<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2001:AB0746</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T16:33:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0746</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2001-03-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02587/00</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2001:AB0746" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB0746</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002415&amp;artikel=2&amp;g=2001-03-27">Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 2001, 221</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2001, 380</rdf:li>
          <rdf:li>JOW 2002, 2</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AB0746">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AB0746</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:23:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2001:AB0746 Parket bij de Hoge Raad , 27-03-2001 / 02587/00</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2001:AB0746:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2001:AB0746:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. 02587/00                                                             Mr</para>
    <para>Machielse</para>
    <para>Zitting: 6 februari 2001                                                  Conclusie</para>
    <para>inzake:</para>
    <para>J.R.M. Tjong-Kim-</para>
    <para>Sang</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Bij vonnis van 16 mei 2000 is verzoeker bij verstek door de</para>
    <para>arrondissementsrechtbank te Arnhem veroordeeld ter zake van "als degene aan wie</para>
    <para>het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is</para>
    <para>afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet</para>
    <para>aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden ", tot</para>
    <para>een geldboete van ƒ 720,-, te vervangen door 14 dagen hechtenis.</para>
    <para>2. Verzoeker heeft een schriftuur ingediend waarin twee middelen van</para>
    <para>cassatie zijn te ontwaren.</para>
    <para>3.1. Het eerste middel bevat de klacht dat het motorvoertuig waarvoor het</para>
    <para>kentekenbewijs is afgegeven in beslag is genomen op 29 november 1997 en er - zo</para>
    <para>begrijp ik het middel - derhalve op 14 februari 1998 voor verzoeker niet de</para>
    <para>plicht bestond om voor het betreffende voertuig een verzekering op grond van de</para>
    <para>Wet aansprakelijkheid motorvoertuigen (WAM) afgesloten te hebben en in stand te</para>
    <para>houden.</para>
    <para>3.2. Het eerste middel doet een beroep op omstandigheden die in cassatie niet</para>
    <para>vast staan. Verdachte is immers in eerste aanleg en in hoger beroep niet</para>
    <para>verschenen. Voorzover verdachte al heeft bedoeld te zeggen dat de stukken van het</para>
    <para>dossier een rechtstreeks en ernstig vermoeden bevatten dat de auto al in november</para>
    <para>1997 in beslag was genomen en dat de rechtbank dat had moeten onderzoeken geldt</para>
    <para>het volgende. Daarmee Aldus wordt miskend dat het al of niet in bezit hebben van</para>
    <para>het voertuig niet bepalend is voor de vraag of voor dat voertuig een WAM-</para>
    <para>verzekering moet worden afgesloten en in stand gehouden. Die verplichting is</para>
    <para>namelijk gekoppeld aan de registratie tenaamstelling van het kentekenbewijs</para>
    <para>(artikel 2.1 juncto 30.2 van de WAM). Zolang een kenteken op naam staat van een</para>
    <para>persoon is die persoon verzekeringsplichtig in de zin van de WAM&amp;lt;(1) Vgl HR NJ 2000, 547, waarin het voertuig was gestolen, maar toch</para>
    <para>de verzekeringsplicht bleef bestaan, totdat door de kentekenhouder</para>
    <para>aangifte van de diefstal was gedaan, waardoor de tenaamstelling</para>
    <para>ongeldig werd verklaard. Vergelijk bovendien de zogenoemde</para>
    <para>"katvangers": personen die tegen betaling talloze auto's op hun</para>
    <para>naam laten zetten, zonder die voertuigen in hun bezit te hebben.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>Wanneer het motorvoertuig waarop het kenteken betrekking heeft in beslag is</para>
    <para>genomen, kan de kentekenhouder een schorsing van de registratie van het kenteken</para>
    <para>aanvragen (art. 67, eerste lid WVW 1994.). Daarmee wordt volgens art. 2 lid 3 WAM</para>
    <para>de verzekeringsplicht van de WAM ook geschorstopgeheven. Mocht het beslag worden</para>
    <para>opgeheven dan kan de registratie weer herleven.</para>
    <para>Op grond van artikel 50, eerste lid van het Kentekenreglement, dient de</para>
    <para>aanvrager van een schorsing het deel II van het kentekenbewijs, het</para>
    <para>overschrijvingsbewijs, alsmede een legitimatiebewijs over te leggen aan de Dienst</para>
    <para>Wegverkeer.  Voor het geval het beslagen motorvoertuig nooit meer door de</para>
    <para>kentekenhouder in het verkeer gebruikt kan worden - omdat daarvan afstand is</para>
    <para>gedaan door de beslagenkentekenhoudere of omdat het voertuig verbeurd is</para>
    <para>verklaard of is onttrokken aan het verkeer -, resteert de mogelijkheid om aan de</para>
    <para>Dienst Wegverkeer op grond van artikel 40, tweede lid van het Kentekenreglement</para>
    <para>te verzoeken om de tenaamstelling te laten vervallen.</para>
    <para>Uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen is op te maken dat op 14</para>
    <para>februari 1998 de geldigheid van het kentekenbewijs niet was geschorst en dat het</para>
    <para>kenteken op die datum op naam van verdachte stond. Daarmee was verdachte nog</para>
    <para>&amp;lt;</para>
    <para>?</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>steeds verzekeringsplichtig.</para>
    <para>3.3. Het middel faalt dus.</para>
    <para>4.1.  Het tweede middel bevat de klacht dat verzoeker heeft vertrouwd op een aan</para>
    <para>hem gedane mededeling door de verbalisanten die zijn auto in beslag namen. Die</para>
    <para>mededeling zou hebben ingehouden dat die verbalisanten zouden zorgdragen voor de</para>
    <para>"verdere afhandeling van de zaak en alles wat daarmede in verband stond (oa.</para>
    <para>verzekering en de motortrijtuigen belasting)". Tengevolge van deze mededeling</para>
    <para>heeft verzoeker er op vertrouwd dat hij niet hoefde zorg te dragen voor</para>
    <para>beëindiging van de kentekenregistratie.</para>
    <para>4.2. Het middel doet daarbij weer een beroep op een omstandigheid die op geen</para>
    <para>enkel moment in feitelijke aanleg als verweer naar voren is gebracht en in</para>
    <para>cassatie dan ook niet vaststaat. Daarom kan er in cassatie niet met vrucht over</para>
    <para>worden geklaagd. Verzoeker is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet ter</para>
    <para>terechtzitting verschenen en de rechters die over de feiten hebben geoordeeld</para>
    <para>hebben met deze omstandigheid dan ook geen rekening kunnen en moeten houdenwaren</para>
    <para>dan ook niet bekend met hetgeen thans in cassatie wordt aangevoerd. Het gaat om</para>
    <para>beweringen die in cassatie niet kunnen worden onderzocht. De Hoge Raad stelt</para>
    <para>immers zelf geen feiten vast, maar gaat uit van de feiten die door de lagere</para>
    <para>rechter zijn vastgesteld. Als verdachte zou zijn verschenen bij de rechtbank en</para>
    <para>daar het verweer had gevoerd dat hij heeft mogen vertrouwen op de mededeling van</para>
    <para>verbalisanten had de rechtbank op dat verweer moeten ingaan en zou de Hoge Raad</para>
    <para>zich wél over het verweer hebben kunnen buigen.</para>
    <para>4.3. De kopie van de brief van de Belastingdienst met betrekking tot de</para>
    <para>terugbetaling van motorrijtuigenbelasting - die aan de appèlakte is gehecht -</para>
    <para>houdt niets in over wdat de rechter noopte tot een antwoordthans in cassatie</para>
    <para>wordt aangevoerd over een mededeling van verbalisanten.</para>
    <para>De uit deze brief blijkende omstandigheid dat de auto waarvoor de WAM-verzekering</para>
    <para>moest zijn afgesloten in beslag was genomen, doet immers, zoals ik hiervoor heb</para>
    <para>uiteengezet, niet ter zake. De klacht van verzoeker dat de rechters met die brief</para>
    <para>"niets gedaan hebben" faalt</para>
    <para>4.4. Het tweede middel faalt eveneens.</para>
    <para>5.  De middelen lenen zich overigens naar mijn smaak voor de zogenoemde 101a RO-</para>
    <para>afdoening.</para>
    <para>6. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer</para>
    <para>ik tot verwerping van het beroep.</para>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>