<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2001:AB1839</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T10:52:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1839</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2001-05-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">34368</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2001:AB1839" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB1839</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007168&amp;artikel=12&amp;g=2001-05-30">Wet belastingen op milieugrondslag 12</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>BR 2001/204 met annotatie van C.J. van der Wilt</rdf:li>
          <rdf:li>Milieurecht Totaal 2001/3997</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2001/366</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2001/346</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2002/205 met annotatie van R.L.H. IJzerman</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 2001/822, 1</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2001/32.34</rdf:li>
          <rdf:li>JAF 1995/10 met annotatie van Van der Meijden</rdf:li>
          <rdf:li>JAF 1996/11 met annotatie van Van der Meijden</rdf:li>
          <rdf:li>JAF 1996/5 met annotatie van Van der Meijden</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2000/1749</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AB1839">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AB1839</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:28:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2001:AB1839 Parket bij de Hoge Raad , 30-05-2001 / 34368</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2001:AB1839:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2001:AB1839:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    <para>Procureur-Generaal (Mr. J.W. Ilsink, A-G)</para>
    <para>Nr. 34.368</para>
    <para>Derde Kamer B</para>
    <para>Afvalstoffenbelasting</para>
    <para>Parket, 1 november 2000.</para>
    <para>Conclusie inzake:</para>
    <para>X B.V.</para>
    <para>tegen</para>
    <para>de Staatssecretaris van Financiën</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Korte beschrijving van de feiten en het procesverloop</para>
    <para>1.1. X B.V. (hierna: belanghebbende) heeft in 1991 in eigendom</para>
    <para>verkregen de voormalige stortplaats aan de a-straat te Q. Het gaat</para>
    <para>om een vervuild terrein met een oppervlakte van circa 15 ha,</para>
    <para>gelegen in een gebied dat is aangewezen als natuur- en</para>
    <para>ontwikkelingsproject. Na sanering zou het terrein een recreatieve</para>
    <para>bestemming moeten krijgen. Daartoe moest, blijkens de door</para>
    <para>Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (GS) aan belanghebbende</para>
    <para>verleende milieuvergunning van 27 februari 1995, de stortplaats</para>
    <para>milieuhygiënisch worden afgewerkt met een combinatie-</para>
    <para>bovenafdichtingslaag conform de zogenoemde IBC-criteria&amp;lt;(1) IBC staat voor: Isoleren, Beheersen en Controleren.</para>
    <para>&amp;gt; van het</para>
    <para>Stortbesluit bodembescherming. Voorgeschreven werd dat uitsluitend</para>
    <para>de volgende secundaire grondstoffen (reststoffen) mochten worden</para>
    <para>geaccepteerd: boorgruis, bleekaarde, zeefzand, steekvast slib,</para>
    <para>baggerspecie en verontreinigde grond, tot 60.000 m3 per jaar.</para>
    <para>Hoewel de milieuvergunning bij uitspraak van 17 juni 1996 op</para>
    <para>formele gronden&amp;lt;(2) Schending van art. 3:20, lid 1, onder a, Awb.</para>
    <para>&amp;gt; door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad</para>
    <para>van State (ABRvS) is vernietigd, hebben GS de door belanghebbende</para>
    <para>voortgezette sanering gedoogd.</para>
    <para>1.2. In de veronderstelling geen afvalstoffenbelasting in de zin</para>
    <para>van art. 13 Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) te zijn</para>
    <para>verschuldigd, heeft belanghebbende over het tijdvak van 1 januari</para>
    <para>1995 tot en met 30 september 1995 een nihil-aangifte ingediend.</para>
    <para>Daarop heeft de Inspecteur gereageerd met het opleggen van een</para>
    <para>naheffingsaanslag naar een (geschat) bedrag van ƒ 2.000.000,</para>
    <para>zonder verhoging.&amp;lt;(3) Het aanslagbiljet is gedagtekend 17 november 1995.</para>
    <para>&amp;gt; Deze aanslag is, na daartegen door</para>
    <para>belanghebbende gemaakt bezwaar,&amp;lt;(4) Het bezwaarschrift is gedagtekend 11 december 1995; het is op 12</para>
    <para>december 1995 bij de Inspecteur ingekomen.</para>
    <para>&amp;gt; door de Inspecteur bij uitspraak</para>
    <para>gehandhaafd.&amp;lt;(5) De uitspraak is gedagtekend 17 oktober 1996.</para>
    <para>&amp;gt; Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep</para>
    <para>gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof).&amp;lt;(6) Het beroepschrift is per telefax ingediend op 27 november 1996.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>1.3. Het Hof deed op 8 april 1998 uitspraak op het beroep. Het Hof</para>
    <para>oordeelde:</para>
    <para>6.5. (?) [D]e door belanghebbende in het onderhavige tijdvak</para>
    <para>verwerkte reststoffen [moeten] worden aangemerkt als</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>?</para>
    <para>nr. 34.368&amp;gt;</para>
    <para>afvalstoffen in de zin van de [Wbm]. Het door belanghebbende</para>
    <para>gemaakte onderscheid tussen afvalstof en secundaire</para>
    <para>grondstof mist voor de toepassing van de bepalingen inzake</para>
    <para>de afvalstoffenbelasting relevantie. (?).</para>
    <para>6.12. (?) [B]elanghebbende (exploiteerde) in het onderhavige</para>
    <para>tijdvak een inrichting (?) als bedoeld in artikel 12,</para>
    <para>onderdeel c, van de [Wbm]. (?).</para>
    <para>6.14. (?) [D]e Inspecteur (heeft) belanghebbende (?) terecht</para>
    <para>als belastingplichtig voor de afvalstoffenbelasting (?)</para>
    <para>aangemerkt.</para>
    <para>Overeenkomstig het primaire standpunt van de Inspecteur en het</para>
    <para>subsidiaire standpunt van belanghebbende vernietigde het Hof de</para>
    <para>uitspraak waarvan beroep en verminderde hij de aanslag tot op een</para>
    <para>bedrag van ƒ 568.144.&amp;lt;(7) Onder 3.12 van zijn uitspraak maakt het Hof gewag van een brief</para>
    <para>van 10 december 1997 van de Inspecteur, waarin het verschuldigde</para>
    <para>bedrag aan belasting zou zijn berekend. Deze brief zou zijn</para>
    <para>gevolgd door een voorwaardelijk instemmend faxbericht van de</para>
    <para>gemachtigde van belanghebbende. Brief noch faxbericht trof ik aan</para>
    <para>bij de stukken. Niettemin begrijp ik uit enige ter zitting van het</para>
    <para>Hof overgelegde producties dat de in de eerste drie kwartalen van</para>
    <para>1995 (het heffingstijdvak) 19.457 ton secundaire bouwstoffen zijn</para>
    <para>aangevoerd. Met een tarief van ƒ 29,20 per ton komt de aanslag dan</para>
    <para>inderdaad uit op een bedrag van ƒ 568.144.</para>
    <para>&amp;gt; Voorts werd de Inspecteur in de kosten</para>
    <para>veroordeeld; daarbij werd de onderhavige zaak aangemerkt als</para>
    <para>samenhangend met twee andere zaken van belanghebbende.</para>
    <para>1.4. Bij beroepschrift van 18 mei 1998 kwam belanghebbende in</para>
    <para>cassatie van de uitspraak van het Hof, zulks onder aanvoering van</para>
    <para>twee middelen. Het eerste middel komt met verscheidene rechts- en</para>
    <para>motiveringsklachten op tegen 's Hofs oordeel dat belanghebbende</para>
    <para>belastingplichtig is voor de afvalstoffenbelasting. In essentie</para>
    <para>komen de klachten erop neer dat de door belanghebbende ingenomen</para>
    <para>stoffen niet als afvalstoffen moeten worden aangemerkt en dat de</para>
    <para>voormalige stortplaats niet als een inrichting maar als een werk</para>
    <para>moet worden beschouwd. Het tweede middel richt zich tegen de</para>
    <para>proceskostenveroordeling met de klacht dat het Hof de onderhavige</para>
    <para>zaak ten onrechte heeft aangemerkt als samenhangend met twee</para>
    <para>andere zaken, aangezien de beroepschriften in de drie zaken niet</para>
    <para>(nagenoeg) gelijktijdig zijn ingediend. De staatssecretaris van</para>
    <para>Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft een vertoogschrift</para>
    <para>ingediend. Belanghebbende heeft de zaak op 6 oktober 1999 door</para>
    <para>haar gemachtigde doen bepleiten. Vervolgens zijn de stukken in</para>
    <para>mijn handen gesteld.</para>
    <para>1.5. Bij de Hoge Raad zijn nog zeven zaken aanhangig waarin ook de</para>
    <para>kwestie aan de orde wordt gesteld of secundaire bouwstoffen kunnen</para>
    <para>worden aangemerkt als afvalstoffen. Dat zijn de zaken met de nrs.</para>
    <para>34.369/70 (de twee andere zaken van X B.V.) en de nrs. 34.500/1/2</para>
    <para>(Afvalverwijdering Regio Centraal Groningen), alsmede de zaak met</para>
    <para>het nr. 35.348 (Openbaar lichaam Afvalstoffenverwijdering Midden-</para>
    <para>en Noord-Zeeland) en die met het nr. 35.525 (Streekgewest</para>
    <para>Westelijk Noord-Brabant). In die laatste zaak heb ik op 29</para>
    <para>augustus 2000 een conclusie genomen. Aanvankelijk was ik van plan</para>
    <para>het bij die conclusie te laten, maar bij nader inzien acht ik het</para>
    <para>toch opportuun ook in de onderhavige zaak te concluderen. Ik heb</para>
    <para>daarvoor drie redenen:</para>
    <para>i. 's Hofs oordeel in de drie X B.V.-zaken inzake het begrip</para>
    <para>afvalstof wijkt af van zijn latere oordelen in de andere</para>
    <para>zaken;</para>
    <para>ii. daarmee samenhangend: mijn visie op het begrip afvalstof,</para>
    <para>zoals uiteengezet in mijn conclusie inzake nr. 35.525,</para>
    <para>behoeft nog enige aanvulling;</para>
    <para>iii. anders dan inzake nr. 35.525 moet in de onderhavige zaak</para>
    <para>worden ingegaan op het begrip inrichting, en meer in het</para>
    <para>bijzonder op het begrip werken.</para>
    <para>1.6. Hof Den Haag was aanvankelijk intern verdeeld over de te</para>
    <para>volgen koers inzake het begrip afvalstof. De derde meervoudige</para>
    <para>kamer (M3) die op 8 april 1998 uitspraak deed in de drie X B.V.-</para>
    <para>zaken, werd niet gevolgd door de vierde meervoudige kamer (M4)</para>
    <para>toen die op 20 mei 1998 uitspraak deed in de drie zaken</para>
    <para>betreffende van de Afvalverwijdering Regio Centraal Groningen. M3</para>
    <para>koos voor een eigen fiscaal begrip afvalstof, terwijl M4</para>
    <para>aansluiting zocht bij de rechtspraak van de ABRvS. M4 bleef die</para>
    <para>lijn volgen in de uitspraak van 14 april 1999 betreffende het</para>
    <para>Openbaar lichaam Afvalstoffenverwijdering Midden- en Noord-</para>
    <para>Zeeland. Kennelijk kon M3 zich inmiddels in die aanpak vinden,</para>
    <para>want in de uitspraak van 15 juli 1999 betreffende het Streekgewest</para>
    <para>Westelijk Noord-Brabant zaten beide kamers op dezelfde lijn.</para>
    <para>2. Beoordeling van middel I</para>
    <para>2.1. In § 3.3 en § 3.4 van mijn conclusie inzake nr. 35.525 heb ik</para>
    <para>een overzicht gegeven van de geldende regelgeving en van de</para>
    <para>wetsgeschiedenis. Ik neem die paragrafen thans over, met enige -</para>
    <para>cursief aangegeven - toevoegingen ter verduidelijking en ter</para>
    <para>aanvulling.</para>
    <para>3.3. Wettelijke bepalingen en wetsgeschiedenis</para>
    <para>3.3.1. De afvalstoffenbelasting maakt onderdeel uit van de</para>
    <para>Wet belastingen op milieugrondslag (Wet van 23 december</para>
    <para>1994, Stb. 1994, 923); het ging om wetsvoorstel 22 849. De</para>
    <para>Wbm is - met enkele wijzigingen - ingevoerd bij de Wet van</para>
    <para>23 december 1994, Stb. 1994, 924, de Invoeringswet Wet</para>
    <para>belastingen op milieugrondslag, die als wetsvoorstel 22 851</para>
    <para>aan de Tweede Kamer is aangeboden. Tijdens de behandeling</para>
    <para>van deze beide wetsvoorstellen is in verband met het</para>
    <para>aanbrengen van enkele verfijningen in de Wbm onder nummer</para>
    <para>23 935 een voorstel voor een wijzigingswet ingediend, welk</para>
    <para>voorstel heeft geleid tot de Wet van 23 december 1994, Stb.</para>
    <para>1994, 925. Al deze wetten zijn op 1 januari 1995 in werking</para>
    <para>getreden.</para>
    <para>3.3.2. De artikelen 12 en 13 Wbm luiden, voor zover thans</para>
    <para>van belang:</para>
    <para>Artikel 12</para>
    <para>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop</para>
    <para>berustende bepalingen wordt verstaan onder:</para>
    <para>a. afvalstoffen: huishoudelijke afvalstoffen,</para>
    <para>bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen in de</para>
    <para>zin van de Wet milieubeheer;</para>
    <para>b. het verwerken van afvalstoffen: het verbranden dan</para>
    <para>wel het storten van afvalstoffen;</para>
    <para>ba. het storten van afvalstoffen: het op of in de</para>
    <para>bodem brengen van afvalstoffen, al dan niet in</para>
    <para>verpakking, om deze daar te laten;</para>
    <para>c. inrichting: een inrichting als bedoeld in de Wet</para>
    <para>milieubeheer, werken daaronder niet begrepen, waarin</para>
    <para>afvalstoffen worden verwerkt;</para>
    <para>(?)</para>
    <para>Artikel 13</para>
    <para>1. Onder de naam afvalstoffen belasting wordt een</para>
    <para>belasting geheven ter zake van:</para>
    <para>a. de afgifte ter verwerking van afvalstoffen aan een</para>
    <para>inrichting;</para>
    <para>b. de verwerking van afvalstoffen binnen de inrichting</para>
    <para>waarin deze zijn ontstaan.</para>
    <para>2. De aan een inrichting afgegeven afvalstoffen,</para>
    <para>andere dan afzonderlijk aangeboden groente, fruit-, of</para>
    <para>tuinafvalstoffen, worden - behoudens het bepaalde in</para>
    <para>de tweede volzin - geacht, alle te zijn afgegeven ter</para>
    <para>verwerking. Indien de afgifte van afvalstoffen aan een</para>
    <para>inrichting niet uitsluitend bestaat uit voor</para>
    <para>verwerking bestemde afvalstoffen, kan de inspecteur op</para>
    <para>schriftelijk verzoek van de belastingplichtige bepalen</para>
    <para>dat de totale hoeveelheid afgegeven afvalstoffen,</para>
    <para>andere dan afzonderlijk aangeboden groente-, fruit- of</para>
    <para>tuinafvalstoffen, door toepassing van een</para>
    <para>verhoudingsgetal wordt herleid tot de hoeveelheid voor</para>
    <para>verwerking afgegeven afvalstoffen.</para>
    <para>3.3.3. De memorie van toelichting vermeldt&amp;lt;(8) Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>(blz. 1) 2. Algemeen</para>
    <para>(?).</para>
    <para>(blz. 3) Bij de thans voorgestelde nieuwe</para>
    <para>verbruiksbelastingen op milieugrondslag willen wij er</para>
    <para>geen misverstand over laten bestaan, dat deze (?)</para>
    <para>gewone belastingen zijn, dus primair gericht op het</para>
    <para>verwerven van algemene middelen. Het effect op de</para>
    <para>doelstellingen van milieubeleid is secundair. (?).</para>
    <para>(blz. 9) 4. De belasting op afvalstoffen</para>
    <para>4.1. Algemeen</para>
    <para>Het voorstel van een belasting op het aanbod van</para>
    <para>afval voor eindverwerking sluit aan bij een beleid dat</para>
    <para>erop gericht is de totale hoeveelheid te storten of te</para>
    <para>verbranden afvalstoffen te verminderen en preventie of</para>
    <para>hergebruik van afval te bevorderen.</para>
    <para>Het voorstel houdt in dat een belasting wordt</para>
    <para>gelegd op de afgifte van afvalstoffen voor</para>
    <para>eindverwerking aan stort- of verbrandings-</para>
    <para>inrichtingen. Wetstechnisch wordt dit als volgt</para>
    <para>gerealiseerd.</para>
    <para>Van gescheiden ingezameld en afzonderlijk</para>
    <para>aangeboden groente-, fruit- en tuinafval wordt bij</para>
    <para>voorbaat aangenomen dat het bestemd is (blz. 10) voor</para>
    <para>compostering, en derhalve niet voor eindverwerking in</para>
    <para>de zin van dit wetsvoorstel.</para>
    <para>Voor andere afvalstoffen geldt, wetstechnisch,</para>
    <para>het omgekeerde als uitgangspunt. Deze stoffen worden</para>
    <para>verondersteld te zijn afgegeven voor eindverwerking.</para>
    <para>In de praktijk kan dit tot op zekere hoogte anders</para>
    <para>zijn, omdat slechts een deel van deze afvalstoffen is</para>
    <para>bestemd om te worden gestort of verbrand. Een ander</para>
    <para>deel kan dan bestemd zijn om te worden omgezet in</para>
    <para>nuttig toepasbare produkten. Ook kan het een</para>
    <para>voorbehandeling ondergaan om het in omvang of gewicht</para>
    <para>te verminderen. Met het oog hierop is geregeld dat de</para>
    <para>inspecteur, op verzoek van de belastingplichtige, een</para>
    <para>verhoudingsgetal kan vaststellen waarmee de totale</para>
    <para>aangeboden hoeveelheid niet-GFT-afvalstoffen wordt</para>
    <para>herleid tot de voor de afvalstoffenbelasting in</para>
    <para>aanmerking te nemen hoeveelheid.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>(blz. 18) 8. Artikelsgewijze toelichting</para>
    <para>(?).</para>
    <para>(blz. 24) Hoofdstuk III: Afvalstoffenbelasting</para>
    <para>Artikel 12</para>
    <para>De begrippen in dit hoofdstuk en in het</para>
    <para>bijzonder de definitie van een aantal begrippen in dit</para>
    <para>artikel zijn zoveel mogelijk ontleend aan die welke</para>
    <para>worden gehanteerd in het wetsvoorstel tot uitbreiding</para>
    <para>en wijziging van de Wet Algemene bepalingen</para>
    <para>milieuhygiëne (afvalstoffen), Kamerstukken 21 246 [,</para>
    <para>die later is] omgedoopt tot Wet milieubeheer.</para>
    <para>In wetsvoorstel 21 146&amp;lt;(9) Mijn noot: bedoeld zal zijn 21 246.</para>
    <para>&amp;gt; (?) worden afvalstoffen</para>
    <para>gedefinieerd als: alle stoffen, preparaten of andere</para>
    <para>produkten, waarvan de houder zich - met het oog op de</para>
    <para>verwijdering daarvan - ontdoet, voornemens is zich te</para>
    <para>ontdoen of zich moet ontdoen (?).</para>
    <para>(?).</para>
    <para>Het begrip bedrijfsafvalstoffen is een</para>
    <para>restbegrip. Deze stoffen worden in wetsvoorstel 21 246</para>
    <para>omschreven als afvalstoffen die niet zijn</para>
    <para>huishoudelijke afvalstoffen, autowrakken of</para>
    <para>gevaarlijke afvalstoffen. (?).</para>
    <para>(blz. 25) De uitdrukking «om deze daar te laten»</para>
    <para>betekent dat de afvalstoffen daar in beginsel voor de</para>
    <para>eeuwigheid gedeponeerd worden. Het tijdelijk opslaan</para>
    <para>of anderszins tijdelijk op of in de bodem brengen, is</para>
    <para>er dus niet onder begrepen. Bij voorbeeld, het opslaan</para>
    <para>van organische afvalstoffen op een</para>
    <para>composteringsterrein valt er niet onder. Dit betreft</para>
    <para>immers een tijdelijke opslag van materialen, als</para>
    <para>onderdeel van een proces dat is gericht op hergebruik</para>
    <para>na omzetting van de afvalstoffen in een nuttig</para>
    <para>bruikbare stof.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>Tot het begrip inrichting, dat in de leden 3 tot</para>
    <para>en met 5 van [artikel 1 Wet milieubeheer] verder wordt</para>
    <para>uitgewerkt, worden ook &amp;lt;&amp;lt;werken&amp;gt;&amp;gt; gerekend. Het gaat</para>
    <para>hier om activiteiten als het ophogen van terreinen -</para>
    <para>bij voorbeeld voor gebruik als sportterrein - en het</para>
    <para>aanleggen van wallen - bij voorbeeld met het oog op</para>
    <para>geluidwering - waartoe gebruik wordt gemaakt van een</para>
    <para>hoeveelheid afvalstoffen die op of in de bodem worden</para>
    <para>gebracht. Het is uiteraard ook de bedoeling dat een en</para>
    <para>ander daar blijft. Deze werken zijn echter in de tekst</para>
    <para>van artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van het</para>
    <para>onderhavige wetsvoorstel weer buiten het bereik van de</para>
    <para>afvalstoffenbelasting gebracht. Omdat, zoals in</para>
    <para>hoofdstuk 4 is toegelicht, de onderhavige belasting</para>
    <para>zich alleen richt op eindverwerking van afvalstoffen -</para>
    <para>en aldus alle vormen van hergebruik en nuttige</para>
    <para>toepassing buiten aanmerking laat - dient</para>
    <para>afvalverwijdering annex nuttige toepassing in het</para>
    <para>kader van werken buiten het bereik van deze belasting</para>
    <para>te blijven.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>(blz. 27) Artikel 13</para>
    <para>Overeenkomstig de in hoofdstuk 4 van deze</para>
    <para>memorie gegeven toelichting, brengt artikel 13, eerste</para>
    <para>lid, tot uitdrukking dat de grondslag van de</para>
    <para>afvalstoffenbelasting uitsluitend bestaat uit de</para>
    <para>afvalstoffen die ter verwerking worden afgegeven aan</para>
    <para>een inrichting in de zin van dit hoofdstuk. Praktisch</para>
    <para>betekent het laatste een met een vergunning van de</para>
    <para>overheid geëxploiteerde verbrandingsinrichting of</para>
    <para>stortplaats. Zie in dit verband ook de op artikel 12</para>
    <para>gegeven toelichting.</para>
    <para>Gekozen is voor aansluiting bij de afgifte ter</para>
    <para>verwerking, de zogenaamde feitelijke levering. Deze</para>
    <para>vindt als het ware plaats aan de poort van de</para>
    <para>eindverwerkingsinrichting. Op dat moment dienen de</para>
    <para>aanbieder en de exploitant van de</para>
    <para>eindverwerkingsinrichting het eens te worden over de</para>
    <para>dienst die verricht zal worden, de afvalstof waar het</para>
    <para>om gaat (?) en de hoeveelheid waar het om gaat. Deze</para>
    <para>grootheden zullen tot uitdrukking komen in de wegens</para>
    <para>de verleende dienst op te maken factuur. In samenhang</para>
    <para>met de betalings- en vervoersdocumenten ter zake is</para>
    <para>hiermede een spoor geconstrueerd tussen degene waarvan</para>
    <para>de afvalstoffen afkomstig zijn en de eindverwerker,</para>
    <para>waarmee een effectieve controle mogelijk is.</para>
    <para>Deze aanpak verdient dan ook de voorkeur boven</para>
    <para>het aanknopen bij het begrip «verwerken». Met</para>
    <para>«verwerken» kan, met name bij de verbranding van</para>
    <para>gevaarlijke afvalstoffen, immers geruime tijd gemoeid</para>
    <para>zijn, omdat niet alle soorten afvalstoffen tegelijk en</para>
    <para>op dezelfde wijze worden verwerkt. Bovendien zullen in</para>
    <para>een afvalverwerkende inrichting ook uit</para>
    <para>doelmatigheidsoogpunt kleine partijen van diverse</para>
    <para>herkomst vaak een zekere tijd worden opgeslagen om te</para>
    <para>worden samengevoegd tot grotere als een geheel te</para>
    <para>verwerken partij afval.</para>
    <para>In het vorenstaande is uitgegaan van de</para>
    <para>veronderstelling dat de aan een inrichting afgegeven</para>
    <para>afvalstoffen ook alle bestemd zijn voor verwerking in</para>
    <para>de zin van artikel 12, onderdeel b: het verbranden van</para>
    <para>afvalstoffen dan wel het op of in de bodem brengen van</para>
    <para>afvalstoffen om deze daar te laten. Deze vormen van</para>
    <para>verwerking worden ook wel eindverwerking genoemd. In</para>
    <para>bepaalde gevallen is de werkelijkheid anders.</para>
    <para>Een aparte positie wordt ingenomen door het</para>
    <para>gescheiden ingezamelde en afzonderlijk aan de</para>
    <para>inrichting aangeboden GFT-afval. Hiervan kan zoals in</para>
    <para>paragraaf 4 is vermeld, bij voorbaat worden aangenomen</para>
    <para>dat het is bestemd voor compostering, en derhalve niet</para>
    <para>voor verwerking in de zin van dit wetsvoorstel.</para>
    <para>Verscheidene inrichtingen passen voorts op de</para>
    <para>aan hem afgegeven afvalstoffen, andere dan GFT, een</para>
    <para>voorbehandeling toe. Dit geschiedt omdat aan hen ook</para>
    <para>afval wordt aangeboden dat zich leent voor scheiding</para>
    <para>tussen enerzijds te storten of te verbranden</para>
    <para>afvalstoffen en anderzijds materialen die geschikt</para>
    <para>zijn voor bewerking tot nuttig toepasbare (blz. 28)</para>
    <para>produkten. Ook vindt dit plaats om een vermindering</para>
    <para>van de hoeveelheid en het gewicht te bewerkstelligen.</para>
    <para>Bij het laatste kan het bij voorbeeld gaan om</para>
    <para>vergisten. Een voorbeeld van scheiding ten behoeve van</para>
    <para>hergebruik is het winnen van metalen uit het afval.</para>
    <para>Een en ander heeft tot gevolg dat er een</para>
    <para>verschil kan optreden tussen de totale aan de</para>
    <para>inrichting aangeboden hoeveelheid niet-GFT-</para>
    <para>afvalstoffen en de hoeveelheid afvalstoffen die moet</para>
    <para>worden aangemerkt als afgegeven voor verwerking in de</para>
    <para>zin van deze wet.</para>
    <para>Teneinde met het laatstgenoemde verschil</para>
    <para>rekening te houden en de regeling zo eenvoudig</para>
    <para>mogelijk uitvoerbaar te houden, hebben wij de</para>
    <para>grondslagbepaling in artikel 13, eerste lid,</para>
    <para>aangevuld. De aanvulling (in het tweede lid) betreft</para>
    <para>enerzijds het rechtsvermoeden dat de aan een</para>
    <para>inrichting afgegeven afvalstoffen - andere dan</para>
    <para>afzonderlijk aangeboden GFT - zijn afgegeven ter</para>
    <para>verwerking, anderzijds een regeling voor de gevallen</para>
    <para>waarin een afwijking daarvan gerechtvaardigd is, omdat</para>
    <para>niet alle aan de inrichting afgegeven niet-GFT-</para>
    <para>afvalstoffen zijn bestemd voor eindverwerking. Daarbij</para>
    <para>stelt de inspecteur op verzoek van de</para>
    <para>belastingplichtige een verhoudingsgetal vast waarmee</para>
    <para>de totale hoeveelheid afgegeven niet GFT-afvalstoffen</para>
    <para>voor de toepassing van de belasting herleid kan worden</para>
    <para>tot de in aanmerking te nemen hoeveelheid voor</para>
    <para>verwerking afgegeven afvalstoffen. Het</para>
    <para>verhoudingsgetal kan worden vastgesteld aan de hand</para>
    <para>van de administratie van de inrichting dan wel, indien</para>
    <para>deze onvoldoende aanknopingspunten biedt, op basis van</para>
    <para>adviezen en dergelijke van externe deskundigen.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>3.3.4. De memorie van antwoord vermeldt&amp;lt;(10) Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 6.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>(blz. 3) 2. Algemeen</para>
    <para>(?).</para>
    <para>(blz. 10) (?). Primair is de belasting gericht op het</para>
    <para>verwerven van algemene middelen; het effect op de</para>
    <para>doelstellingen van milieubeleid is secundair. (?).</para>
    <para>(blz. 31)  4. De belasting op afvalstoffen</para>
    <para>(?).</para>
    <para>Voor een goed begrip van het voorstel inzake de</para>
    <para>afvalstoffenbelasting zullen wij (?) ingaan op de</para>
    <para>uitgangspunten ervan.</para>
    <para>In de eerste plaats memoreren wij nogmaals het</para>
    <para>karakter van de voorgestelde belasting: het gaat</para>
    <para>primair om een belasting gericht op het genereren van</para>
    <para>opbrengst. Het eventueel regulerend effect op de</para>
    <para>doelstellingen van het milieubeleid is secundair.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>Een tweede aspect dat van belang is, is dat de</para>
    <para>regeling zo eenvoudig mogelijk dient te zijn. Hoe</para>
    <para>eenvoudiger de regeling is, des te beter zijn de</para>
    <para>uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid, des te</para>
    <para>geringer is de kans op - mogelijk ook</para>
    <para>milieubedreigende - fraude en ontwijkingsgedrag, en</para>
    <para>des te lager zijn de perceptiekosten. Het streven naar</para>
    <para>eenvoud houdt onder meer in dat het aantal</para>
    <para>uitzonderingen en differentiaties beperkt moet worden</para>
    <para>gehouden.</para>
    <para>Een derde uitgangspunt is dat de regeling dient</para>
    <para>te sporen met het afvalstoffenbeleid. Dat wil zeggen</para>
    <para>dat zij beleidsmatig gewenste activiteiten niet mag</para>
    <para>belemmeren. Zo mogelijk dient zij deze - als</para>
    <para>neveneffect - te bevorderen.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>(blz. 34)(?) Het CBS begrijpt onder het begrip</para>
    <para>&amp;lt;&amp;lt;storten&amp;gt;&amp;gt; (?) niet alleen het op of in de bodem</para>
    <para>brengen van afvalstoffen om deze daar te laten, maar</para>
    <para>ook de tijdelijke opslag en het &amp;lt;&amp;lt;storten ten nutte&amp;gt;&amp;gt;</para>
    <para>van afvalstoffen, bijvoorbeeld ten behoeve van</para>
    <para>wegverharding, direct gebruik als veevoer of</para>
    <para>bemesting. Deze activiteiten vallen echter buiten het</para>
    <para>bereik van de belasting. (?).</para>
    <para>(blz. 42) Wij zijn geen voorstanders van een</para>
    <para>tariefdifferentiatie in het onderhavige wetsvoorstel</para>
    <para>naar gelang van de soort afvalstoffen die wordt</para>
    <para>afgegeven ter eindverwerking. Bij een differentiatie</para>
    <para>naar de mate van het belang van preventie en</para>
    <para>hergebruik van iedere afvalstof zou niet alleen</para>
    <para>rekening moeten worden gehouden met de mate waarin</para>
    <para>preventie en hergebruik tot de mogelijkheden behoren,</para>
    <para>maar zouden ook alternatieve eindverwerkingsmethoden</para>
    <para>in de beschouwing moeten worden betrokken. Wij menen</para>
    <para>echter dat een dergelijke differentiatie in het kader</para>
    <para>van de onderhavige belasting niet wenselijk is. Zij</para>
    <para>zou leiden tot een fijnmazige en zeer gespecialiseerde</para>
    <para>regeling waarvan de toepassing gecompliceerd zou zijn</para>
    <para>en die daardoor aanleiding zou kunnen geven tot</para>
    <para>ontwijkingsgedrag. Wij verwijzen hiervoor ook naar</para>
    <para>onze aan het begin van dit (blz. 43) hoofdstuk</para>
    <para>genoemde uitgangspunten van deze belasting.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>(blz. 61) De leden van de PvdA-fractie stellen enkele</para>
    <para>vragen met betrekking tot het begrip afvalstoffen. Zij</para>
    <para>vragen naar eventuele problemen in verband met het</para>
    <para>grijze gebied tussen afvalstoffen en reststoffen. Zij</para>
    <para>vragen voorts of het begrip in het kader van de</para>
    <para>onderhavige belasting een andere inhoud kan krijgen</para>
    <para>dan in het kader van de afvalstoffenwetgeving.&amp;lt;(11) Mijn noot: zie Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 5, blz. 33.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Naar aanleiding van de beschouwingen van deze</para>
    <para>leden omtrent het begrip afvalstoffen verwijzen wij</para>
    <para>naar het daaromtrent gestelde in de stukken met</para>
    <para>betrekking tot het wetsvoorstel inzake het hoofdstuk</para>
    <para>Afvalstoffen van de Wet milieubeheer. Hier volstaan</para>
    <para>wij met erop te wijzen dat in de Wet milieubeheer</para>
    <para>begripsomschrijvingen zullen worden opgenomen zowel</para>
    <para>van het begrip afvalstoffen zelf als van de begrippen</para>
    <para>huishoudelijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen en</para>
    <para>gevaarlijke afvalstoffen.</para>
    <para>Voorts zijn reeds onder de geldende wetgeving</para>
    <para>criteria ontwikkeld aan de hand waarvan in een</para>
    <para>concreet geval kan worden beoordeeld of van een</para>
    <para>afvalstof of van een reststof sprake is.</para>
    <para>Niettemin is een scherpe afbakening van beide</para>
    <para>begrippen, zoals de hier aan de woord zijnde leden dat</para>
    <para>bedoelen, niet mogelijk. In het onderhavige</para>
    <para>wetsvoorstel is daarmee rekening gehouden in die zin</para>
    <para>dat het (blz. 62) belastbaar feit is gekozen dat</para>
    <para>interpretatievraagstukken als hier bedoeld zich niet</para>
    <para>of zo min mogelijk zullen voordoen. Indien stoffen ter</para>
    <para>verbranding worden afgegeven aan een</para>
    <para>afvalverbrandingsinrichting of ter storting aan een</para>
    <para>stortplaats voor afvalstoffen, kan er slechts van de</para>
    <para>afgifte van afvalstoffen sprake zijn. Verwerking van</para>
    <para>afvalstoffen in eigen beheer, waarbij met name</para>
    <para>interpretatievraagstukken verwacht mogen worden, is</para>
    <para>van de belasting vrijgesteld.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>Ten aanzien van de vraag dat de belastingrechter</para>
    <para>mogelijk een andere interpretatie aan het begrip</para>
    <para>afvalstoffen zal geven dan de administratieve rechter</para>
    <para>die rechtspreekt in zaken de afvalstoffenwetgeving</para>
    <para>betreffende, merken wij het volgende op.</para>
    <para>Het onderhavige wetsvoorstel verwijst voor de</para>
    <para>definitie van de begrippen huishoudelijke</para>
    <para>afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke</para>
    <para>afvalstoffen naar de definities in de Wet</para>
    <para>milieubeheer. Aangezien het gaat om categorieën</para>
    <para>afvalstoffen, wordt indirect verwezen naar de</para>
    <para>definitie van het begrip afvalstoffen in de Wet</para>
    <para>milieubeheer. Het gaat derhalve om dezelfde begrippen.</para>
    <para>Voor deze afstemming is gekozen aangezien het voor de</para>
    <para>onderhavige belasting inderdaad gaat om het belasten</para>
    <para>van bepaalde handelingen met afvalstoffen. De kans dat</para>
    <para>beide genoemde rechters tot een verschillende</para>
    <para>interpretatie van een of meer van deze begrippen komen</para>
    <para>achten wij daarom, hoewel formeel niet uitgesloten,</para>
    <para>niet groot.</para>
    <para>Voor de goede orde merken wij nog op dat de</para>
    <para>situatie waarin eenzelfde begrip in de</para>
    <para>belastingwetgeving en in andere categorieën wetgeving</para>
    <para>in ongelijke betekenis wordt gebruikt, wel vaker</para>
    <para>voorkomt en ook aanvaard is. (?).</para>
    <para>3.3.5. In de nota naar aanleiding van het eindverslag staat</para>
    <para>vermeld&amp;lt;(12) Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 9.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>(blz. 18) De leden van de PvdA-fractie begrijpen uit</para>
    <para>de memorie van antwoord dat per inrichting twee</para>
    <para>verhoudingsgetallen zullen worden vastgesteld: één</para>
    <para>voor afval dat wordt gescheiden ten behoeve van</para>
    <para>hergebruik en één voor afval dat alvorens te worden</para>
    <para>gestort een behandeling ondergaat waarbij volume en</para>
    <para>gewicht kan worden gereduceerd. Deze</para>
    <para>verhoudingsgetallen worden, aldus deze leden,</para>
    <para>toegepast op alle ontvangsten van de inrichting. De</para>
    <para>leden van deze fractie merken op dat de wettekst niet</para>
    <para>duidelijk voorziet in de vaststelling van twee</para>
    <para>verhoudingsgetallen.</para>
    <para>In de praktijk zijn er twee elementen van belang</para>
    <para>voor de bepaling van het verhoudingsgetal. Het ene</para>
    <para>element heeft betrekking op hergebruik/nuttige</para>
    <para>toepassing, het andere op reductie van het volume.</para>
    <para>Voor de berekening van de af te dragen belasting, zal</para>
    <para>aan de hand van beide elementen de totale reductie en</para>
    <para>één verhoudingsgetal worden vastgesteld. Dit</para>
    <para>verhoudingsgetal weerspiegelt dan het verschil tussen</para>
    <para>het aangeboden en het daadwerkelijk gestorte afval.</para>
    <para>Dit verhoudingsgetal wordt vervolgens toegepast op</para>
    <para>alle ontvangsten van de inrichting. In de wettekst</para>
    <para>wordt gedoeld op dit ene (samengestelde)</para>
    <para>verhoudingsgetal.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>(blz. 20) Een tariefdifferentiatie naar</para>
    <para>milieuschadelijkheid of verwerkingsmogelijkheid om</para>
    <para>daarmee gedragsbeïnvloeding, richting preventie en</para>
    <para>hergebruik, op te laten treden is zo menen wij geen</para>
    <para>primair doel van de onderhavige wet.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>De leden van de PvdA-fractie vragen ook naar de</para>
    <para>mogelijkheid van tariefdifferentiatie naar</para>
    <para>stortplaats.</para>
    <para>Stortplaatsen kunnen veelal, op grond van hun</para>
    <para>vergunning, diverse afvalstoffen aannemen. Dit</para>
    <para>betekent dat voor elke stortplaats apart zou moeten</para>
    <para>worden geregistreerd welke afvalstoffen worden</para>
    <para>verwerkt. Zo'n ingewikkelde regeling kan ontwijkgedrag</para>
    <para>stimuleren en is dus in tegenspraak met ons</para>
    <para>uitgangspunt van een heldere en eenvoudig te</para>
    <para>controleren regeling. Vooralsnog zijn wij daarom geen</para>
    <para>voorstander van tariefdifferentiatie naar afvalstroom</para>
    <para>en naar stortplaats binnen dit wetsvoorstel.</para>
    <para>3.3.6. In de Eerste Kamer is ook gedebatteerd over doel en</para>
    <para>aard van de afvalstoffenbelasting. Van regeringszijde werd</para>
    <para>andermaal benadrukt dat de belasting primair is gericht op</para>
    <para>het verwerven van algemene middelen en dat het niet om een</para>
    <para>zuiver regulerende heffing gaat.&amp;lt;(13) Kamerstukken I 1993/94, 22 849 en 22 851, nr. 91c, blz. 4/5 en</para>
    <para>8/9.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>3.3.7. Aangezien de Eerste Kamer niet zonder meer kon</para>
    <para>instemmen met wetsvoorstel 22 849 is onder nummer 23 935 een</para>
    <para>wetsvoorstel ingediend in verband met het aanbrengen van</para>
    <para>bepaalde verfijningen. Bij de behandeling van het</para>
    <para>verfijningswetsvoorstel is ook gedebatteerd over afval dat</para>
    <para>binnen de inrichting een nuttige toepassing vindt.</para>
    <para>3.3.8. In het verslag staat&amp;lt;(14) Kamerstukken II 1994/95, 23 935, nr. 4, blz. 6.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>Het aanbieden van afval voor hergebruik is uitgesloten</para>
    <para>van de heffing van afvalstoffenbelasting. De leden van</para>
    <para>de CDA-fractie willen weten of daar ook afdichting van</para>
    <para>afvalstromen bij een stortplaats onder wordt verstaan.</para>
    <para>Deze toepassing is toch te vergelijken met</para>
    <para>afvalstromen in geluidswallen, wegverharding en</para>
    <para>dergelijke?</para>
    <para>3.3.9. De regering antwoordt&amp;lt;(15) Kamerstukken II 1994/95 , 23 935, nr. 5, blz. 10.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>De afgifte van afvalstoffen aan een inrichting die</para>
    <para>daar op of in de bodem worden gebracht met de</para>
    <para>bedoeling deze daar te laten is belast. Van het begrip</para>
    <para>inrichting zijn werken, bijvoorbeeld geluidswallen</para>
    <para>uitgesloten. Dit is gedaan enerzijds omdat het bij die</para>
    <para>activiteiten gaat om een nuttige toepassing van</para>
    <para>afvalstoffen en anderzijds het uitvoeringstechnisch</para>
    <para>geen probleem is deze afvalstoffen buiten de heffing</para>
    <para>te laten. Deze werken zijn immers speciale</para>
    <para>afzonderlijke locaties waarvoor alleen bepaalde</para>
    <para>soorten afvalstromen mogen worden gebruikt.</para>
    <para>Normaliter zal het bij inrichtingen gaan om de</para>
    <para>aanbieding van afvalstromen van verschillende</para>
    <para>samenstelling, hoedanigheid en verontreinigingsgraad</para>
    <para>met het doel deze daar te laten. De aanbieder moet</para>
    <para>daar ook voor betalen. Het onderscheid aan te brengen</para>
    <para>tussen wat wel en wat niet binnen een inrichting als</para>
    <para>een nuttige toepassing kan worden aangemerkt, is niet</para>
    <para>eenvoudig. Bovendien is het uitvoeringstechnisch</para>
    <para>lastig om binnen de inrichting na te gaan welke</para>
    <para>afvalstromen voor een nuttige toepassing mogen worden</para>
    <para>aangewend en ook daadwerkelijk daarvoor worden</para>
    <para>aangewend. Om deze problemen te voorkomen is in</para>
    <para>artikel 13, tweede lid, van het voorstel van Wet</para>
    <para>belastingen op milieugrondslag de fictie opgenomen dat</para>
    <para>van alle afvalstoffen die worden afgegeven ter</para>
    <para>verwerking bij een inrichting - behoudens afzonderlijk</para>
    <para>aangeboden groente-, fruit en tuinafval - wordt</para>
    <para>aangenomen dat zij worden gestort.</para>
    <para>Als het gaat om bouwstoffen die de houder van</para>
    <para>een inrichting betrekt, bijvoorbeeld voor een</para>
    <para>fundering van een weg of voor de afdichtlaag komt de</para>
    <para>belastingheffing niet in beeld. Dit kan bijvoorbeeld</para>
    <para>schoon zand zijn, maar ook licht verontreinigde grond.</para>
    <para>Voorwaarde daarbij is wel dat de houder van de</para>
    <para>inrichting daarvoor betaalt, in plaats van dat hij</para>
    <para>(eventueel een verlaagd) storttarief in rekening</para>
    <para>brengt.</para>
    <para>Volledigheidshalve merken wij hierbij nog op dat</para>
    <para>de Wbm een voorziening kent voor de situatie dat een</para>
    <para>deel van het aangeboden afval niet binnen de</para>
    <para>inrichting wordt gestort, maar de inrichting weer</para>
    <para>verlaat omdat het kan worden hergebruikt. Artikel 13,</para>
    <para>tweede lid, van de Wbm voorziet in de toepassing van</para>
    <para>een verhoudingsgetal, dat het mogelijk maakt met dit</para>
    <para>hergebruik rekening te houden.</para>
    <para>3.3.10. Op 23 juni 1997 is door de Staatssecretaris van</para>
    <para>Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-</para>
    <para>Generaal het Evaluatieverslag inzake de bepalingen van de</para>
    <para>grondwaterbelasting en de afvalstoffenbelasting aangeboden.</para>
    <para>Mede naar aanleiding van die evaluatie is in het kader van</para>
    <para>het belastingplan 2000 de Wbm per 1 januari 2000 gewijzigd;</para>
    <para>het betreft wetsvoorstel 26 820. Naast een betere</para>
    <para>aansluiting bij de terminologie uit de nationale en de</para>
    <para>Europese milieuwetgeving is thans ook wettelijk geregeld "de</para>
    <para>situatie waarin bepaalde afvalstoffen een zogeheten nuttige</para>
    <para>toepassing hebben bij het inrichten van de stortplaats, bij</para>
    <para>voorbeeld voor een stabiele opbouw van de stortlagen of voor</para>
    <para>de aanleg van wegen op de afvalberg waarlangs het afval naar</para>
    <para>boven wordt getransporteerd enz".&amp;lt;(16) Kamerstukken II 1999/00, 26 820, nr. 3, blz. 24.</para>
    <para>&amp;gt; Daartoe is aan art. 12 Wbm</para>
    <para>een tweede lid toegevoegd met een delegatiebepaling op grond</para>
    <para>waarvan art. 5 Uitvoeringsbesluit belastingen op</para>
    <para>milieugrondslag ingrijpend is gewijzigd.&amp;lt;(17) Kamerstukken II 1999/00, 26 820, nr. 3, blz. 24, 25 en 53, en nr.</para>
    <para>13, blz. 3, alsmede Stb. 1999, 586, blz. 4/5. Voor een</para>
    <para>overzichtelijke beschrijving van de nieuwe regelgeving verwijs ik</para>
    <para>naar A.B.J.M. Zom, Wet belastingen op milieugrondslag, Tekst en</para>
    <para>toelichting, (vastbladig) Katern in (losbladig) Wet milieubeheer,</para>
    <para>Koninklijke Vermande, 2000, blz. 41-53 en 123-126.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>3.4. Niet-fiscale regelgeving; Wet milieubeheer en</para>
    <para>Afvalstoffenrichtlijn</para>
    <para>3.4.1. Voor een omschrijving van het begrip afvalstoffen</para>
    <para>verwijst de Wbm naar de Wet milieubeheer (hierna: Wm),</para>
    <para>waarvan enige thans van belang zijnde bepalingen luiden:</para>
    <para>Artikel 1.1</para>
    <para>1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen</para>
    <para>wordt verstaan onder:</para>
    <para>(?);</para>
    <para>inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een</para>
    <para>omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen</para>
    <para>bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt</para>
    <para>te worden verricht;</para>
    <para>(?);</para>
    <para>afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of andere</para>
    <para>produkten, waarvan de houder zich - met het oog op de</para>
    <para>verwijdering daarvan - ontdoet, voornemens is zich te</para>
    <para>ontdoen of zich moet ontdoen;</para>
    <para>(?);</para>
    <para>stoffen: stoffen in de zin van de Wet</para>
    <para>milieugevaarlijke stoffen;</para>
    <para>preparaten: preparaten in de zin van de Wet</para>
    <para>milieugevaarlijke stoffen;</para>
    <para>huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig</para>
    <para>uit particuliere huishoudens, autowrakken daaronder</para>
    <para>niet begrepen, behoudens voor zover het afgegeven of</para>
    <para>ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft,</para>
    <para>die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen;</para>
    <para>bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde</para>
    <para>huishoudelijke afvalstoffen, autowrakken of</para>
    <para>gevaarlijke afvalstoffen;</para>
    <para>gevaarlijke afvalstoffen: bij algemene maatregel van</para>
    <para>bestuur als zodanig aangewezen afvalstoffen, met</para>
    <para>inachtneming van ter zake voor Nederland verbindende</para>
    <para>verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke</para>
    <para>organisaties;</para>
    <para>(?).</para>
    <para>3. Bij algemene maatregel van bestuur worden</para>
    <para>categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige</para>
    <para>gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.</para>
    <para>4. Elders in deze wet en de daarop berustende</para>
    <para>bepalingen wordt onder inrichting verstaan een</para>
    <para>inrichting behorende tot een categorie die krachtens</para>
    <para>het derde lid is aangewezen. (?).</para>
    <para>10. Een stof, preparaat of ander produkt wordt in</para>
    <para>ieder geval aangemerkt als afvalstof, indien die stof,</para>
    <para>dat preparaat of dat produkt bij algemene maatregel</para>
    <para>van bestuur als zodanig is aangewezen.</para>
    <para>Artikel 10.2</para>
    <para>1. Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen</para>
    <para>door deze - al dan niet in verpakking - buiten een</para>
    <para>inrichting op of in de bodem te brengen.</para>
    <para>2. Bij algemene  maatregel van bestuur kan, indien het</para>
    <para>belang van de bescherming van het milieu zich</para>
    <para>daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven</para>
    <para>categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend</para>
    <para>van het verbod, bedoeld in het eerste lid.</para>
    <para>3.4.1a. De algemene maatregel van bestuur als bedoeld in</para>
    <para>art. 1.1, lid 3, Wm is het Inrichtingen- en</para>
    <para>vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb). Categorie 28 van de</para>
    <para>bij het Ivb behorende Bijlage I luidt - voor zover thans van</para>
    <para>belang - als volgt:</para>
    <para>28.1 Inrichtingen voor:</para>
    <para>a. het opslaan van:</para>
    <para>1o. (?);</para>
    <para>2o. bedrijfsafvalstoffen, die ten aanzien daarvan een</para>
    <para>capaciteit hebben van 5 m3 of meer;</para>
    <para>3o. (?);</para>
    <para>c. het op of in de bodem brengen van afvalstoffen om</para>
    <para>deze stoffen daar te laten;</para>
    <para>d. het anderszins op de bodem brengen van</para>
    <para>afvalstoffen.</para>
    <para>28.2 (?).</para>
    <para>28.3. Voor de toepassing van onderdeel 28.1 blijven</para>
    <para>buiten beschouwing:</para>
    <para>a. (?);</para>
    <para>c. inrichtingen voor zover het betreft werken in de</para>
    <para>grond-, weg- en waterbouw waarbij, anders dan voor het</para>
    <para>opslaan, naar aard en samenstelling daartoe geschikte</para>
    <para>afvalstoffen (?) rechtstreeks en milieuhygiënisch</para>
    <para>verantwoord worden toegepast;</para>
    <para>d. (?).</para>
    <para>28.4. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten</para>
    <para>aanzien van inrichtingen, behorende tot deze</para>
    <para>categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor:</para>
    <para>a. het opslaan van de volgende afvalstoffen:</para>
    <para>1°. (?);</para>
    <para>3°. van buiten de inrichting afkomstige verontreinigde</para>
    <para>grond, waaronder begrepen verontreinigde baggerspecie,</para>
    <para>met een capaciteit ten aanzien daarvan van 10.103 m3</para>
    <para>of meer;</para>
    <para>4°. (?).</para>
    <para>28.6. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten</para>
    <para>aanzien van inrichtingen, behorende tot deze</para>
    <para>categorie, voor zover het betreft werken waarbij,</para>
    <para>anders dan voor het opslaan:</para>
    <para>a. (?);</para>
    <para>b. 50 m3 of meer bedrijfsafvalstoffen op of in de</para>
    <para>bodem worden gebracht, tenzij het werk deel uitmaakt</para>
    <para>van een inrichting en de afvalstoffen uit die</para>
    <para>inrichting afkomstig zijn;</para>
    <para>c. (?).</para>
    <para>3.4.2. De onder 3.4.1 vermelde bepalingen zijn in Hoofdstuk</para>
    <para>10 (afvalstoffen) in de Wm opgenomen bij de Wet van 13 mei</para>
    <para>1993 tot uitbreiding en wijziging van de Wet milieubeheer</para>
    <para>(afvalstoffen); het ging om wetsvoorstel 21 246. Het</para>
    <para>oorspronkelijke wetsvoorstel bevatte geen definitie van het</para>
    <para>begrip afvalstoffen. Eerst bij nota van wijzigingen is de</para>
    <para>thans geldende definitie in de wet opgenomen. De toelichting</para>
    <para>vermeldt dienaangaande&amp;lt;(18) Kamerstukken II 1991/92, 21 246, nr. 6, blz. 22.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>Met deze wijziging wordt voldaan aan een reeds</para>
    <para>meermalen gedaan verzoek om het begrip afvalstoffen te</para>
    <para>definiëren. Zoals in de memorie van antwoord is</para>
    <para>gesteld, wordt met de nu voorgestelde definitie zoveel</para>
    <para>mogelijk rekening gehouden met de omschrijving zoals</para>
    <para>die wordt gegeven in richtlijn 91/156/EEG, betreffende</para>
    <para>een herziening van kaderrichtlijn afvalstoffen</para>
    <para>(richtlijn 75/442/EEG). In artikel 1 van herziene</para>
    <para>richtlijn wordt het begrip afvalstof gedefinieerd als:</para>
    <para>elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde</para>
    <para>categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens</para>
    <para>is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. In de nu in</para>
    <para>het wetsvoorstel opgenomen definitie is daaraan</para>
    <para>toegevoegd: met het oog op de verwijdering daarvan.</para>
    <para>Deze passage ontbreekt in de EEG-definitie, maar wordt</para>
    <para>wel afzonderlijk gedefinieerd. In de richtlijn heeft</para>
    <para>het begrip verwijdering overigens een beperktere</para>
    <para>betekenis, omdat in Nederland onder dit begrip ook</para>
    <para>hergebruiks- en nuttige toepassingshandelingen worden</para>
    <para>verstaan. De voorgestelde omschrijving omvat derhalve</para>
    <para>het oogmerk om te verwijderen. In de memorie van</para>
    <para>toelichting (alsmede in de memorie van antwoord) is</para>
    <para>uitgebreid ingegaan op de in dit wetsvoorstel</para>
    <para>gebruikte definitie, waarin de subjectieve intenties</para>
    <para>van zowel de ontdoener als de ontvanger een</para>
    <para>belangrijke rol spelen. Deze intenties van ontdoener</para>
    <para>en ontvanger worden tot uiting gebracht in de</para>
    <para>zinsnede: met het oog op de verwijdering daarvan.</para>
    <para>3.4.3. De Richtlijn van de Raad van 15 juli 1975 (RL</para>
    <para>75/442/EEG), zoals gewijzigd bij de Richtlijn van de Raad</para>
    <para>van 18 maart 1991 (RL 91/156/EEG), de Afvalstoffenrichtlijn,</para>
    <para>bevat in art. 1 de volgende definities:</para>
    <para>a) "afvalstof": elke stof of elk voorwerp behorende</para>
    <para>tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de</para>
    <para>houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of</para>
    <para>zich moet ontdoen.</para>
    <para>(?);</para>
    <para>c) "houder": de producent van de afvalstoffen of de</para>
    <para>natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in</para>
    <para>bezit heeft;</para>
    <para>d) (?);</para>
    <para>e) "verwijdering": alle in bijlage IIA bedoelde</para>
    <para>handelingen;</para>
    <para>f) "nuttige toepassing": alle in bijlage IIB bedoelde</para>
    <para>handelingen;</para>
    <para>3.4.4. Bijlage I kent als restcategorie:</para>
    <para>Q16. Alle stoffen, materialen of produkten die niet</para>
    <para>onder de hierboven vermelde categorieën vallen.</para>
    <para>3.4.5. Bijlage IIA kent als verwijderingshandeling onder</para>
    <para>meer:</para>
    <para>D1. Het op of in de bodem brengen van afval (bij</para>
    <para>voorbeeld stortplaats, enz.).</para>
    <para>3.4.6. Bijlage IIB bevat een overzicht van "handelingen voor</para>
    <para>de nuttige toepassing van afvalstoffen zoals die in de</para>
    <para>praktijk plaatsvinden". Het gaat daarbij met name</para>
    <para>terugwinning, regeneratie of recycling en om het gebruik van</para>
    <para>afvalstoffen als brandstof of als meststof.</para>
    <para>3.4.7. G.H. Addink schrijft over het begrip afvalstoffen&amp;lt;(19) In: Milieurecht, W.E.J. Tjeenk Willink, Deventer, 1996, vierde</para>
    <para>druk, blz. 173.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>In de meeste bepalingen van het hoofdstuk Afvalstoffen</para>
    <para>komt het begrip 'afvalstoffen' voor. Pas na sterk</para>
    <para>aandringen vanuit het parlement is in artikel 1.1 van</para>
    <para>de Wm een definitie opgenomen: alle stoffen,</para>
    <para>preparaten of andere produkten, waarvan de houder zich</para>
    <para>met het oog op de verwijdering daarvan - ontdoet,</para>
    <para>voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.</para>
    <para>De relevante elementen in deze definitie zijn: 'zich</para>
    <para>ontdoen van', 'met het oog op de verwijdering', 'de</para>
    <para>houder' en 'stoffen, preparaten of andere produkten'.</para>
    <para>Deze definitie is grotendeels overgenomen uit de</para>
    <para>herziene kaderrichtlijn afvalstoffen (91/156/EEG),</para>
    <para>toegevoegd zijn de woorden 'met het oog op de</para>
    <para>verwijdering daarvan'. Deze toevoeging hangt samen met</para>
    <para>de ruimere betekenis van het begrip 'verwijderen' in</para>
    <para>Nederland, waaronder ook kan vallen hergebruiks- en</para>
    <para>nuttige toepassingshandelingen. Uit de parlementaire</para>
    <para>behandeling blijkt dat aan het begrip verwijderen een</para>
    <para>ruime uitleg moet worden gegeven. Daaronder vallen de</para>
    <para>gebruikelijke afvalverwijderingsmethoden maar ook</para>
    <para>hergebruiks- en nuttige toepassingshandelingen. Een en</para>
    <para>ander wel gerelateerd aan het oogmerk om te</para>
    <para>verwijderen.</para>
    <para>In de definitie van artikel 1.1 is echter de</para>
    <para>onzekerheid, wanneer er sprake is van 'het zich</para>
    <para>ontdoen', die in de oude afvalstoffenwetgeving de</para>
    <para>aanleiding was om geen definitie op te nemen,</para>
    <para>gebleven. In de oude afvalstoffenwetgeving werd steeds</para>
    <para>gesproken van: het zich ontdoen van afvalstoffen.</para>
    <para>Derhalve zijn de bij de uitvoering en in de</para>
    <para>jurisprudentie onder het oude recht ontwikkelde</para>
    <para>criteria ook bij de toepassing van de huidige</para>
    <para>afvalstoffenwetgeving van belang. Dit is inmiddels in</para>
    <para>de rechtspraak bevestigd.</para>
    <para>3.4.8. Het onderscheid tussen een afvalstof en een</para>
    <para>secundaire grondstof, een onderscheid dat ook in de</para>
    <para>onderhavige casus van belang zou kunnen zijn, levert in de</para>
    <para>praktijk problemen op. F.J.C.M. de Kok belicht dat probleem</para>
    <para>en concludeert&amp;lt;(20) Afvalstof of (secundaire) grondstof?, Milieu &amp; recht, 1995, blz.</para>
    <para>137 rk; zie ook Addink, t.a.p., blz. 176/177.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>De vraag wanneer in concreto sprake is van afvalstof</para>
    <para>of (secundaire) grondstof, is niet aan de hand van de</para>
    <para>tekst van de Europese of Nederlandse regelgeving te</para>
    <para>beantwoorden. De normen zijn te open, de regels zijn</para>
    <para>onderling afwijkend. Subjectieve elementen spelen</para>
    <para>bovendien een rol. Aan de hand van de jurisprudentie</para>
    <para>kunnen wel regels worden geformuleerd.</para>
    <para>3.4.9. (?).</para>
    <para>2.2. Als aanvulling op het voorgaande, besteed ik thans nog enige</para>
    <para>aandacht aan het begrip afvalstof in de Wet milieubeheer (hierna:</para>
    <para>Wm) en de Afvalstoffenrichtlijn (ook wel: Kaderrichtlijn), zulks</para>
    <para>aan de hand van het arrest HvJEG 15 juni 2000, C-418+419/97 (ARCO</para>
    <para>Chemie en Hees/EPON).&amp;lt;(21) Op dat arrest wees ik Uw Raad ook al in mijn conclusie inzake nr.</para>
    <para>35.525.</para>
    <para>&amp;gt; Het arrest is inmiddels gepubliceerd in AB</para>
    <para>2000, 311, m.n. Ch.W. Backes, en becommentarieerd door J.R.C.</para>
    <para>Tieman in M&amp;R (2000) blz. 229-236. Het HvJEG gaf in dat arrest</para>
    <para>antwoord op prejudiciële vragen gesteld in ABRvS 25 november 1997,</para>
    <para>AB 1998, 1 (ARCO Chemie) en 2 (Hees/EPON), m.n. Ch.W. Backes.</para>
    <para>2.3. In de beide uitspraken vatte de ABRvS haar vaste</para>
    <para>jurisprudentie samen:&amp;lt;(22) AB 1998, blz. 6 rk.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, gevormd onder</para>
    <para>de werking van de Nederlandse Afvalstoffenwet en Wet</para>
    <para>chemische afvalstoffen, moet het begrip afvalstof aldus</para>
    <para>worden uitgelegd dat hieronder niet vallen: stoffen die</para>
    <para>volgens de maatschappelijke opvattingen geen afval zijn,</para>
    <para>waarbij van belang is of de stoffen zonder ingrijpende</para>
    <para>bewerking en op milieuhygiënisch verantwoorde wijze nuttig</para>
    <para>kunnen worden toegepast.</para>
    <para>In het licht van deze criteria wordt een stof die</para>
    <para>voortkomt uit een productieproces en die bijvoorbeeld</para>
    <para>vanwege verontreinigingen niet of eerst na nadere</para>
    <para>bewerkingen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze als</para>
    <para>brandstof&amp;lt;(23) Mijn noot: voor brandstof kan ook grondstof of bouwstof worden</para>
    <para>gelezen.</para>
    <para>&amp;gt;       kan worden ingezet, aangemerkt als afvalstof.</para>
    <para>Een stof die voortkomt uit een productieproces en die</para>
    <para>zonder nadere bewerking op milieuhygiënisch verantwoorde</para>
    <para>wijze als brandstof&amp;lt;(24) Zie de vorige noot.</para>
    <para>&amp;gt;       kan worden ingezet, wordt niet</para>
    <para>aangemerkt als afvalstof.</para>
    <para>2.4. Het is deze vaste rechtspraak die Hof 's-Gravenhage in zijn</para>
    <para>uitspraak van 15 juli 1999, BK-96/03827, die leidde tot de zaak</para>
    <para>met nr. 35.525, ertoe bracht secundaire bouwstoffen (grond, puin</para>
    <para>en zaagsel) niet aan te merken als afvalstoffen in de zin van de</para>
    <para>Wm en de Wbm.&amp;lt;(25) Als gezegd, in het onderhavige geval volgt het Hof die</para>
    <para>rechtspraak nog niet; dat gebeurt pas voor het eerst in de</para>
    <para>uitspraken van 20 mei 1998 betreffende de Afvalverwijdering Regio</para>
    <para>Centraal Groningen.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.5. Vooropstellend (in rov. 40) dat het begrip afvalstof niet</para>
    <para>restrictief kan worden uitgelegd, beantwoordt het HvJEG de</para>
    <para>gestelde vragen als volgt:</para>
    <para>Zaak C-418/97</para>
    <para>1. Uit de enkele omstandigheid dat een stof als LUWA-bottoms</para>
    <para>wordt onderworpen aan een handeling genoemd in bijlage IIB</para>
    <para>bij [de Afvalstoffenrichtlijn] kan niet worden afgeleid dat</para>
    <para>er sprake is van een zich ontdoen van en dat die stof als</para>
    <para>een afvalstof in de zin van de richtlijn moet worden</para>
    <para>aangemerkt.</para>
    <para>2. Voor de beantwoording van de vraag of het als brandstof</para>
    <para>inzetten van een stof als LUWA-bottoms als een zich ontdoen</para>
    <para>van is aan te merken, is niet relevant dat die stof op</para>
    <para>milieuhygiënisch verantwoorde wijze en zonder ingrijpende</para>
    <para>bewerking nuttig kan worden toegepast als brandstof.</para>
    <para>Het feit dat dit gebruik als brandstof een gangbare methode</para>
    <para>van nuttige toepassing van afvalstoffen is en die stof</para>
    <para>volgens maatschappelijke opvattingen een afvalstof is, kan</para>
    <para>als een aanwijzing worden beschouwd voor een handeling, een</para>
    <para>voornemen of een verplichting om zich van die stof te</para>
    <para>ontdoen in de zin van artikel 1, sub a, van [de</para>
    <para>Afvalstoffenrichtlijn]. Of inderdaad sprake is van een</para>
    <para>afvalstof in de zin van die richtlijn, moet evenwel worden</para>
    <para>beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij</para>
    <para>rekening moet worden gehouden met de doelstelling van die</para>
    <para>richtlijn en ervoor moet worden gewaakt, dat geen afbreuk</para>
    <para>wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.</para>
    <para>De omstandigheden dat een als brandstof gebruikte stof het</para>
    <para>residu is van een productieproces van een andere stof, dat</para>
    <para>die stof voor geen enkel ander gebruik dan verwijdering in</para>
    <para>aanmerking kan komen, dat de stof zich qua samenstelling</para>
    <para>niet leent voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt of dat</para>
    <para>voor dat gebruik bijzondere voorzorgsmaatregelen voor het</para>
    <para>milieu moeten worden getroffen, kunnen als aanwijzingen</para>
    <para>worden beschouwd voor een handeling, een voornemen of een</para>
    <para>verplichting om zich van die stof te ontdoen in de zin van</para>
    <para>artikel 1, sub a, van die richtlijn. Of inderdaad sprake is</para>
    <para>van een afvalstof in de zin van de richtlijn, moet evenwel</para>
    <para>worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden,</para>
    <para>waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling</para>
    <para>van die richtlijn en ervoor moet worden gewaakt, dat geen</para>
    <para>afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.</para>
    <para>Zaak C-419/97</para>
    <para>1. Uit de enkele omstandigheid dat een stof als</para>
    <para>houtspaanders wordt onderworpen aan een handeling genoemd in</para>
    <para>bijlage IIB bij [de Afvalstoffenrichtlijn] kan niet worden</para>
    <para>afgeleid dat er sprake is van een zich ontdoen van en dat</para>
    <para>die stof als een afvalstof in de zin van de richtlijn moet</para>
    <para>worden aangemerkt.</para>
    <para>2. Het feit dat een stof het resultaat is van een handeling</para>
    <para>voor de nuttige toepassing in de zin van bijlage IIB bij die</para>
    <para>richtlijn, is slechts één van de factoren die in aanmerking</para>
    <para>moet worden genomen om te bepalen, of die stof nog steeds</para>
    <para>een afvalstof is, doch die als zodanig nog geen definitieve</para>
    <para>conclusie dienaangaande toelaat. Of er sprake is van een</para>
    <para>afvalstof, moet worden beoordeeld met inachtneming van alle</para>
    <para>omstandigheden, gelet op de omschrijving van artikel 1, sub</para>
    <para>a, van [de Afvalstoffenrichtlijn] het voornemen of de</para>
    <para>verplichting om zich van de betrokken stof te ontdoen,</para>
    <para>waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling</para>
    <para>van de richtlijn en ervoor moet worden gewaakt, dat geen</para>
    <para>afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.</para>
    <para>Voor de beantwoording van de vraag of het als brandstof</para>
    <para>inzetten van een stof als houtspaanders als een zich ontdoen</para>
    <para>van is aan te merken, is niet relevant dat die stof op</para>
    <para>milieuhygiënisch verantwoorde wijze en zonder ingrijpende</para>
    <para>bewerking nuttig kan worden toegepast als brandstof.</para>
    <para>Het feit dat dit gebruik als brandstof een gangbare methode</para>
    <para>van nuttige toepassing van afvalstoffen is en die stof</para>
    <para>volgens maatschappelijke opvattingen een afvalstof is, kan</para>
    <para>als een aanwijzing worden beschouwd voor een handeling, een</para>
    <para>voornemen of een verplichting om zich van die stof te</para>
    <para>ontdoen in de zin van artikel 1, sub a, van [de</para>
    <para>Afvalstoffenrichtlijn]. Of inderdaad sprake is van een</para>
    <para>afvalstof in de zin van die richtlijn, moet evenwel worden</para>
    <para>beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij</para>
    <para>rekening moet worden gehouden met de doelstelling van die</para>
    <para>richtlijn en ervoor moet worden gewaakt, dat geen afbreuk</para>
    <para>wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.</para>
    <para>2.6. Backes annoteert:</para>
    <para>(blz. 1511 rk) (?) Het Hof begint met, nog eens, vast te</para>
    <para>stellen dat voor de invulling van het begrip afvalstof niet</para>
    <para>bepalend is of een stof valt onder de bijlagen bij de</para>
    <para>Kaderrichtlijn, maar of sprake is van een "zich ontdoen" van</para>
    <para>de stof. Dit begrip moet met het oog op de doelstelling van</para>
    <para>de Kaderrichtlijn, ruim worden uitgelegd. Deze, in</para>
    <para>rechtsoverweging 40 kort en krachtig geformuleerde, regel is</para>
    <para>een belangrijke rode draad voor het vervolg van het arrest</para>
    <para>en voor de gevolgen daarvan in de praktijk. Het Hof verwijst</para>
    <para>daarbij uitdrukkelijk naar algemene milieurechtelijke</para>
    <para>beginselen, namelijk het (blz. 1512 lk) voorzorg(s)beginsel</para>
    <para>en het preventiebeginsel die in art. 174 lid 2 EG-Verdrag</para>
    <para>als maatstaf voor het handelen van de Gemeenschapsorganen</para>
    <para>zijn gecodificeerd. (?) De vrees dat de lidstaten door het</para>
    <para>gebruik van algemene en duidelijke criteria het</para>
    <para>afvalstoffenbegrip zouden beperken, is bepalend voor het</para>
    <para>hele arrest. (?) Exit Nederlandse niet-van-toepassing</para>
    <para>criteria. Belangrijk is de constatering dat het afvalbegrip</para>
    <para>volgens het Hof blijkbaar in het geheel (?) niet wordt</para>
    <para>beïnvloed door de vraag wat met het (afval)stof gebeurt.</para>
    <para>Anders dan andere criteria, die tenminste als "een</para>
    <para>aanwijzing" voor het afvalstoffenkarakter van een stof</para>
    <para>kunnen worden gebruikt, is het feit dat (blz. 1512 rk)</para>
    <para>zonder bewerking milieuhygiënisch verantwoord wordt</para>
    <para>hergebruikt "niet relevant" en "niet van invloed". Deze</para>
    <para>afwijzing van de Nederlandse criteria is duidelijk en laat</para>
    <para>geen ruimte voor misverstanden: ook stoffen die zonder</para>
    <para>bewerking op milieuhygiënisch verantwoorde wijze volledig</para>
    <para>nuttig worden toegepast "verliezen" daardoor niet hun</para>
    <para>karakter van afvalstof (rechtsoverweging 65). (?) (blz. 1513</para>
    <para>lk) (?) Duidelijk lijkt mij ook dat veel meer moet worden</para>
    <para>aangeknoopt bij het ontstaan van de stof (voor residuën),</para>
    <para>respectievelijk de functieverandering na beëindiging van het</para>
    <para>oorspronkelijke gebruik van een stof (bij afgedankte</para>
    <para>voorwerpen), dan bij de (beoogde of daadwerkelijke)</para>
    <para>toepassing van de stof.</para>
    <para>2.7. Na vervolgens te hebben vastgesteld dat het HvJEG "geen</para>
    <para>algemene criteria (heeft) gegeven waarmee het afvalstoffenkarakter</para>
    <para>zou kunnen worden bepaald", verwijst Backes naar "een binnenkort</para>
    <para>te verschijnen artikel" van J. Tieman, die "wel een dergelijk</para>
    <para>criterium (heeft) ontwikkeld". In het kader van deze conclusie kan</para>
    <para>ik volstaan met het citeren van het kopje bij het, inmiddels in</para>
    <para>M&amp;R (2000), blz. 229-236, verschenen artikel van Tieman:</para>
    <para>Het arrest van het HvJ EG ARCO Chemie en Hees/EPON maakt</para>
    <para>duidelijk dat de Nederlandse interpretatie van het</para>
    <para>afvalstoffenbegrip niet door de Europeesrechtelijke beugel</para>
    <para>kan. Onduidelijk is echter hoe dit begrip dan wel afgebakend</para>
    <para>moet worden. Betoogd zal worden dat bepalend is of een stof</para>
    <para>continu volgens de oorspronkelijke bestemming wordt gebruikt</para>
    <para>en dat de ruime uitleg van het afvalstoffenbegrip moet</para>
    <para>worden gezien tegen het licht van een 'duaal</para>
    <para>afvalstoffenbeheerssysteem'.&amp;lt;(26) Met een 'duaal afvalstoffenbeheerssysteem' doelt Tieman (a.w.</para>
    <para>blz. 236 rk) op het onderscheid tussen verwijdering en nuttige</para>
    <para>toepassing van afvalstoffen, welk onderscheid volgens hem</para>
    <para>belangrijker zal worden en de plaats zal innemen van het huidige</para>
    <para>onderscheid tussen afvalstof en niet-afvalstof.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.8. Inzake nr. 35.525 betoogde ik:</para>
    <para>3.5.3. Ik roep nog even de in § 3.3.4 vermelde uitgangspunten</para>
    <para>van de afvalstoffenbelasting in herinnering:</para>
    <para>iv.de belasting dient primair een budgettair doel; de</para>
    <para>milieudoelstelling is van secundair belang;</para>
    <para>v.de regeling moet - ter wille van de uitvoerbaarheid en de</para>
    <para>hanteerbaarheid - eenvoudig zijn;</para>
    <para>vi.het afvalstoffenbeleid mag niet worden belemmerd.</para>
    <para>Deze uitgangspunten brengen mee dat de belastingrechter, wil</para>
    <para>hij niet in een jurisprudentieel moeras (?) terechtkomen, bij</para>
    <para>de rechtsvinding zijn oren niet al te zeer naar de niet-</para>
    <para>fiscale milieuwetgeving moet laten hangen. Eenvoud is het</para>
    <para>parool, het fiscale doel staat voorop en als randvoorwaarde</para>
    <para>geldt slechts het niet belemmeren van het afvalstoffenbeleid.</para>
    <para>In dit verband merk ik op dat de wetgever onder ogen heeft</para>
    <para>gezien dat de belastingrechter het begrip afvalstof anders</para>
    <para>zou kunnen interpreteren dan de bestuursrechter doet&amp;lt;(27) Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 6, blz. 62. Het komt</para>
    <para>trouwens wel meer voor dat doel en strekking van een belastingwet</para>
    <para>nopen tot een eigen fiscale kwalificatie van een elders in het</para>
    <para>recht voorkomend begrip; vgl. recent HR 15 december 1999, BNB</para>
    <para>2000/126.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>Voor de goede orde merken wij nog op dat de situatie waarin</para>
    <para>eenzelfde begrip in de belastingwetgeving en in andere</para>
    <para>categorieën wetgeving in ongelijke betekenis wordt gebruikt,</para>
    <para>wel vaker voorkomt en ook aanvaard is.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>3.5.6. Naar mijn mening is voor de heffing van</para>
    <para>afvalstoffenbelasting niet van belang dat de materialen op de</para>
    <para>stortplaats nuttig zijn gebruikt. Steun daarvoor vind ik in</para>
    <para>de wetsgeschiedenis die op treffende en heldere wijze is</para>
    <para>samengevat in het in § 3.3.9 weergegeven citaat; daarin staat</para>
    <para>in feite het hele verhaal.</para>
    <para>2.9. Het komt mij voor dat tussen het ruime fiscale</para>
    <para>afvalstoffenbegrip en het al even ruime Europees- en</para>
    <para>bestuursrechtelijke afvalstoffenbegrip geen relevant verschil</para>
    <para>bestaat.</para>
    <para>2.10. Belanghebbende saneert een voormalige stortplaats. Het Hof</para>
    <para>stelt - in cassatie onweersproken - vast (onder 3.5.2) dat in het</para>
    <para>onderhavige tijdvak door derden reststoffen aan belanghebbende</para>
    <para>zijn afgegeven ter verwerking door haar op de stortplaats tegen</para>
    <para>een door haar berekende prijs. Het lijdt dunkt mij geen twijfel</para>
    <para>dat het hier om afvalstoffen gaat. Die derden hebben zich dus van</para>
    <para>die afvalstoffen ontdaan. Belanghebbende heeft de stoffen gebruikt</para>
    <para>bij de constructie van de combinatie-afdichtingslaag. De</para>
    <para>afvalstoffen zijn dus op de bodem gebracht om ze daar te laten.&amp;lt;(28) Daaraan doet niet af dat in geval van sloop of verwijdering van</para>
    <para>de inrichting c.q. het werk de afvalstoffen moeten kunnen worden</para>
    <para>teruggenomen, zoals de vergunning voorschrijft. Ik moet trouwens</para>
    <para>bekennen dat ik de zin van dit vergunningsvoorschrift niet goed</para>
    <para>begrijp. Het bevoegde gezag zal toch nooit erin toestemmen dat de</para>
    <para>combinatie-afdichtingslaag wordt verwijderd. De sanering zou dan</para>
    <para>ongedaan worden gemaakt en dat lijkt mij ondenkbaar.</para>
    <para>&amp;gt; Zo</para>
    <para>de voormalige stortplaats moet worden aangemerkt als een</para>
    <para>inrichting - waarover aanstonds meer - zijn alle bestanddelen van</para>
    <para>het belastbare feit aanwezig. Belastbaar feit is immers de afgifte</para>
    <para>aan een inrichting van afvalstoffen waarvan de houder zich ontdoet</para>
    <para>doordat deze stoffen op de bodem worden gebracht teneinde ze daar</para>
    <para>te laten (art. 13, lid 1, onderdeel a, en lid 2, 1e volzin, Wbm,</para>
    <para>in verbinding met art. 12, onderdelen a, b, ba en c, Wbm, en met</para>
    <para>art. 1.1, lid 1, Wm).</para>
    <para>2.11. Wat betreft de in de belastingheffing te betrekken</para>
    <para>inrichtingen heeft de wetgever kennelijk slechts gedacht aan</para>
    <para>stortplaatsen en verbrandingsinrichtingen. Want:&amp;lt;(29) Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3, blz. 4.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Het voorstel houdt in dat een belasting wordt gelegd op de</para>
    <para>afgifte van afvalstoffen voor eindverwerking aan stort- of</para>
    <para>verbrandings-inrichtingen.</para>
    <para>en:&amp;lt;(30) Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3, blz. 27.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Overeenkomstig de in hoofdstuk 4 van deze memorie gegeven</para>
    <para>toelichting, brengt artikel 13, eerste lid, tot uitdrukking</para>
    <para>dat de grondslag van de afvalstoffenbelasting uitsluitend</para>
    <para>bestaat uit de afvalstoffen die ter verwerking worden</para>
    <para>afgegeven aan een inrichting in de zin van dit hoofdstuk.</para>
    <para>Praktisch betekent het laatste een met een vergunning van de</para>
    <para>overheid geëxploiteerde verbrandingsinrichting of</para>
    <para>stortplaats.</para>
    <para>Nu het tarief voor het verbranden van afvalstoffen nihil bedraagt,&amp;lt;(31) Art. 18, lid 1, onder b, Wbm.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>blijven als belaste inrichtingen in feite slechts de stortplaatsen</para>
    <para>over.&amp;lt;(32) Deze stortplaatsen vallen onder categorie 28.1 jo. 28.4, onder f,</para>
    <para>van Bijlage I bij het Ivb.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.12. De fiscale wetgever heeft werken van het begrip inrichting</para>
    <para>uitgezonderd. Hij onderbouwt die keuze aldus:&amp;lt;(33) Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3, blz. 25.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Tot het begrip inrichting, dat in de leden 3 tot en met 5</para>
    <para>van [artikel 1 Wet milieubeheer] verder wordt uitgewerkt,</para>
    <para>worden ook &amp;lt;&amp;lt;werken&amp;gt;&amp;gt; gerekend. Het gaat hier om</para>
    <para>activiteiten als het ophogen van terreinen - bij voorbeeld</para>
    <para>voor het gebruik als sportterrein - en het aanleggen van</para>
    <para>wallen - bij voorbeeld met het oog op geluidwering - waartoe</para>
    <para>gebruik wordt gemaakt van een hoeveelheid afvalstoffen die</para>
    <para>op of in de bodem worden gebracht. Het is uiteraard ook de</para>
    <para>bedoeling dat een en ander daar blijft. Deze werken zijn</para>
    <para>echter in de tekst van artikel 12, eerste lid, onderdeel c,</para>
    <para>van het onderhavige wetsvoorstel weer buiten het bereik van</para>
    <para>de afvalstoffenbelasting gebracht. Omdat, zoals in hoofdstuk</para>
    <para>4 is toegelicht, de onderhavige belasting zich alleen richt</para>
    <para>op eindverwerking van afvalstoffen - en aldus alle vormen</para>
    <para>van hergebruik en nuttige toepassing buiten aanmerking laat</para>
    <para>- dient afvalverwijdering annex nuttige toepassing in het</para>
    <para>kader van werken buiten het bereik van deze belasting te</para>
    <para>blijven.</para>
    <para>en:&amp;lt;(34) Kamerstukken II 1994/95, 23 935, nr. 5, blz. 10.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>De afgifte van afvalstoffen aan een inrichting die daar op</para>
    <para>of in de bodem worden gebracht met de bedoeling deze daar te</para>
    <para>laten is belast. Van het begrip inrichting zijn werken,</para>
    <para>bijvoorbeeld geluidswallen uitgesloten. Dit is gedaan</para>
    <para>enerzijds omdat het bij die activiteiten gaat om een nuttige</para>
    <para>toepassing van afvalstoffen en anderzijds het</para>
    <para>uitvoeringstechnisch geen probleem is deze afvalstoffen</para>
    <para>buiten de heffing te laten. Deze werken zijn immers speciale</para>
    <para>afzonderlijke locaties waarvoor alleen bepaalde soorten</para>
    <para>afvalstromen mogen worden gebruikt.</para>
    <para>2.13. Over het begrip inrichting in de Wm schrijven Woldendorp en</para>
    <para>Heinen:&amp;lt;(35) H.E. Woldendorp en P.C.M. Heinen, Het begrip inrichting in de Wet</para>
    <para>milieubeheer, een analyse van de jurisprudentie, Bouwrecht maart</para>
    <para>1999; de citaten komen uit een elektronische versie van het</para>
    <para>artikel, mij per e-mail toegezonden door het Instituut voor</para>
    <para>Bouwrecht. Het artikel heeft een uitgebreid notenapparaat waarin</para>
    <para>veel casuïstiek is verwerkt. Ik citeer ook de noten, niet alleen</para>
    <para>uit een oogpunt van instructie, maar ook om te laten zien wij dat</para>
    <para>met het begrip inrichting in net zo'n jurisprudentieel moeras</para>
    <para>dreigen terecht te komen als met het begrip afvalstof (zie § 2.8</para>
    <para>hiervoor). Zie voorts D. van der Meijden, Begrip 'inrichting',</para>
    <para>Jurisprudentie en toelichting inzake het begrip inrichting,</para>
    <para>(vastbladig) Katern in (losbladig) Wet milieubeheer, Koninklijke</para>
    <para>Vermande, 2000, hoofdstukken 1, 4 en 6.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2. REGELING VAN HET BEGRIP INRICHTING IN DE WM</para>
    <para>Art. 1.1 lid 1 Wm geeft de volgende omschrijving van het</para>
    <para>begrip inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een</para>
    <para>omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid</para>
    <para>die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.</para>
    <para>Een inrichting valt alleen onder de Wm indien zij behoort</para>
    <para>tot een categorie die op grond van art. 1.1 lid 3 Wm is</para>
    <para>aangewezen in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit</para>
    <para>milieubeheer (Ivb).</para>
    <para>Het begrip inrichting wordt in de Wm, met uitzondering van</para>
    <para>art. 1.1 eerste en lid 3 gebruikt ter aanduiding van</para>
    <para>inrichtingen die voldoen aan de omschrijving in art. 1.1 lid</para>
    <para>1 Wm, en die behoren tot een in het Ivb genoemde categorie.</para>
    <para>Dit blijkt uit art. 1.1 lid 4 eerste volzin Wm. In ons</para>
    <para>artikel gebruiken wij het begrip inrichting eveneens in deze</para>
    <para>betekenis.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>In de praktijk stuiten wij nog wel eens op het misverstand</para>
    <para>dat een activiteit reeds onder hfdst. 8 Wm valt wanneer zij</para>
    <para>tot een Ivb-categorie behoort, met name in gevallen waarin</para>
    <para>de in het Ivb gestelde ondergrens wordt overschreden. Dit is</para>
    <para>onjuist, want de activiteit moet tevens voldoen aan de</para>
    <para>begripsomschrijving in art. 1.1 lid 1 Wm.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>Indien een activiteit die als een inrichting moet worden</para>
    <para>aangemerkt, is hfdst. 8 Wm (Inrichtingen) van toepassing.</para>
    <para>Dit betekent dat voor de activiteit een vergunning ingevolge</para>
    <para>art. 8.1 Wm is vereist en/of algemene regels van toepassing</para>
    <para>zijn op grond van art. 8.40, 8.44 of 8.45 Wm. Indien geen</para>
    <para>sprake is van een inrichting, is hfdst. 8 Wm niet van</para>
    <para>toepassing en kunnen met betrekking tot de activiteit geen</para>
    <para>regels worden gesteld, zelfs niet wanneer zij nadelige</para>
    <para>gevolgen voor het milieu veroorzaakt.&amp;lt;(36) Noot 7: AbRS 27-12-1994, nr. G05.93.2840 (ABkort 1995, nr. 35;</para>
    <para>Milieurechtspraak 1995/4, nr. 11) (toepassen van zeefzand en</para>
    <para>asfaltgranulaat om polderterrein op te hogen; een bedrijvigheid</para>
    <para>die eenmalig is en in een kort tijdsbestek afgerond kan worden:</para>
    <para>geen inrichting); AbRS 27-2-1995, nr. G05.93.2913 (Gst. 1995,</para>
    <para>7008, nr. 10, met noot R. Uylenburg; Milieurechtspraak 1995/4, nr.</para>
    <para>7; Nieuwsbrief 1995-15). Zie ook Hof Leeuwarden 2-5-1997, nr. BK</para>
    <para>359/96 (M en R 1998/4, nr. 35) (kampeerterrein valt onder geen</para>
    <para>enkele in het Ivb genoemde categorie); AbRS 25-6-1998, nr.</para>
    <para>E03.96.1113 (houden van dieren en zagen van hout voor eigen</para>
    <para>gebruik gedurende enkele uren per week; activiteiten niet</para>
    <para>bedrijfsmatig noch in een bedrijfsmatige omvang; wel overlast).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>(?).</para>
    <para>3. JURISPRUDENTIE OVER HET BEGRIP INRICHTING IN DE WM</para>
    <para>(?).</para>
    <para>3.1 Art. 1.1 lid 1 Wm ('bedrijfsmatig of in een</para>
    <para>bedrijfsmatige omvang')</para>
    <para>De jurisprudentie over de interpretatie van het criterium</para>
    <para>'bedrijfsmatig of in een bedrijfsmatige omvang' in art. 1.1</para>
    <para>lid 1 Wm heeft vaak betrekking op het houden van dieren.</para>
    <para>Over andere activiteiten dan het houden van dieren bestaat</para>
    <para>veel minder jurisprudentie.&amp;lt;(37) Noot 9: HR 25-6-1996 (M en R 1996/11, nr. 122, met noot A. de</para>
    <para>Lange) (herstellen van auto's; geen inrichting); AbRS 12-12-1996,</para>
    <para>nr. E03.96.0474 (JG 1997/2, 97.0025) (werkplaats voor</para>
    <para>houtbewerking; bedrijfsmatige omvang, gelet op oppervlakte en</para>
    <para>gezamenlijke vermogen elektromotoren); AbRS 27-6-1997, nr.</para>
    <para>E03.96.0713 (JG 97.0174; Gst. 1998, 7074, nr. 7) (repareren en</para>
    <para>vervaardigen van houten pallets; bedrijfsmatig); AbRS 21-10-1997,</para>
    <para>nr. F03.97.0399 (JM 1998/23) (terrein waarop zich een hoeveelheid</para>
    <para>van 250 m3 gevaarlijke stoffen bevindt; geen bedrijfsmatige</para>
    <para>exploitatie; geen inrichting); Vz. AbRS 5-12-1997, nrs.</para>
    <para>F03.97.0477 en F03.97.0659 (JM 1998/32, met noot K. Schuiling)</para>
    <para>(skatepark; uitgiftepunt voor kleine versnaperingen; niet</para>
    <para>bedrijfsmatig; niet expliciet aan het criterium getoetst).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Of aan het criterium wordt voldaan, moet van geval tot geval</para>
    <para>wordt bekeken.&amp;lt;(38) Noot 10: Voor een overzicht van de jurisprudentie met voorbeelden</para>
    <para>verwijzen wij naar ons artikel in Agr.r. 1998, p.637-639.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>De rechter toetst in de eerste plaats of sprake is van een</para>
    <para>bedrijfsmatige, op winst gerichte, activiteit waarmee</para>
    <para>wezenlijke inkomsten worden verworven.&amp;lt;(39) Noot 11: In AbRS 25-6-1998, nr. E03.96.1113, wordt gesproken van:</para>
    <para>een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie of bedrijfsmatige</para>
    <para>commerciële activiteiten.</para>
    <para>&amp;gt; Indien hiervan geen</para>
    <para>sprake is, toetst hij of de activiteit een bedrijfsmatige</para>
    <para>omvang heeft. De feitelijke omstandigheden zijn bepalend.</para>
    <para>Opvallend is dat de rechter niet (expliciet) toetst aan de</para>
    <para>nadelige gevolgen voor het milieu, die de activiteit kan</para>
    <para>veroorzaken.</para>
    <para>(?).</para>
    <para>3.2 Art. 1.1 lid 1 Wm ('bedrijvigheid die binnen een zekere</para>
    <para>begrenzing pleegt te worden verricht')</para>
    <para>Alleen een activiteit 'die binnen een zekere begrenzing</para>
    <para>pleegt te worden verricht' kan blijkens art. 1.1 lid 1 Wm</para>
    <para>een inrichting zijn. Dit criterium blijkt lastig toe te</para>
    <para>passen en er bestaat dan ook veel jurisprudentie over. Deze</para>
    <para>jurisprudentie is zeer casuïstisch van aard. (?).</para>
    <para>- ophogen van terreinen, storten van afvalstoffen,</para>
    <para>uitbaggeren</para>
    <para>Dergelijke activiteiten kunnen een inrichting vormen. Aanwij</para>
    <para>zingen in die richting zijn een zekere duur, frequentie,</para>
    <para>continuïteit en plaatsgebondenheid van de activiteiten.&amp;lt;(40) Noot 14: KB 19-3-1980, nr. 43 (onttichelen en hercultiveren van</para>
    <para>grond op begrensd terrein gedurende enkele jaren; met bulldozers);</para>
    <para>AgRS 15-10-1993, nr. G05.90.1325 (BR 1994, p. 52) (storten van</para>
    <para>verontreinigde baggerspecie; vaste locatie; inrichting); Vz. AbRS</para>
    <para>31-3-1994, nrs. G05.3060.P90 en B05.93.1641 (ABKort 1995, nr. 170)</para>
    <para>(egaliseren van terrein met puin; inrichting); AbRS 3-4-1995, nrs.</para>
    <para>G05.93.3127 en G05.93.3130 (M en R 1996/9, nr. 92; Milieurecht</para>
    <para>spraak 1995/10, nr. 31) (aanleggen van een weg, waarin asbest</para>
    <para>bevattend puingranulaat is verwerkt); AbRS 22-11-1995, nr.</para>
    <para>E03.94.0382 (M en R 1996/5, nr. 52) (tijdelijk opslaan voor</para>
    <para>afvalstoffen en verwerken van afvalstoffen door proefreiniging is</para>
    <para>een inrichting); AbRS 20-12-1995, nr. E03.94.1156 (AB 1996, nr.</para>
    <para>139, met noot Chr. Backes) (storten van baggerspecie); AbRS 21-12-</para>
    <para>1995, nr. E03.94.1381 (BR 1996, p. 401) (storten van aanzienlijke</para>
    <para>hoeveelheid baggerspecie; continue bedrijvigheid in periode van 24</para>
    <para>weken; locatie op bij vergunningaanvraag behorende kaart</para>
    <para>aangegeven; inrichting); AbRS 14-6-1996, nr. E03.94.1961 (BR 1996,</para>
    <para>p. 736; M en R 1996/12, nr. 130, met noot J. Verschuuren)</para>
    <para>(terugstorten van baggerspecie, afkomstig van onderhoudsbaggerwer</para>
    <para>ken voor het op diepte houden van de vaargeul, in de Wester</para>
    <para>schelde); Vz. AbRS 28-10-1996, nr. F03.96.0788 (KG 1997, nr. 57)</para>
    <para>(ophoging van een weiland met slootmaaisel dat is vermengd met</para>
    <para>bermgras; geen miliehygiënisch verantwoorde toepassing;</para>
    <para>afvalstoffen; grote hoeveelheid; inrichting; motivering waarom</para>
    <para>sprake is van inrichting ontbreekt); Vz. AbRS 6-6-1997, nr.</para>
    <para>F03.97.0013 (Nieuwsbrief 1997-83; JM 1997/61) (aanleggen van een</para>
    <para>funderingsvloer van zeefzand en asfaltgranulaat, vermengd met</para>
    <para>cement; afgraven en weer ophogen van een polder met een</para>
    <para>oppervlakte van 58ha teneinde de polder geschikt te maken voor</para>
    <para>gebruik als industrieterrein; geen kortstondige, eenmalige</para>
    <para>activiteit; inrichting); Vz. AbRS 18-6-1997, nr. F03.97.0314</para>
    <para>(Nieuwsbrief 1997/3, 85) (verspreiden van baggerspecie; geen</para>
    <para>inrichting); AbRS 27-11-1997, nr. E03.96.0304 (JM 1998/47, met</para>
    <para>noot J. Zigenhorn; AbKort 1998, nr. 129) (verspreiden van</para>
    <para>baggerspecie; geen kortstondige activiteit; bedrijvigheid die</para>
    <para>binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht;</para>
    <para>inrichting); AbRS 17-2-1998, nr. E03.96.0304 (ABkort 1998, nr.</para>
    <para>129) (storten van baggerspecie).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Continuïteit is niet altijd vereist. Dat de activiteiten met</para>
    <para>een zekere regelmaat plaatsvinden, kan voldoende zijn om van</para>
    <para>een inrichting te spreken.&amp;lt;(41) Noot 15: AbRS 2-11-1994, nr. G05.93.3141 (automarkt) (BR 1995, p.</para>
    <para>225).</para>
    <para>&amp;gt; Eenmalige activiteiten die in een</para>
    <para>kort tijdsbestek kunnen worden afgerond, zijn geen</para>
    <para>inrichting.&amp;lt;(42) Noot 16: AbRS 27-12-1994, nr. G05.93.2840 (ABkort 1995, nr. 35;</para>
    <para>Milieurechtspraak 1995/4, nr. 11) (toepassen van 1100 m3 zeefzand</para>
    <para>en 360 m3 asfaltgranulaat om polderterrein op te hogen); Vz. AbRS</para>
    <para>3-10-1995 (KG 1996, 40) (ophogen van een weg met granulaat); AbRS</para>
    <para>10-11-1995, nr. E03.94.1015 (op landbouwgrond opslaan, verspreiden</para>
    <para>en onderwerken van bermmaaisel). Zie voor voorbeelden van</para>
    <para>agrarische activiteiten ons artikel in Agr.r. 1998, p. 646-647.</para>
    <para>&amp;gt; In de jurisprudentie worden geen concrete</para>
    <para>termijnen genoemd. Het gaat om het geheel van</para>
    <para>omstandigheden, waaronder de duur van de activiteit. In de</para>
    <para>praktijk wordt vaak een minimumtermijn van ongeveer 6</para>
    <para>maanden gehanteerd.&amp;lt;(43) Noot 17: In AbRS 21-12-1995, nr. E03.94.1381 (BR 1996, p. 401)</para>
    <para>werd het storten van baggerspecie als een inrichting aangemerkt,</para>
    <para>ook al zou deze activiteit net binnen 6 maanden kunnen worden</para>
    <para>afgerond.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Het begrip afvalstoffen kan voor extra</para>
    <para>interpretatieproblemen zorgen.&amp;lt;(44) Noot 18: (voorbeelden) AgRS 15-6-1993, nr. B05.93.0093 (opslag</para>
    <para>van ongesorteerd sloopmateriaal; verharding van terrein met</para>
    <para>betonslib; sloopmateriaal afvalstof; betonslib geen afvalstof;</para>
    <para>inrichting); AbRS 18-8-1994, nr. G05.93.1391 (BR 1995, p. 55; M en</para>
    <para>R 1995/3, nr. 38) (toepassen van lichtverontreinigde grond in</para>
    <para>geluidswal; milieuhygiënisch verantwoorde toepassing van</para>
    <para>afvalstoffen in een werk; geen inrichting omdat dergelijke</para>
    <para>inrichting onder uitzondering in het Ivb valt); AbRS 12-9-1996</para>
    <para>(Nieuwsbrief 1996-143) (puinbreekinstallatie om breek- en zeefzand</para>
    <para>uit puingranulaat te zeven en het granulaat te verwerken; zeefzand</para>
    <para>wel een afvalstof, breekzand geen afvalstof); Vz. AbRS 28-10-1996,</para>
    <para>nr. F03.96.0788 (KG 1997, nr. 57) (slootmaaisel vermengd met</para>
    <para>bermgras; afvalstoffen); AbRS 16-2-1998, nr. G05.93.2333 (JM</para>
    <para>1998/65, met noot J. Zigenhorn) (mijnsteen is afvalstof;</para>
    <para>toepassing van mijnsteen in een kademuur; inrichting). Zie voor</para>
    <para>voorbeelden in de agrarische sfeer ons artikel in Agr.r. 1998, p.</para>
    <para>646-647.</para>
    <para>&amp;gt; Van de uitkomst hangt niet</para>
    <para>alleen af of sprake is van een inrichting, maar ook welke</para>
    <para>instantie bevoegd gezag is.&amp;lt;(45) Noot 19: AgRS 21-2-1991, nr. G05.88.1086 (Nieuwsbrief 1991-17)</para>
    <para>(in gedeelte van de inrichting worden afvalstoffen worden</para>
    <para>gesorteerd; g.s. bevoegd gezag voor de gehele inrichting); Vz.</para>
    <para>AgRS 24-7-1992, nr. E05.91.1059 (rookgasontzwavelingsgips,</para>
    <para>afkomstig van electriciteitscentrale, is geen afvalstof; daarom</para>
    <para>niet g.s. maar b en w bevoegd gezag); AbRS 22-6-1995, nr.</para>
    <para>E03.94.0901 (M en R 1996/6, nr. 68) (riet dat wordt verbrand, is</para>
    <para>een afvalstof omdat geen sprake is van een nuttige toepassing; het</para>
    <para>rietafval is deels afkomstig van buiten de inrichting; g.s.</para>
    <para>bevoegd gezag); Vz. AbRS 14-3-1996, nr. F03.95.0871 (KG 1996, nr.</para>
    <para>185) (bedrijf dat huishoudelijke apparatuur en andere goederen</para>
    <para>inkoopt, zonodig repareert en weer verkoopt; geen bedrijf voor de</para>
    <para>recycling van afvalstoffen; b en w bevoegd gezag); AbRS 30-9-1996,</para>
    <para>nr. E03.95.1566 (Nietolith geen afvalstof; b en w bevoegd gezag).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.14. Voor de heffing van afvalstoffenbelasting worden werken niet</para>
    <para>onder het begrip inrichting begrepen. Wat zijn werken? Dat begrip</para>
    <para>komt uit de voormalige Afvalstoffenwet. Ik citeer nogmaals</para>
    <para>Woldendorp en Heinen:&amp;lt;(46) A.w., noot 84. In noot 85 merken de auteurs nog op:</para>
    <para>Het onderscheid tussen inrichtingen en werken in de voormalige</para>
    <para>Afvalstoffenwet (?) leverde destijds de nodige problemen op (?).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Krachtens art. 31, derde lid, van de Afvalstoffenwet werd</para>
    <para>onder een inrichting mede verstaan het uitvoeren van een</para>
    <para>werk waarbij een hoeveelheid van anderen afkomstige</para>
    <para>afvalstoffen, behorende tot een bij amvb aangewezen</para>
    <para>categorie, die een daarbij aangegeven grens overschrijdt, op</para>
    <para>of in de bodem wordt gebracht. Onder deze bepaling viel een</para>
    <para>aantal activiteiten die niet als inrichtingen kunnen worden</para>
    <para>beschouwd, onder meer omdat ze van tijdelijk aard zijn, maar</para>
    <para>die uit een oogpunt van afvalverwijdering dezelfde functie</para>
    <para>vervullen en dezelfde controle vereisen als</para>
    <para>stortinrichtingen, zoals het ophogen van terreinen met</para>
    <para>gebruikmaking van afvalstoffen. Bedoelde amvb was het</para>
    <para>Werkenbesluit Afvalstoffenwet. Opvallend is dat werken als</para>
    <para>inrichtingen werden aangemerkt. Een werk was dus een</para>
    <para>'gelijkgestelde inrichting'. Een dergelijke constructie is</para>
    <para>thans in het Ivb niet meer mogelijk, omdat dan niet zou</para>
    <para>worden voldaan aan de omschrijving van het begrip inrichting</para>
    <para>in art. 1.1, lid 1, Wm.&amp;lt;(47) De auteurs verwijzen hier naar A.L. van Kempen, Het begrip</para>
    <para>'inrichting'in Hinderwet en Afvalstoffenwet, Ministerie van VROM,</para>
    <para>april 1987, blz. 35-38.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.15. Art. 31, lid 3, Afvalstoffenwet is als volgt toegelicht:&amp;lt;(48) Ik citeer Schuurman &amp; Jordens, Deel 147-IIIb, vijfde druk, blz.</para>
    <para>116.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Ten slotte worden door het derde lid van artikel 31 onder</para>
    <para>het vergunningstelsel gebracht een aantal activiteiten die</para>
    <para>niet zonder meer als stortinrichtingen kunnen worden</para>
    <para>beschouwd - aangezien ze van tijdelijke aard zijn en</para>
    <para>bovendien de stoffen terstond een nuttige bestemming krijgen</para>
    <para>-, doch uit een oogpunt van afvalverwijdering dezelfde</para>
    <para>functie vervullen en dezelfde controle vereisen als</para>
    <para>stortinrichtingen. Het gaat hier om activiteiten als het</para>
    <para>ophogen van terreinen - bij voorbeeld voor gebruik als</para>
    <para>sportterrein - en het aanleggen van wallen - bij voorbeeld</para>
    <para>met het oog op geluidswering - waartoe gebruik gemaakt wordt</para>
    <para>van een hoeveelheid afvalstoffen die op (of in) de bodem</para>
    <para>worden gebracht.</para>
    <para>2.16. In de Nota van toelichting op het Werkenbesluit</para>
    <para>Afvalstoffenwet wordt het begrip werk verder toegelicht:&amp;lt;(49) Schuurman &amp; Jordens, Deel 147-IIIb, vijfde druk, blz. 702.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Als werk in de zin van het onderhavige besluit kunnen worden</para>
    <para>genoemd geluidwallen, erfverhardingen c.q. -ophogingen,</para>
    <para>rijpaden, slootdempingen en dergelijke, waarbij een</para>
    <para>hoeveelheid afvalstoffen, die de in het besluit aangegeven</para>
    <para>grenzen overschrijdt, op of in de bodem wordt gebracht.</para>
    <para>2.17. De Afvalstoffenwet is inmiddels vervallen en als het ware</para>
    <para>opgegaan in de Wm, maar het begrip werken leeft voort in het Ivb,</para>
    <para>in het bijzonder in categorie 28 van Bijlage I. Voor alle</para>
    <para>duidelijkheid wijs ik erop dat in de Afvalstoffenwet werken met</para>
    <para>inrichtingen werden gelijkgesteld, maar geen inrichtingen waren,</para>
    <para>terwijl in de Wm alleen die werken relevant zijn die ook</para>
    <para>inrichtingen zijn en andere werken buiten beschouwing blijven. Het</para>
    <para>is dan ook opvallend dat de belastingwetgever voor het begrip</para>
    <para>werken weliswaar verwijst naar de Wm maar in feite heeft bedoeld</para>
    <para>te verwijzen naar de Afvalstoffenwet.</para>
    <para>2.18. De (voormalige) stortplaats van belanghebbende valt blijkens</para>
    <para>de milieuvergunning onder categorie 28 van Bijlage I, meer in het</para>
    <para>bijzonder onder categorie 28.4, onder a, ten 3o, en categorie</para>
    <para>28.6, onder b.&amp;lt;(50) Belanghebbende verricht blijkens de milieuvergunning ook</para>
    <para>activiteiten die vallen onder categorie 5.1 en categorie 11.1,</para>
    <para>maar die activiteiten spelen dunkt mij in de onderhavige procedure</para>
    <para>geen rol. Wel is het zo dat het opslaan van verontreinigde grond</para>
    <para>(als subspecies van grond) zou kunnen vallen onder categorie 11</para>
    <para>(vgl. de toelichting op het Ivb in Stb. 1993, 50, blz. 115), maar</para>
    <para>dat lijkt mij te dezen van ondergeschikt belang.</para>
    <para>&amp;gt; Aan belanghebbende is dus vergunning verleend voor</para>
    <para>het hebben van een inrichting voor het opslaan van afvalstoffen,</para>
    <para>zijnde van buiten de inrichting afkomstige verontreinigde grond,</para>
    <para>waaronder begrepen verontreinigde baggerspecie, alsmede voor het</para>
    <para>uitvoeren van werken waarbij, anders dan voor het opslaan,</para>
    <para>bedrijfsafvalstoffen op of in de bodem worden gebracht.</para>
    <para>2.19. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende een brief d.d.</para>
    <para>15 september 1997 van GS van Zuid-Holland overgelegd, waarin het</para>
    <para>volgende wordt betoogd:&amp;lt;(51) Blijkens 's Hofs uitspraak is de Inspecteur in de gelegenheid</para>
    <para>gesteld van die brief kennis te nemen en daarop te reageren. Nu</para>
    <para>het Hof niet rept van een reactie, moet ervan worden uitgegaan dat</para>
    <para>deze is uitgebleven.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Wij hebben bij het verlenen van de vergunning op 27 februari</para>
    <para>1995 uitdrukkelijk niet het voornemen gehad vergunning te</para>
    <para>verlenen voor het storten van afvalstoffen. Het aanbrengen</para>
    <para>van de secundaire grondstoffen heeft een tweeledige functie</para>
    <para>namelijk het compenseren van zettingen en het dienen als</para>
    <para>fundering voor de aan te brengen laag zandbentoniet (of</para>
    <para>gelijkwaardig materiaal), de drainage- en de leeflaag. De</para>
    <para>constructie is civieltechnisch noodzakelijk en zou technisch</para>
    <para>gesproken niet anders worden uitgevoerd wanneer gebruik moet</para>
    <para>worden gemaakt van primaire grondstoffen. Gebruik van</para>
    <para>primaire grondstoffen maakt de sanering gegeven de hoge</para>
    <para>kosten van de primaire grondstoffen onhaalbaar. De afwerking</para>
    <para>beschouwen wij derhalve als een "werk" in de zin van de Wet</para>
    <para>milieubeheer en het Inrichtingen en vergunningenbesluit</para>
    <para>(Ivb). De juridische basis voor vergunning is gelegen in</para>
    <para>artikel 28.6 Ivb.&amp;lt;(52) Mijn noot: bedoeld is kennelijk categorie 28.6 van Bijlage 28.6</para>
    <para>bij het Ivb.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.20. Hoe valt dit betoog van GS te rijmen met de tekst van de</para>
    <para>vergunning waarin naast categorie 28.6 toch ook categorie 28.4</para>
    <para>wordt genoemd als een categorie waaronder de activiteiten van</para>
    <para>belanghebbende zouden vallen? In dit verband wijs ik op onderdeel</para>
    <para>2.1, sub a, van de bij de vergunning behorende voorschriften:</para>
    <para>2.1. In de inrichting mogen (?) uitsluitend de volgende</para>
    <para>secundaire grondstoffen worden geaccepteerd:</para>
    <para>a.    ten behoeve van de basislaag:</para>
    <para>- boorgruis;</para>
    <para>- bleekaarde;</para>
    <para>- zeefzand (?);</para>
    <para>- steekvast slib (?);</para>
    <para>- baggerspecie (?);</para>
    <para>- verontreinigde grond (?).</para>
    <para>Het opslaan van verontreinigde grond valt stellig onder categorie</para>
    <para>28.4, onder a, ten 3o. Onder opslaan wordt evenwel verstaan het</para>
    <para>tijdelijk deponeren of bewaren van de grond met het oogmerk deze</para>
    <para>op een later tijdstip af te (doen) voeren.&amp;lt;(53) Aldus de toelichting op het Ivb in Stb. 1993, 50, blz. 118 (zie</para>
    <para>ook blz. 94)</para>
    <para>&amp;gt; Blijft de grond ter</para>
    <para>plaatse, zoals te dezen het geval zal zijn, dan wordt de grond</para>
    <para>niet opgeslagen maar op de bodem gebracht. Verontreinigde grond</para>
    <para>moet, net als de andere zojuist opgesomde stoffen, worden</para>
    <para>gekwalificeerd als een bedrijfsafvalstof.&amp;lt;(54) Idem blz. 115.</para>
    <para>&amp;gt; Nu al deze stoffen in de</para>
    <para>optiek van GS, het vergunning verlenende orgaan, voor een werk</para>
    <para>worden gebruikt, is de juridische basis voor de vergunning</para>
    <para>inderdaad categorie 28.6, onderdeel b.</para>
    <para>2.21. Het bevoegde orgaan (GS) meent dat in milieurechtelijke zin</para>
    <para>sprake is van een werk. Er is dan dunkt mij voor de</para>
    <para>belastingrechter weinig reden anders te oordelen.</para>
    <para>2.22. Van meer gewicht is dat de wetgever alleen stortplaatsen</para>
    <para>heeft willen belasten,&amp;lt;(55) Zie § 2.11 hiervoor.</para>
    <para>&amp;gt; terwijl belanghebbende geen stortplaats</para>
    <para>maar een voormalige stortplaats exploiteert in die zin dat zij met</para>
    <para>haar bedrijf ervoor zorgt dat die stortplaats - en dat is voor mij</para>
    <para>van doorslaggevende betekenis - op milieuhygiënische wijze wordt</para>
    <para>afgewerkt, opdat deze te zijner tijd een recreatieve functie kan</para>
    <para>krijgen. Ik zie hier dan ook meer gelijkenis met een werk dat met</para>
    <para>behulp van afvalstoffen tot stand komt dan met een inrichting</para>
    <para>waarop afvalstoffen worden gestort. In dit verband wijs ik erop</para>
    <para>dat het hier gaat om een locatie waarvoor alleen bepaalde</para>
    <para>afvalstromen mogen worden gebruikt en dan kan in de ogen van de</para>
    <para>fiscale wetgever worden gesproken van een werk.&amp;lt;(56) Kamerstukken II 1994/95, 23 935, blz. 10.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.23. Waar het (fiscale) begrip afvalstoffen ruim moet worden</para>
    <para>uitgelegd, kan het (fiscale) begrip inrichting mijns inziens</para>
    <para>zonder bezwaar worden beperkt tot stortplaatsen. Alles afwegende</para>
    <para>meen ik dat de activiteiten van belanghebbende voor de heffing van</para>
    <para>afvalstoffenbelasting moeten worden gekwalificeerd als het</para>
    <para>uitvoeren van een werk en niet als het exploiteren van een</para>
    <para>inrichting. De afgifte van afvalstoffen aan dat werk is dan ook</para>
    <para>niet belast.</para>
    <para>Slotsom</para>
    <para>2.24. Ik meen dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de door</para>
    <para>belanghebbende in het onderhavige tijdvak verwerkte reststoffen</para>
    <para>moeten worden aangemerkt als afvalstoffen in de zin van de Wbm en</para>
    <para>dat het door haar gemaakte onderscheid tussen afvalstof en</para>
    <para>secundaire grondstof voor de toepassing van de bepalingen inzake</para>
    <para>de afvalstoffenbelasting relevantie mist. Mitsdien is</para>
    <para>middelonderdeel 1 ongegrond.</para>
    <para>2.25. Voorts meen ik dat niet juist is 's Hofs oordeel dat</para>
    <para>belanghebbende in het onderhavige tijdvak een inrichting</para>
    <para>exploiteerde als bedoeld in art. 12, aanhef en onderdeel c, Wbm.</para>
    <para>Het daartegen gerichte middelonderdeel 3 is dus gegrond.</para>
    <para>2.26. In het voorgaande ligt besloten dat de middelonderdelen 2 en</para>
    <para>4 ongegrond zijn.</para>
    <para>3. Beoordeling van middel II</para>
    <para>3.1. Het Hof heeft de drie zaken van belanghebbende als</para>
    <para>samenhangend in de zin van art. 3, lid 2, Besluit proceskosten</para>
    <para>fiscale procedures beschouwd. Belanghebbende klaagt dat het Hof</para>
    <para>heeft miskend dat de drie beroepen niet (nagenoeg) gelijktijdig</para>
    <para>zijn ingesteld, nu de beroepschriften respectievelijk op 27</para>
    <para>november 1996, 19 februari 1997 en 22 augustus 1997 zijn</para>
    <para>ingediend.&amp;lt;(57) Niet bestreden wordt dat het om "tegen nagenoeg identieke</para>
    <para>besluiten op vergelijkbare gronden ingestelde beroepen" gaat.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>3.2. HR 10 november 1999, BNB 2000/2, overwoog:</para>
    <para>3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat deze zaak voor de</para>
    <para>toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures</para>
    <para>moet worden beschouwd als samenhangende met de zaken</para>
    <para>betreffende de door belanghebbende bij het Hof ingestelde</para>
    <para>beroepen inzake de navorderingsaanslag inkomstenbelasting</para>
    <para>over het jaar 1983 en de aanslag inkomstenbelasting voor het</para>
    <para>jaar 1984, waaraan het Hof de kenmerken 89/365</para>
    <para>respectievelijk 90/3707 heeft gegeven. Middel VII, dat dit</para>
    <para>oordeel bestrijdt, slaagt. In 's Hofs oordeel ligt besloten</para>
    <para>dat in de onderhavige en de hiervoor vermelde zaken</para>
    <para>'gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig' in de zin van</para>
    <para>artikel 3, lid 2, van het Besluit bij het Hof beroep is</para>
    <para>ingesteld. Dit oordeel is onjuist. Nu vaststaat dat in de</para>
    <para>onderhavige zaak het beroep namens belanghebbende is</para>
    <para>ingesteld op 10 juli 1989, terwijl het beroep in de zaken</para>
    <para>met de kenmerken 89/365 en 90/3707 binnen de daarvoor</para>
    <para>geldende termijn is ingesteld op respectievelijk 20 januari</para>
    <para>1989 en 3 juli 1990, is geen sprake van 'gelijktijdig of</para>
    <para>nagenoeg gelijktijdig' in evenvermelde zin.</para>
    <para>3.3. De in BNB 2000/2 bedoelde beroepschriften werden met</para>
    <para>intervallen van 6 en 12 maanden bij het Hof ingediend. In het</para>
    <para>onderhavige geval gaat het om intervallen van 3 en 6 maanden, de</para>
    <para>helft van die in BNB 2000/2. Nemen wij voorts in aanmerking dat</para>
    <para>het tweede beroepschrift voortbouwt op het eerste en het derde op</para>
    <para>het tweede, dat de drie beroepen door het Hof gelijktijdig zijn</para>
    <para>behandeld en dat de gemachtigde van belanghebbende zijn pleidooi</para>
    <para>ter zitting van het Hof in één pleitnota heeft neergelegd, dan</para>
    <para>meen ik dat 's Hofs oordeel dat te dezen sprake is van</para>
    <para>samenhangende zaken juist is. Middel II is dus ongegrond.</para>
    <para>4. Conclusie</para>
    <para>Ik concludeer tot vernietiging van 's Hofs uitspraak, behoudens</para>
    <para>voor zover deze het griffierecht en de proceskosten betreft, tot</para>
    <para>vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van</para>
    <para>de naheffingsaanslag.</para>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der</para>
    <para>Nederlanden</para>
    <para>A-G</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>