<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2001:AB1209</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T18:33:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1209</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL2281</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2001-04-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">R00/161HR en R00/162HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2001:AB1209" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB1209</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=844&amp;g=2001-04-20">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 844</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=846&amp;g=2001-04-20">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 846</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2001, 267</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2001, 351</rdf:li>
          <rdf:li>JWB 2001/132</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2001/146 met annotatie van mr. E.C.H.J. van der Linden</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AB1209">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AB1209</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2001:AB1209 Parket bij de Hoge Raad , 20-04-2001 / R00/161HR en R00/162HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2001:AB1209:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2001:AB1209:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. R 00/161 en 00/162 HR Mr. Mok</para>
    <para>(rechtsweigering)   Conclusie inzake de verzoeken van</para>
    <para>Parket, 2 februari 2001 F. REISS</para>
    <para>Edelhoogachtbaar college,</para>
    <para>1.   Korte beschrijving van de zaak</para>
    <para>1.1. Reiss, verzoeker, heeft op 5 december 2000 een tweetal</para>
    <para>verzoekschriften ingediend, die verwijzen naar art. 844 e.v.</para>
    <para>Rv.</para>
    <para>Deze hebben betrekking op rechtsweigering door de Centrale</para>
    <para>Raad van Beroep (CRB), subsidiair de president van dat college</para>
    <para>en meer subsidiair een met name genoemd lid van dat college.</para>
    <para>De verzoekschriften zijn ondertekend door verzoeker en door</para>
    <para>een procureur (art. 847, lid 2, Rv). De desbetreffende</para>
    <para>procureur is advocaat bij de Hoge Raad.</para>
    <para>1.2. Op 28 december 2000 heeft verzoeker opnieuw een tweetal</para>
    <para>verzoekschriften ingediend. Dit zijn verbeterde versies van de</para>
    <para>op 5 december 2000 ingediende verzoekschriften.</para>
    <para>Ik beschouw de op 5 december 2000 ingediende verzoekschriften</para>
    <para>als ingetrokken en zal verder uitgaan van de op 28 december</para>
    <para>2000 ingediende verzoekschriften&amp;lt;(1).   De art. 844 e.v. Rv kennen geen termijn waarbinnen het verzoek moet zijn ingediend.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>1.3. Verzoeker heeft de Hoge Raad bij brief van 22 december</para>
    <para>2000&amp;lt;(2).   ingekomen op 28 december 2000.</para>
    <para>&amp;gt; gevraagd de voeging van de verzoekschriften te bevelen.</para>
    <para>De algemene regels voor verzoekschriftprocedures (dus ook die</para>
    <para>inzake voeging) zijn, tenzij daarvan - quod non -</para>
    <para>uitdrukkelijk is afgeweken, op een verzoek op grond van de</para>
    <para>art. 844 e.v. Rv. van toepassing&amp;lt;(3).   HR 21 oktober 1929, NJ 1929, p. 1681-1868.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Verzoeker heeft slechts één procesdossier in beide zaken</para>
    <para>overgelegd; de verzoekschriften zijn beide gericht tegen</para>
    <para>(dezelfde leden van) de CRB. Ik zal de zaken derhalve gevoegd</para>
    <para>behandelen (art. 429m, lid 2, Rv.).</para>
    <para>1.4. Verzoeker heeft op 22 augustus 1991 aan b. &amp; w. van de</para>
    <para>gemeente Rijnwaarden een uitkering krachtens de</para>
    <para>Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW) aangevraagd. B.</para>
    <para>&amp; w. hebben die aanvraag op 8 oktober 1991 afgewezen. Het be</para>
    <para>zwaar dat verzoeker daartegen heeft gemaakt is ongegrond</para>
    <para>verklaard.</para>
    <para>Zijn beroep bij de Commissie Sociale Zekerheidsgeschillen</para>
    <para>(provincie Gelderland) is op 26 mei 1992 eveneens ongegrond</para>
    <para>verklaard.</para>
    <para>1.5. Vervolgens is verzoeker in beroep gekomen bij de Afdeling</para>
    <para>bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    <para>Die Afdeling heeft het besluit van de commissie op 22 juli</para>
    <para>1994 vernietigd.</para>
    <para>1.6. De genoemde Commissie heeft op 1 maart 1995 een nieuw</para>
    <para>besluit genomen.</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>-? -</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>Dat besluit had betrekking op de periode 22 augustus 1991 tot</para>
    <para>13 april 1994 en bepaalde onder meer dat over de periode 22</para>
    <para>augustus 1991 tot 29 november 1991 aan verzoeker een gekorte</para>
    <para>RWW-uitkering werd verleend.</para>
    <para>1.7. Verzoeker is op 20 maart 1995 van dit besluit in beroep</para>
    <para>gekomen bij de CRB.</para>
    <para>De CRB heeft het besluit op 13 juni 1995 vernietigd, daartoe</para>
    <para>overwegende dat de Commissie "uitsluitend een oordeel diende</para>
    <para>te geven omtrent het recht op bijstand naar aanleiding van de</para>
    <para>aanvraag van 22 augustus 1991", zodat zij - behoudens wat</para>
    <para>betreft de periode 22 augustus 1991 tot 29 november 1991 -</para>
    <para>buiten de grondslag van het beroep was getreden.</para>
    <para>Voor de periode 22 augustus 1991 tot 29 november 1991 heeft de</para>
    <para>CRB het besluit vernietigd omdat dit onvoldoende was</para>
    <para>gemotiveerd.</para>
    <para>1.8. De Commissie heeft op 21 september 1995 een nieuw besluit</para>
    <para>genomen. Zij bepaalde dat verzoeker over de periode 22</para>
    <para>augustus 1991 tot 29 november 1991 tijdelijk van het recht op</para>
    <para>uitkering werd uitgesloten.</para>
    <para>De president van de CRB heeft dit besluit op 21 december 1995</para>
    <para>vernietigd en bepaald dat aan "verzoeker een ongekorte</para>
    <para>uitkering ingevolge de RWW" moest worden verleend, onder verre</para>
    <para>kening van reeds betaalde voorschotten.</para>
    <para>1.9. Uit (o.m.) de brief die verzoeker op 27 december 1995 aan</para>
    <para>het college van b &amp; w van Rijnwaarden heeft gezonden, volgt</para>
    <para>dat hij uit de uitspraak van de president heeft begrepen dat</para>
    <para>hij recht had op een ongekorte RWW-uitkering over de periode</para>
    <para>22 augustus 1991-13 april 1994.</para>
    <para>Op 1 maart 1996 heeft genoemd college van b &amp; w naar</para>
    <para>aanleiding van de uitspraak van de president van 21 december</para>
    <para>1995 een nieuw besluit genomen. Dat besluit hield in dat</para>
    <para>verzoeker vanaf 22 augustus 1991 tot 9 april 1992 alsnog een</para>
    <para>ongekorte uitkering werd toegekend, dat zijn uitkering vanaf 9</para>
    <para>april 1992 tot en met 17 augustus 1992 werd gekort en dat de</para>
    <para>uitkering vanaf 18 augustus 1992 werd beëindigd.</para>
    <para>1.10.          Tegen dat laatste besluit heeft verzoeker op 11</para>
    <para>maart 1996 bezwaar gemaakt. Hij heeft dit bezwaarschrift</para>
    <para>evenwel op 21 april 1996 ingetrokken&amp;lt;(4).   Dit blijkt uit de uitspraak van de president van de CRB van 12 februari 1998. Het besluit</para>
    <para>van 1 maart 1996 heeft daardoor formele rechtskracht gekregen.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>2.   Verdere gang van zaken</para>
    <para>2.1. Verzoeker heeft zich vervolgens meermalen schriftelijk</para>
    <para>gewend tot de CRB.</para>
    <para>Hij wenste dat aan het college van b &amp; w van Rijnwaarden een</para>
    <para>dwangsom werd opgelegd en dat het college werd veroordeeld het</para>
    <para>bedrag te betalen waarop hij meende recht te hebben.</para>
    <para>2.2. Naar aanleiding van een klacht van verzoeker, inhoudend</para>
    <para>dat de CRB niet adequaat gereageerd zou hebben, heeft de</para>
    <para>president van dat college verzoeker op 7 oktober 1996 bericht</para>
    <para>dat de CRB uitsluitend uitspraak heeft gedaan over de periode</para>
    <para>22 augustus 1991 tot en met 29 november 1991 zodat "alleen</para>
    <para>reeds daarom dezerzijds niet enige maatregel als door u</para>
    <para>voorgestaan kan worden getroffen".</para>
    <para>2.3. Verzoeker heeft zich daarop onder meer gewend tot de</para>
    <para>rechtbank te Arnhem en de president daarvan. Aldaar zijn de</para>
    <para>door verzoeker gewenste maatregelen aan de orde geweest.</para>
    <para>De president heeft op 1 juli 1997 een verzoek om toepassing</para>
    <para>van art. 8:81 Awb afgewezen. De rechtbank heeft verzoeker</para>
    <para>niet-ontvankelijk verklaard&amp;lt;(5).   Uitspraak van 24 oktober 1997.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>2.4. Verzoeker heeft tegen deze laatste uitspraak hoger beroep</para>
    <para>ingesteld bij de CRB.</para>
    <para>Bij brief van 25 november 1997 heeft hij verzocht om een</para>
    <para>voorlopige voorziening op de voet van art. 8:81 Awb.</para>
    <para>2.5. De president van de CRB heeft het verzoek om toepassing</para>
    <para>van art. 8:81 Awb op 12 februari 1998 afgewezen.</para>
    <para>De CRB heeft de uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 1997</para>
    <para>op 23 juni 1998 bevestigd.</para>
    <para>3.   Beroep op Hoge Raad</para>
    <para>3.1. Verzoeker heeft zich vervolgens tot de Hoge Raad gewend.</para>
    <para>3.2.1.         In de zaak onder nr. R OO/161 HR heeft hij</para>
    <para>gesteld dat de CRB de oplegging van een dwangsom weigert.</para>
    <para>De CRB zou aldus niet hebben voldaan aan de schriftelijke</para>
    <para>verzoeken van 29 januari 1996, 14 februari 1996, 21 februari</para>
    <para>1996, 10 maart 1996, 15 juli 1996, 1 augustus 1996, 7 november</para>
    <para>1997, 25 november 1997, 6 maart 1998 en het mondeling verzoek</para>
    <para>van 12 mei 1998, welke verzoeker tot de CRB heeft gericht.</para>
    <para>3.2.2.         In de zaak met nr. R 00/162 HR betoogt</para>
    <para>verzoeker dat de CRB heeft geweigerd tijdig en volledig te</para>
    <para>beslissen op zijn verzoekschriften van 20 maart 1995, 2</para>
    <para>oktober 1995, 15 juli 1996, 1 augustus 1996, 7 november 1997</para>
    <para>(aanvulling 6 maart 1998) en 25 november 1997 en aldus heeft</para>
    <para>geweigerd te bepalen dat verzoeker recht heeft op een</para>
    <para>ongekorte RWW-uitkering over de periode 22 augustus 1991 tot</para>
    <para>13 april 1994.</para>
    <para>3.3. Verzoeker gaat ervan uit dat, nu het bestuursrecht geen</para>
    <para>procedure ter zake van rechtsweigering kent, de art. 844 e.v.</para>
    <para>Rv. op de CRB analoog moeten worden toegepast.</para>
    <para>3.4. De Hoge Raad heeft geoordeeld&amp;lt;(6).   4 april 1997, NJ 1997, 403 .</para>
    <para>&amp;gt; dat de gevallen waarin de</para>
    <para>Hoge Raad bevoegd is kennis te nemen van een rechtsvordering</para>
    <para>uit hoofde van rechtsweigering, bij uitsluiting zijn geregeld</para>
    <para>in art. 846, lid 2, Rv.</para>
    <para>Laatstgenoemde wetsbepaling noemt de (leden van de) CRB niet.</para>
    <para>Dat betekent dat de Hoge Raad in principe niet bevoegd is van</para>
    <para>de verzoeken van verzoeker kennis te nemen.</para>
    <para>3.5. De vraag rijst of er - zoals verzoeker wil - grond</para>
    <para>bestaat de art. 844 e.v. Rv. in dit geval analogisch toe te</para>
    <para>passen.</para>
    <para>3.6. De artt. 844 e.v. Rv. zijn een nadere uitwerking van het</para>
    <para>bepaalde in art. 13 van de Wet AB&amp;lt;(7).    Wet van 15 mei 1829, Stb. 28, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het</para>
    <para>Koninkrijk.. Zie ook de artt. 112 en 113 Gw. en art. 6 EVRM.</para>
    <para>&amp;gt;.  De Wet AB bevat algemene</para>
    <para>beginselen, maar schept, anders dan verzoeker kennelijk meent,</para>
    <para>geen bevoegdheid.</para>
    <para>Deze bevoegdheid kan evenmin worden afgeleid uit het gegeven</para>
    <para>dat de wet voor bepaalde gevallen regelt (verzoeker noemt</para>
    <para>onder meer art. 139a Abw) dat de regels die van toepassing</para>
    <para>zijn op een gerechtshof van overeenkomstige toepassing zijn op</para>
    <para>de CRB.</para>
    <para>Integendeel, de omstandigheid dat de wetgever een zodanige</para>
    <para>regeling niet heeft getroffen ter zake van rechtsweigering</para>
    <para>pleit er juist tegen aan te nemen dat de wetgever een zodanige</para>
    <para>overeenkomstige toepassing op de CRB heeft gewild.</para>
    <para>3.7. Het voorgaande betekent niet dat een rechtzoekende</para>
    <para>ingeval van rechtsweigering van (leden van) de CRB in het</para>
    <para>geheel geen middelen ten dienste staan.</para>
    <para>Op grond van art. 9 van de Beroepswet zijn de art. 11 tot en</para>
    <para>met 14e Wet RO van toepassing. Daaruit vloeit voort dat de</para>
    <para>president van de CRB een lid van zijn college bij het</para>
    <para>uitblijven van een uitspraak "de nodige waarschuwing te doen"</para>
    <para>(art. 14, lid 1, Wet RO).</para>
    <para>Voorts zal een rechtzoekende onder omstandigheden de Staat</para>
    <para>kunnen aanspreken tot schadevergoeding&amp;lt;(8).   Vgl. m.v.t. bij het  wetsvoorstel tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke</para>
    <para>zaken, kamerst. [II 1999-2000], 26 855 p. 56.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>3.8. Ik zie dan ook geen reden om de artt. 844 tot en met 852</para>
    <para>Rv., die blijkens het in noot 8 genoemde wetsvoorstel binnen</para>
    <para>afzienbare tijd moeten komen te vervallen&amp;lt;(9).   Zie vorige noot, art. 1.3.8 en de toelichting daarop, m.v.t., p. 56.</para>
    <para>&amp;gt;, in de onderhavige</para>
    <para>zaak van overeenkomstige toepassing te verklaren.</para>
    <para>3.9. Gezien het voorgaande, ben ik van mening dat de Hoge Raad</para>
    <para>zich op de voet van art. 429e Rv. onbevoegd zal dienen te</para>
    <para>verklaren op de hier aan de orde zijnde verzoekschriften</para>
    <para>uitspraak te doen.</para>
    <para>3.10.          Ten overvloede merk ik nog op dat er, gezien de</para>
    <para>in § 2.3. beschreven gang van zaken,  geen sprake is van</para>
    <para>rechtsweigering in de zin van de art. 844 e.v. Rv.</para>
    <para>4.   Conclusie</para>
    <para>Ik concludeer dat de Hoge Raad zich onbevoegd zal verklaren</para>
    <para>van de verzoeken kennis te nemen.</para>
    <para>De procureur-</para>
    <para>generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    <para>plv.</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>