober 1993, nr. C-10/92 (Balocchi);</para>
      <para>(...)</para>
      <para>f. dat het aan de formele wetgever zelf is te bepalen of en zo</para>
      <para>ja in hoeverre hij wetten met terugwerkende kracht wil</para>
      <para>invoeren, althans voorzover hij daarmee niet in strijd komt met</para>
      <para>enige een ieder verbindende bepaling of van een besluit van een</para>
      <para>volkenrechtelijke organisatie en dat, nu dit laatste zich niet</para>
      <para>voordoet, er voor ingrijpen van de rechter ter zake van de</para>
      <para>terugwerkende kracht van de Wet van 18 december 1995, Stb. 659,</para>
      <para>geen plaats is."</para>
      <para>Overwogen werd (r.o. 3.3.5):</para>
      <para>"Voorzover middel 3 zich keert tegen (deze oordelen) met</para>
      <para>stelling dat terugwerkende kracht van de Wet van 18 december</para>
      <para>1995, Stb. 659, eventueel slechts mogelijk zou kunnen zijn tot</para>
      <para>het moment dat het desbetreffende wetsvoorstel bij de Tweede</para>
      <para>Kamer was ingediend, derhalve tot 23&amp;lt;(48) Bedoeld zal zijn 24 mei 1995 (de datering van het KB).</para>
      <para>&amp;gt; mei 1995, en niet tot 31</para>
      <para>maart 1995, 18.00 uur, het moment van het doen uitgaan van het</para>
      <para>persbericht waarbij het wetsvoorstel werd aangekondigd, faalt</para>
      <para>het, aangezien (die) oordelen juist zijn."</para>
      <para>4.4.7. Ook het begrip 'schriftelijke overeenkomst' heeft inmiddels</para>
      <para>enige jurisprudentie opgeleverd. Zie o.a. HR 21 april 1999, V-N</para>
      <para>1999/47.23, HR 29 september 1999, BNB 1999/414, HR 29 september</para>
      <para>1999, BNB 1999/426, HR 21 februari 2001, V-N 2001/15.30 en HR 28</para>
      <para>februari 2001, V-N 2001/15.31.</para>
      <para>5. Het overgangsrecht van de Wet 95/659 en het communautaire</para>
      <para>rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel; formele terugwerkende</para>
      <para>kracht.</para>
      <para>5.1. Stel dat een ondernemer in april 1995 een pand heeft gekocht</para>
      <para>dat hij vervolgens belast is gaan verhuren aan een huurder die</para>
      <para>slechts vrijgestelde prestaties verricht. De in april 1995 ter zake</para>
      <para>van de levering van het pand aan de ondernemer in rekening gebrachte</para>
      <para>belasting is afgetrokken. Volgens de regels zoals die golden totdat</para>
      <para>de Wet Stb. 95/659 in werking trad, was die voorbelasting immers</para>
      <para>aftrekbaar. Volgens de in de Wet Stb. 95/659 opgenomen bepalingen is</para>
      <para>aftrek niet mogelijk.</para>
      <para>5.2. Naar nationaal recht zal de toegepaste aftrek kunnen worden</para>
      <para>gecorrigeerd door het opleggen van een naheffingsaanslag; toetsing</para>
      <para>van een wet in formele zin aan een ongeschreven rechtsbeginsel,</para>
      <para>zoals het vertrouwensbeginsel, is immers niet mogelijk.&amp;lt;(49) HR 14 april 1989, NJ 1989,469 m.nt. M. Scheltema, o.a. bevestigd in HR 29</para>
      <para>september 1999, BNB 1999/423 en HR 14 april 2000, NJ 2000,713, m.nt. A.R.</para>
      <para>Bloembergen.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>5.3. Of een dergelijke naheffing kan worden afgeweerd met een beroep</para>
      <para>op het Europese recht, met name op art. 17 Zesde richtlijn en het</para>
      <para>communautaire vertrouwensbeginsel, is nog niet duidelijk. Weliswaar</para>
      <para>heeft het HvJ EG in het in par. 3.3. behandelde arrest-Schloßstraße</para>
      <para>verklaard dat een belastingplichtige zijn recht op aftrek van</para>
      <para>voorbelasting behoudt, ook al komt het recht om te kiezen voor</para>
      <para>belaste verhuur door wetswijziging te</para>
      <para>vervallen, maar in dat arrest wordt het in par. 2.9 geciteerde</para>
      <para>arrest-Racke, dat terugwerking van een wijziging in bepaalde</para>
      <para>gevallen toestaat, niet genoemd.&amp;lt;(50) Wel maakt het arrest-Schloßstraße duidelijk, dat de motivering die het</para>
      <para>gerechtshof Arnhem in de zaak BNB 1999/439 gaf voor de aanvaarding van de</para>
      <para>terugwerkende kracht van de Wet Stb. 95/659 - en die de HR in dat arrest</para>
      <para>juist achtte (zie par. 4.4.6.) - niet meer afdoende zijn.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>5.4. Ik zou menen dat de in het arrest-Racke gegeven criteria die</para>
      <para>aangeven wanneer wijziging van gemeenschapsverordeningen met</para>
      <para>terugwerkende kracht is toegestaan, ook dienen te gelden als een</para>
      <para>lidstaat zijn wetgeving, die gebaseerd is op een in een richtlijn</para>
      <para>gegeven bevoegdheid, wijzigt en dat de vraag, of wijziging van de</para>
      <para>nationale wetgeving met terugwerkende kracht in een dergelijk geval</para>
      <para>is toegelaten, (mede) afhangt van het antwoord op de vraag, of aan</para>
      <para>die criteria is voldaan. Waarom die criteria in het arrest-</para>
      <para>Schloßstraße niet zijn toegepast, is mij niet duidelijk; het lijkt</para>
      <para>mij dat, ter opheldering van dit punt, een vraag aan het HvJ EG moet</para>
      <para>worden gesteld.</para>
      <para>5.5. Aannemend dat de in het Racke-arrest geformuleerde criteria ook</para>
      <para>gelden bij dergelijke wijzigingen in de nationale wetgeving, rijst</para>
      <para>de vraag of de redenen die gegeven zijn voor de terugwerkende kracht</para>
      <para>van de in de Wet Stb. 95/659 opgenomen wijzigingen in het régime</para>
      <para>voor belaste verhuur, aan die criteria voldoen.</para>
      <para>5.6. Vereist is dan in de eerste plaats, dat de terugwerkende kracht</para>
      <para>voor het bereiken van het doel van de maatregel noodzakelijk is.</para>
      <para>5.7. Nu wilde de wetgever met de Wet Stb. 95/659 een einde maken aan</para>
      <para>het in bepaalde gevallen - door hem als ongewenst of oneigenlijk</para>
      <para>beschouwd - gebruik van de optiemogelijkheid.&amp;lt;(51) Zie het persbericht, geciteerd in par. 4.3.2. alsmede de M.v.T.,</para>
      <para>Kamerstukken II, vergaderjaar 1994-1995, 24 172, nr. 3, blz. 8 e.v.</para>
      <para>&amp;gt; Terugwerking van de</para>
      <para>wetswijziging tot het tijdstip waarop deze werd aangekondigd, was</para>
      <para>voor het bereiken van het doel niet per se noodzakelijk. De</para>
      <para>maatregel voorkwam echter wèl, dat 'ongewenst gebruik' eerder</para>
      <para>plaatsvond dan aanvankelijk was voorgenomen en voorkwam wellicht</para>
      <para>ook, dat ook in andere gevallen alsnog - zolang het nog kon - van de</para>
      <para>oude regeling op 'ongewenste' wijze gebruik werd gemaakt. Dat lijkt</para>
      <para>mij, op zichzelf genomen, verstandig beleid. Ik zou menen dat de</para>
      <para>wetgever op dat punt ruimte moet worden geboden, met name in</para>
      <para>gevallen waarin niet goed valt te voorzien in welke mate een</para>
      <para>dergelijk aankondigingseffect zich zal voordoen, maar wel</para>
      <para>aannemelijk is dàt dit zich zal voordoen en dat de omvang daarvan</para>
      <para>aanzienlijk zal zijn.</para>
      <para>5.8. Het lijkt mij echter dat de vraag waar het hier om gaat moet</para>
      <para>worden voorgelegd aan het HvJ EG.</para>
      <para>5.9. Daarbij kan worden meegenomen dat de terugwerkende kracht ook</para>
      <para>strekte ter voorkoming van marktverstoringen.</para>
      <para>5.10. De terugwerkende kracht werd verder gemotiveerd met een beroep</para>
      <para>op het budgettaire belang. Dat lijkt mij - uitzonderlijke situaties</para>
      <para>daargelaten - op zichzelf onvoldoende reden om aan een fiscale</para>
      <para>maatregel terugwerkende kracht te verlenen. In de in par. 2.9 e.v.</para>
      <para>besproken jurisprudentie is dat argument weliswaar aanvaard, maar</para>
      <para>dan ging het om gevallen waarin sprake was van een specifieke</para>
      <para>bestemmingsheffing. Voor algemeen geldende heffingen zoals de</para>
      <para>omzetbelasting die worden geheven zonder specifiek doel, gaat de</para>
      <para>daar gebruikte redengeving niet op.</para>
      <para>5.11. Het Racke-arrest stelt in de tweede plaats als eis dat het</para>
      <para>rechtmatige vertrouwen van betrokkenen moet worden gerespecteerd.</para>
      <para>5.12. Het lijkt mij dat betrokkenen er na het persbericht van 31</para>
      <para>maart 1995, waarin de wetswijziging werd aangekondigd, niet meer op</para>
      <para>konden rekenen dat het op dat moment geldende régime zou worden</para>
      <para>gehandhaafd. Neemt men dus aan dat wijziging met terugwerkende</para>
      <para>kracht tot die datum in beginsel was toegelaten, dan is m.i. aan de</para>
      <para>tweede voorwaarde die het Racke-arrest stelt, voldaan.</para>
      <para>6. Terugwerkende kracht in materiële zin; herziening.</para>
      <para>6.1. Uitgaande van het in par. 5.1. gegeven voorbeeld rijst</para>
      <para>vervolgens de vraag, of de door de ondernemer in april 1995</para>
      <para>afgetrokken voorbelasting in 1996 op de voet van de in art. 20, lid</para>
      <para>2 Zesde richtlijn opgenomen regeling voor investeringsgoederen kan</para>
      <para>worden herzien, omdat belaste verhuur door de bij Wet Stb. 95/659</para>
      <para>aangebrachte wijzigingen in dat geval immers niet langer mogelijk</para>
      <para>is.</para>
      <para>6.2. De in art. 20, lid 2 Zesde richtlijn opgenomen regeling is</para>
      <para>overgenomen uit de Tweede richtlijn, art. 11, lid 3, derde alinea.&amp;lt;(52) Toelichting bij het ontwerp voor de Zesde richtlijn, V-N 1973, blz. 762.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>In het arrest HR 7 mei 1980, BNB 1980/185 m.nt. C.P. Tuk, gewezen</para>
      <para>voor het op art. 11, lid 3 Tweede richtlijn gebaseerde art. 13 Uitv.</para>
      <para>besch. OB 1968 achtte Uw Raad een dergelijke herziening mogelijk.</para>
      <para>Overwogen werd:</para>
      <para>"dat niet juist is de opvatting (...) dat (art.) 13 (Uitv.</para>
      <para>besch. OB 1968) alleen toepassing kan vinden indien de</para>
      <para>ondernemer die investeerde later wijzigingen aanbrengt in zijn</para>
      <para>leveringen en diensten doch niet als gevolg van een latere</para>
      <para>wetswijziging (te weten) de in casu van toepassing geworden</para>
      <para>vrijstelling op de door haar verrichte prestaties - omdat</para>
      <para>anders deze wetswijziging terugwerkende kracht zou hebben; dat</para>
      <para>(...) de aftrek van voorbelasting op investeringsgoederen in</para>
      <para>(...) artikel 13 aldus is geregeld dat die aftrek (...) een</para>
      <para>voorwaardelijke is in die zin, dat deze in de vier volgende</para>
      <para>boekjaren telkens dient te worden herzien, zodat (...) voor die</para>
      <para>aftrek niet uitsluitend bepalend is het belastingtijdvak,</para>
      <para>waarin de goederen door de ondernemer zijn betrokken of de</para>
      <para>diensten aan hem zijn verleend; (...)."</para>
      <para>6.3. Het arrest Schloßstraße verschaft op dit punt geen</para>
      <para>duidelijkheid. Het HvJ EG maakte in dat arrest uitdrukkelijk een</para>
      <para>voorbehoud voor herziening van een eenmaal verleende vooraftrek op</para>
      <para>de voet van art. 20 Zesde richtlijn, maar de gebezigde bewoordingen</para>
      <para>laten twijfel open omtrent de vraag of de verleende vooraftrek in</para>
      <para>een later jaar ook kan worden herzien als de mogelijkheid tot</para>
      <para>belaste verhuur door wetswijziging is komen te vervallen. Zo zou uit</para>
      <para>de overwegingen van het HvJ EG&amp;lt;(53) Zie o. 42, waarin wordt overwogen dat het recht op aftrek blijft bestaan</para>
      <para>indien de belastingplichtige de goederen of diensten wegens omstandigheden</para>
      <para>buiten zijn wil niet voor belastbare handelingen heeft kunnen gebruiken.</para>
      <para>Zie ook o. 51, waarin wordt overwogen dat herziening onder meer kan</para>
      <para>plaatsvinden indien de belastingplichtige het voorgenomen gebruik van het</para>
      <para>onroerend goed wijzigt, bijvoorbeeld door een groter deel ervan voor</para>
      <para>bewoning te bestemmen.</para>
      <para>&amp;gt; kunnen worden afgeleid dat de</para>
      <para>herzieningsregeling niet kan worden toegepast als het object, door</para>
      <para>omstandigheden die buiten de wil van de gebruiker zijn gelegen, niet</para>
      <para>voor het voorgenomen gebruik kan worden benut. Anderzijds wordt in</para>
      <para>de overwegingen 33 en 34 uitdrukkelijk vooropgesteld dat de</para>
      <para>lidstaten het regime van vrijstellingen kunnen wijzigen (zij het dat</para>
      <para>niet wordt aangegeven wat de consequenties daarvan zijn).&amp;lt;(54) Zie over een en ander ook de aantekening van de redactie van V-N onder het</para>
      <para>arrest Schloßstraße, A. van Dongen, BtwBrief 2000, nr. 10, blz. 9 e.v.</para>
      <para>alsmede P.F. Zijlstra en O.L. Mobach, BTW-Bulletin, januari 2001, blz. 11</para>
      <para>e.v.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>6.4. In de bij het arrest Schloßstraße geplaatste aantekening</para>
      <para>veronderstelt de redactie van V-N dat herziening van de verleende</para>
      <para>vooraftrek niettemin mogelijk blijft op basis van art. 20, lid 1</para>
      <para>onder a Zesde richtlijn.</para>
      <para>6.5. De in par. 1.6. geciteerde toelichting op (het ontwerp voor)</para>
      <para>art. 20, lid 1 onder a Zesde richtlijn doet echter veronderstellen,</para>
      <para>dat die bepaling slechts ziet op fouten en vergissingen, gemaakt bij</para>
      <para>het aanvragen en verlenen van de vooraftrek en op wijzigingen in de</para>
      <para>aard van het gebruik het object en niet op wijzigingen in het recht</para>
      <para>op aftrek op grond van wijzigingen in de regelgeving. Art. 20, lid 2</para>
      <para>Zesde richtlijn biedt daarvoor wellicht wèl een mogelijkheid, omdat</para>
      <para>de daar gebruikte formulering wat ruimer is dan die welke is</para>
      <para>opgenomen in het eerste lid ["De herziening geschiedt op basis van</para>
      <para>de wijzigingen in het recht op aftrek (?)."]. Daar staat echter</para>
      <para>tegenover dat men uit het verband tussen het eerste en het tweede</para>
      <para>lid zou  kunnen afleiden dat de voorwaarden voor herziening op basis</para>
      <para>van het tweede lid dezelfde zijn, als die welke gelden voor het</para>
      <para>eerste lid.</para>
      <para>6.6. Nu het arrest Schloßstraße over een en ander geen duidelijk</para>
      <para>antwoord geeft, zal het HvJ EG de vraag moeten worden voorgelegd, of</para>
      <para>herziening van de reeds verleende vooraftrek, genoten voor de datum</para>
      <para>van inwerkingtreding van de Wet Stb. 95/659, na die inwerkingtreding</para>
      <para>is toegestaan.</para>
      <para>7. Andere gevallen van terugwerkende kracht in materiële zin</para>
      <para>7.1. De vragen die in de zaak Schloßstraße aan het HvJ EG werden</para>
      <para>voorgelegd, betroffen slechts de vooraftrek verleend over de jaren</para>
      <para>1992 en 1993, dus over de jaren voorafgaande aan de wetswijziging.</para>
      <para>De vraag rijst of het communautaire vertrouwensbeginsel aanspraak</para>
      <para>zou kunnen geven op aftrek van voorbelasting die na wetswijziging -</para>
      <para>dus in het geval Schloßstraße: in 1994 - aan een ondernemer in</para>
      <para>rekening is gebracht.</para>
      <para>7.2. In de Nederlandse situatie valt bij voorbeeld te denken aan het</para>
      <para>geval, waarin een ondernemer voor 31 maart 1995 18.00 uur opdracht</para>
      <para>heeft gegeven voor de bouw van een kantoorpand met de bedoeling dit</para>
      <para>t.z.t. belast te gaan verhuren, aan wie de mogelijkheid tot belaste</para>
      <para>verhuur door de Wet Stb. 95/659 wordt ontnomen en aan wie ter zake</para>
      <para>van de bouw van het pand na 31 maart 1995, 18.00 uur omzetbelasting</para>
      <para>in rekening wordt gebracht. In een dergelijk geval gaat de in het</para>
      <para>arrest Schloßstraße gebruikte motivering niet op, omdat er op het</para>
      <para>tijdstip waarop de voorbelasting in rekening wordt gebracht geen</para>
      <para>recht op aftrek meer bestaat.</para>
      <para>7.3. Een afwijzend antwoord zou kunnen worden gemotiveerd door</para>
      <para>verwijzing naar de in par. 2.2. geciteerde overweging uit het</para>
      <para>arrest-Tomadini, dat aan het communautaire vertrouwensbeginsel niet</para>
      <para>een dusdanig ruime draagwijdte kan worden gegeven dat een nieuwe</para>
      <para>regeling nooit van toepassing zou kunnen zijn op de toekomstige</para>
      <para>gevolgen van situaties die onder de oude regeling zijn ontstaan.</para>
      <para>Verder zou kunnen worden gewezen op de in par. 3.2.4. geciteerde</para>
      <para>overweging 27 van het arrest Belgocodex, herhaald in o. 34 van het</para>
      <para>arrest Schloßstraße (zie par. 3.3.4.), waarin is benadrukt dat de</para>
      <para>lidstaten hun wetgeving kunnen wijzigen.</para>
      <para>7.4. Daar valt echter wel wat op af te dingen. Zo sluit de</para>
      <para>overweging niet uit dat er omstandigheden kunnen zijn waarin het</para>
      <para>vertrouwensbeginsel nu juist wèl bescherming biedt.</para>
      <para>7.5. Zo lijken er mij wel argumenten aan te voeren die ervoor</para>
      <para>pleiten om die bescherming wel te bieden als het gaat om situaties</para>
      <para>waarin de belastingplichtige met het oog op de voorgenomen verhuur</para>
      <para>onder de werking van de oude wettelijke regeling (investerings-)</para>
      <para>verplichtingen is aangegaan.</para>
      <para>7.6. Aangezien het hier gaat om een vraag van Europees recht</para>
      <para>waarover de bestaande jurisprudentie geen uitsluitsel geeft, dient</para>
      <para>deze in voorkomende gevallen te worden voorgelegd aan het HvJ EG.</para>
      <para>7.7. De in de Wet Stb. 95/659 getroffen overgangsregeling biedt</para>
      <para>belastingplichtigen in zoverre bescherming, dat de mogelijkheid tot</para>
      <para>belaste verhuur en daarmee ook het recht op vooraftrek - blijft</para>
      <para>bestaan als de verhuur - kort gezegd - plaatsvindt op grond van een</para>
      <para>op 31 maart 1995 18.00 uur al bestaande schriftelijke overeenkomst.</para>
      <para>Ook als aan die eis niet wordt voldaan, kunnen door</para>
      <para>belastingplichtigen met het oog op een voorgenomen verhuur vóór 31</para>
      <para>maart 1995 18.00 verplichtingen zijn aangegaan. Te denken valt aan</para>
      <para>de situatie waarin een ondernemer een pand heeft gekocht om dit te</para>
      <para>gaan verhuren (ter zake waarvan hem omzetbelasting in rekening is</para>
      <para>gebracht), er wel een mondelinge overeenkomst tot verhuur is</para>
      <para>gesloten, maar deze voor dat tijdstip nog niet schriftelijk was</para>
      <para>vastgelegd. Voorts valt te denken aan de situatie waarin de met het</para>
      <para>oog op de verhuur gekochte zaak wel voor verhuur is aangeboden,maar</para>
      <para>er nog geen huurovereenkomst tot stand is gekomen (waarbij men nog</para>
      <para>zou kunnen onderscheiden gevallen waarin al wel over de verhuur is</para>
      <para>onderhandeld en wellicht wel sprake is van een zgn. precontractuele</para>
      <para>gebondenheid en gevallen waarin zulks niet het geval is). In al die</para>
      <para>gevallen rijst de vraag of de het communautaire vertrouwensbeginsel</para>
      <para>meerbrengt, dat de verwachtingen die bij de ondernemer door de voor</para>
      <para>31 maart 1995 18.00 uur geldende wettelijke regeling zijn gewekt,</para>
      <para>niet op een of andere wijze moeten worden gehonoreerd.</para>
      <para>7.8. Dat er ook gevallen waren, waarin tussen partijen op 31 maart</para>
      <para>1995 18.00 uur weliswaar geen schriftelijke, maar wel een mondeling</para>
      <para>gesloten huurovereenkomst bestond, is door de wetgever onderkend.</para>
      <para>Uit opmerkingen in de Memorie van antwoord en de Nadere memorie van</para>
      <para>antwoord aan de Eerste Kamer inzake de Wet Stb. 95/659 blijkt</para>
      <para>echter, dat voor het criterium van een schriftelijke overeenkomst is</para>
      <para>gekozen vanwege de voordelen van dat vereiste (duidelijkheid) en de</para>
      <para>nadelen van andere normen (onzekerheid, veel geschillen over de</para>
      <para>waardering van de feiten), terwijl mede een rol heeft gespeeld dat</para>
      <para>de ervaring uitwees, dat bij transacties tussen onafhankelijke</para>
      <para>partijen in de regel al in een vroegtijdig stadium een schriftelijke</para>
      <para>overeenkomst werd opgemaakt.&amp;lt;(55) Memorie van antwoord Eerste Kamer, Kamerstukken I, vergaderjaar 1995-1996,</para>
      <para>24 172, nr. 20b, blz. 7 en Nadere memorie van antwoord Eerste Kamer, idem,</para>
      <para>nr. 20d, blz. 2.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>7.9. Het vereiste van een schriftelijke overeenkomst is, zo maak ik</para>
      <para>uit een en ander op, het resultaat van een belangenafweging, waarbij</para>
      <para>aan de belangen van diegenen die op grond van de oude regeling</para>
      <para>verplichtingen waren aangegaan maar - bij voorbeeld - slechts een</para>
      <para>mondelinge huurovereenkomst hadden gesloten, minder gewicht is</para>
      <para>toegekend dan aan de voordelen die de eis van een schriftelijk</para>
      <para>contract bood.</para>
      <para>7.10. Nu kan worden betoogd dat de wetgever een dergelijke afweging</para>
      <para>mocht maken en dat het resultaat van die afweging niet</para>
      <para>disproportioneel is. Op beide punten is echter ook een ander oordeel</para>
      <para>mogelijk en het lijkt mij dat met name de vraag óf de wetgever een</para>
      <para>dergelijke afweging mocht maken, zou moeten worden voorgelegd aan</para>
      <para>het HvJ EG.</para>
      <para>7.11. In de voorgaande paragrafen sprak ik bewust over situaties</para>
      <para>waarin de verplichtingen zijn aangegaan vóór 31 maart 1995, 18.00</para>
      <para>uur, dus voor het tijdstip waarop het voornemen tot wetswijziging</para>
      <para>bekend werd gemaakt. O.a. gelet op het in par. 2.9. genoemde arrest</para>
      <para>Zuckerfabrik Suederditmarschen/Soest, zal naar mijn mening moeten</para>
      <para>worden aangenomen dat aan de op enig moment geldende wettelijke</para>
      <para>regels niet meer een in rechte te respecteren vertrouwen kan worden</para>
      <para>ontleend dat deze in die vorm ook in de toekomst zullen gelden, als</para>
      <para>het voornemen om die regels te wijzigen bekend is gemaakt.&amp;lt;(56) Vgl. Temple Lang, t.a.p., blz. 173.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>8. Art. 1, lid 1, Eerste Protocol bij het EVRM</para>
      <para>De (materiële) terugwerkende kracht van de Wet Stb. 95/659 kan ook</para>
      <para>getoetst worden aan art. 1, lid 1, Eerste Protocol bij het EVRM. In</para>
      <para>dat verband verwijs ik naar de conclusie van mijn ambtgenoot Wattel</para>
      <para>van 21 maart 2001 in de thans bij Uw Raad onder nr. 35 721</para>
      <para>aanhangige procedure.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>